Gepost op

Van Auschwitz naar Hitler – zijn geheime autobiografie – 24 juli 2018

Van Auschwitz naar Hitler – zijn geheime autobiografie

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 24 juli 2018

Het is november 2017 en de voorbereidende werkzaamheden voor de herziene uitgave van Auschwitz. Stad, fabriek, vernietigingskamp van Robert Jan van Pelt en Deborah Dwork zijn in volle gang. Eind december, begin januari moet het boek verschijnen. Maar ik krijg Robert Jan niet te pakken; hij moet enkele zaken ophelderen en de laatste drukproef bekijken en goedkeuren. Ik krijg een korte e-mail: ‘Kom naar Madrid en we spreken de zaken door.’ Met enige verbazing neem ik de uitnodiging aan om bij de opening van de tentoonstelling Auschwitz. Not long ago. Not far away aanwezig te zijn. Ik meld me op donderdagmiddag 30 november bij het museum Centro de Exposiciones Arte Canal in de Spaanse hoofdstad op loopafstand van Santiago Bernabéu. Robert Jan loopt gestrest rond maar maakt toch tijd vrij voor een preview en een voorstelronde. Er wordt nog naarstig gewerkt aan de laatste details. Robert Jan heeft de afgelopen drie maanden als chief curator van de tentoonstelling en editor van de catalogus dag en nacht gewerkt aan deze tentoonstelling, samen met zijn vrouw Miriam Greenbaum en de belangeloze Spaanse geldschieter Luis Ferreiro (directeur van Musealia) die zo’n beetje zijn gehele familievermogen in de tentoonstelling heeft gestoken. Ook stelt hij me voor aan de andere experts zoals de curatoren Djamel Zeniti, Paul Salmons en Michael Berenbaum. Er zijn objecten bijeengebracht uit meer dan zestig collecties, museaal en privaat, van instituten als Yad Vashem, United States Holocaust Memorial Museum, Wiener Library, en bovenal het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau uit Polen. In totaal zijn er 600 originele objecten tentoongesteld. Het wordt een reizende tentoonstelling en de aftrap is in Madrid.

Opvallend aan de tentoonstelling is het gegeven dat de expositie zich niet primair ten doel stelt de bezoekers zich te laten verbazen over gruwelijkheden of hen op hardhandige wijze met de neus op de feiten te drukken, maar dat deze probeert iets duidelijk te maken, iets te leren. Daarnaast wordt de tentoonstelling afgewisseld met hele kleine, zeer persoonlijke items. De afschuw dient zich dan vanzelf aan. Er is een vierluik geconcipieerd, te weten de ontmoeting (met de Russische bevrijders), vóór Auschwitz, Auschwitz en na Auschwitz. De Russen nemen een belangrijke plaats in de tentoonstelling in.

Vooral het gedeelte ‘vóór Auschwitz’ is uitermate informatief over het ontstaan van de Holocaust omdat daarin wordt uitgelegd hoe het antisemitisme zich heeft ontwikkeld en hoe de Joodse gemeenschappen op de opkomst van het antisemitisme reageerden.

Het voordeel van de opzet is dat de bezoeker niet alleen gefrustreerd, boos en verontwaardigd het museum verlaat maar dat hij een en ander in de tijd en in perspectief kan plaatsen. En dat is een knappe prestatie, want de meeste Holocausttentoonstellingen lijken in de eerste plaats een griezeleffect te beogen en verontwaardiging op te willen wekken, misschien niet opzettelijk maar het heeft vaak dit wel als eindresultaat. Boosheid en onbegrip is dan het resultaat. De bezoeker gaat dan naar huis met de gedachte dat het allemaal verschrikkelijk was en dat dit nooit meer mag gebeuren. Daar is niks mis mee, maar dan blijft de tentoonstelling zogezegd halverwege steken, want met verontwaardiging alleen wordt de geschiedenis niet verklaard.

Er zijn een paar goede uitzonderingen op deze regel, zoals het Information Centre naast het Holocaust Memorial in Berlijn. Maar deze tentoonstelling in Madrid hoort ook in die categorie.

*

Overal waar ik kom ga ik op zoek naar Holocaustmusea. Dat is een afwijking van me, noem het beroepsdeformatie. De afgelopen tien jaar heb ik er daarom verscheidene gezien. Het dieptepunt was het Holocaustmuseum in Buenos Aires. Zelfs aan Eichmann was geen aandacht besteed en dat zou je in Argentinië toch wel verwachten.

Een van de hoogtepunten is dus deze tentoonstelling van de Nederlandse Auschwitz- en Holocaustexpert Robert Jan van Pelt. Hij heeft persoonlijke zaken opgenomen en objecten die ik nog nooit heb gezien. En dat komt niet zo vaak voor. Hoogtepunt, wat mij betreft, is een soort ganzenbordspel dat als doel heeft zoveel mogelijk Joden op te pakken en buiten de stadsmuren te zetten. Juden Rauß heet het spel, op de markt gebracht door een commercieel bedrijf (dus niet door de nazi’s), Günther & Co uit Dresden. De spelers zijn pionnen van de Duitse politie. Je gooit met de dobbelstenen en je hoopt op een Joodse winkel of een Joods bedrijf terecht te komen. Dan win je een lelijk Joods poppetje dat je de stad uit gooit. Wie zes Joden de stad uitgewerkt heeft en naar Palestina heeft gestuurd, heeft gewonnen.

Er zijn ook veel Nederlandse elementen aangebracht, zoals foto’s van Philip Mechanicus, de journalist die in Westerbork een dagboek bijhield (In Depot). Ook is het enige in Auschwitz geschreven dagboek tentoongesteld. Het gaat om het dagboek van de arts, gevangene, Eddy de Wind, Eindstation Auschwitz. Het is allemaal te veel om op te noemen. Misschien de enige voorzichtige kanttekening bij de expositie; het is veel. Als je alles goed wilt bestuderen en lezen moet je er meer dan drie uur voor uittrekken en dat zal, vrees ik, voor veel mensen een hele opgave zijn.

Ook heeft Van Pelt onderdelen geïntegreerd van een eerdere tentoonstelling op de Biënnale van Venetië in 2016, The Evidence Room. Voor deze tentoonstelling is een gaskamer deels nagebouwd. In ieder geval werden de gaskolommen opgenomen, waar de nazi’s het Zyklon-B in gooiden.

*

In eerdere blogs heb ik er wel eens over geklaagd dat Nederlandse historici in het internationale debat bijna geheel afwezig zijn. Ze lijken zich te hebben ingegraven in kleine Nederlandse deelstudies die voor het internationale Holocaustdebat minder tot de verbeelding spreken. Maar Van Pelt is daar natuurlijk een grote uitzondering op die overigens met groot gemak in Nederland genegeerd wordt.

Als hij me voorstelt aan Michael Berenbaum, een gezaghebbend historicus op het gebied van de Holocaust, vertelt Berenbaum hoe hij Van Pelt ‘ontdekt’ en geprotegeerd heeft. Tijdens een eerste ontmoeting heeft hij Van Pelt zonder aarzeling in een taxi gezet en naar Londen gestuurd om te adviseren in de zaak van Holocaustontkenner John Irving versus Deborah Lipstadt. Daar is later een boek uit voortgekomen (The Case of Auschwitz. Evidence from the Irving Trial) en de speelfilm Denial. Voor deze opdracht kreeg Van Pelt niet eens de tijd om naar huis te gaan en een koffer in te pakken. Zonder een schone onderbroek vertrekt hij naar Londen. Berenbaum herinnert zich, over schone onderbroeken gesproken, een anekdote over de arrestatie van Eichmann in Argentinië, waarbij hij aanwezig was, zei hij. Deze onverschrokken nazi en Schreibtischmörder was tijdens zijn arrestatie zo bang dat hij zijn broek volscheet. En dus ook geen schone onderbroek meer had.

*

Onder de 600 indrukwekkende artefacten bevindt zich ook een kleine vitrine met een dun groezelig boekje. Het is Adolf Hitler. Sein Leben, seine Reden, 1923 van Adolf-Viktor von Koerber. Het boekje kende ik niet en van de auteur had ik nog nooit gehoord. Ik lees het bijschrift:

‘Een biografie van Hitler, naar zeggen geschreven door Adolf-Viktor von Koerber, een bekende militaire held, gepubliceerd in 1923. Het boek vergeleek Hitler met Jezus en bombardeerde hem tot wegbereider van de Duitse opstanding. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat Hitler het boek zelf had geschreven, hetgeen aantoonde dat hij in staat en bereid was om zichzelf op onbeschaamde wijze te promoten wat leidde tot de Führercultus van de jaren dertig.’

Ik kijk naar Van Pelt en vraag hem of dit echt waar is. Hij lacht en zegt dat dit ongeveer een jaar geleden ontdekt is. Er is dus nog een boek door Adolf Hitler geschreven vóórdat hij Mein Kampf publiceerde! Ik vraag hem waarom dat niet bekend is. Hij lacht naar me en zegt: ‘Het is bekend, alleen is er in Nederland niet veel aandacht aan besteed.’

De volgende dag is de officiële opening met veel hoogwaardigheidsbekleders. Van Pelt en Berenbaum geven samen een rondleiding met een toelichting. Wat een energie en gedrevenheid heeft Van Pelt! Onvermoeibaar neemt hij de bezoeker aan het handje mee door de tentoonstelling. Na afloop praten we nog even na en spreken voor de volgende ochtend af in de lobby van ons hotel AC Cuzco. We maken afspraken over tal van zaken en nieuwe projecten zoals een omvangrijk boek over de commandant van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau: Dossier Höss. Over twee dagen vliegt hij naar zijn huis in Toronto en zal dan tijdens de vlucht de drukproef van Auschwitz doornemen.

Ik adviseer hem zijn memoires te schrijven. Wat deze man meemaakt is volgens mij uniek. Als er ergens in de wereld gesproken wordt over Auschwitz dan is hij erbij.

Ik vraag hem ook opnieuw naar het boekje van Adolf Hitler. Moeten we dat niet uitgeven? ‘Ja, dat is een goed idee,’ zegt hij. Hij geeft mij het e-mailadres van de ontdekker van het boek, zijn goede vriend Thomas Weber van de Universiteit van Aberdeen. Die ken ik van zijn boek over Adolf Hitler in de Eerste Wereldoorlog, een deskundige dus op het gebied van de Führer. Met een hoofd vol plannen en ideeën en met veelbelovende afspraken in de koffer die de impasse vlot hebben getrokken, vlieg ik weer naar Amsterdam.

Thuis gekomen mail ik Thomas Weber op 11 december 2017. Een dag erna volgt zijn antwoord:

Many thanks for your email. This all sounds really most interesting. I think it is a great idea to issue a translation of the Koerber book ahead of the publication of Mein Kampf in the Netherlands.

Many thanks also for telling me more about your publishing house. For me it would have been sufficient to know that Robert Jan thinks that you are the right publisher for this project. If Robert Jan thinks you are the right publisher you are the right publisher!

Dat horen we natuurlijk graag… In principe wil hij graag meewerken. Hij moet alleen met zijn agent overleggen of zijn medewerking aan dit boek zijn andere in het Nederlands vertaalde boeken niet in de weg zit. Dat blijkt niet het geval te zijn zodat we aan de slag kunnen. Ik begin met nader onderzoek en het nodige leeswerk en koop het meest recente boek van Thomas Weber, Becoming Hitler. The Making of a Nazi (2017), waarin hij een apart hoofdstuk aan het geheime boek van Adolf Hitler wijdt. Al bladerend in het boek kom ik een aanbeveling tegen:

In his briljant Becoming Hitler, Thomas Weber offers an original, well-documented, and enthralling account of how and why of Hitler’s rapid metamorphosis from zero to self-defined hero in the where of 1919 Munich – a city ripped apart by a short civil war and its vengeful aftermath. Becoming Hitler makes us rethink everything we thought we knew about the emergence of Hitler as a political leader.

Robert Jan van Pelt, University of Waterloo, Canada

Ja, nu weten we dus ongeveer hoe de hazen lopen.

*

Op 6 juni 2018 heb ik weer contact met Thomas Weber. Hij heeft het druk gehad, maar in de zomer heeft hij tijd om een inleiding bij de Nederlandse vertaling van Adolf Hitlers geheime eerste autobiografie te schrijven. In de tussentijd wordt het boek vertaald door de onvolprezen Rob Pijpers die onder andere ook het drieluik van Raul Hilberg voor mij heeft vertaald. En zo wordt een nieuw boek geboren. Een boek van Adolf Hitler. Een cruciaal boek.

*

Tien jaar eerder (3 oktober 2008) heb ik een poging ondernomen om Mein Kampf te vertalen en uit te geven, maar dat kwam veel te vroeg. Ik heb toen voor advies contact gezocht met prof. dr. D.J.G. Visser, hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden en als advocaat verbonden aan Klos, Morel, Vos en Schaap te Amsterdam (thans is hij werkzaam bij Visser, Schaap en Krijger te Amsterdam). Maar de heer Visser heeft geen zin en/of vertrouwt de zaak niet. Hij belt mij op en verwijst me naar strafrechtadvocaten Inez Weski, Jan-Hein Kuijpers of een andere verdediger van zware criminelen. Dat is eerlijk gezegd een ronduit beledigend advies en nog dom ook; alsof deze juristen verstand zouden hebben van auteursrecht. Of dacht hij soms dat hij met een rechts-radicale Holocaustontkenner te maken had die het blazoen van Hitler uit foute nostalgische overwegingen weer wil oppoetsen en feitelijk helemaal niet op zoek is naar een deskundige op het gebied van auteursrecht?

Na mijn eerste contact met Thomas Weber heb ik contact opgenomen met een goede advocaat, Arnout Groen (Hofman Alkema Groen te Amsterdam). Hij heeft een memorandum opgesteld om verschillende auteursrechtelijke zaken uit te zoeken. Een Nederlandse uitgave van een onbekend en geheim gebleven autobiografie van Adolf Hitler samengesteld door Adolf-Viktor von Koerber zou niet tot grote problemen moeten leiden, zoals ook de Nederlandse uitgave van Mein Kampf geen probleem (meer) is. Ik heb Mein Kampf in 2008 niet aangedurfd omdat de uitgave blijkbaar ongewenste reacties oproept en dat wil ik nu ook weer niet. Maar het historische feit blijft overeind staan: zonder Hitler geen Holocaust. Dat schreven we al op de achterkant van Hitlers Jodenhaat van Ralf Georg Reuth. Daarom is alles van en aan Hitler relevant en noodzakelijk om te publiceren. Een verbod is allang niet meer van deze tijd.

Gerton van Boom

uitgever

P.S. Op 25 juli 2018 ontmoet ik Robert Jan van Pelt weer. Op doorreis naar Doetinchem, waar hij zijn oude vader gaat bezoeken (nadat hij elders zijn dementerende moeder al heeft bezocht en voordat hij naar Madrid doorreist) tref ik hem bij de taxistandplaats bij het ‘centraal’ station van Hilversum. We lopen naar de Groest en lunchen bij Rex. We nemen de kroketten met bruin brood. En bestellen twee flessen water om de ergste hittegolf sinds tijden te trotseren. Hij vertelt enthousiast en energiek over de Auschwitz-tentoonstelling in Arte Canal. Het bezoekersaantal overtreft alle verwachtingen. Ruim 400.000 bezoekers hebben de tentoonstelling gezien. De organisatoren verwachten eind dit jaar (de tentoonstelling sluit in januari 2019) het aantal van 600.000 te hebben bereikt.

Er is veel belangstelling voor de tentoonstelling vanuit de hele wereld, met name de Verenigde Staten. De tentoonstelling gaat na Madrid naar New York. Het Museum of Jewish Heritage. A Living Memorial to the Holocaust naast Battery Park in Manhattan, New York heeft belangstelling getoond. Het zeshoekige gebouw (voor elke miljoen slachtoffers een hoek) moet de concurrentie aangaan met het United States Holocaust Memorial Museum in Washington en het Museum of Tolerance in Los Angeles. Het is de puissant rijke Newyorkse onroerendgoedondernemers, die Trump een kleine jongen vinden, en de machtige mannen van de Joodse lobby een doorn in het oog dat het belangrijkste Holocaustmuseum niet in New York staat, waar immers de meeste (en belangrijkste) Joden wonen. De board van het Jewish Heritage heeft Robert Jan van Pelt gevraagd om een sabbatical te nemen van twee jaar en curator te worden van de nieuwe Auschwitz-tentoonstelling in het Jewish Heritage. Daar heeft hij ja op gezegd en nu moet hij zich eerst werpen op het schrijven van een groot koffietafel-achtig boek over de geschiedenis van Auschwitz-Birkenau als een luxe tentoonstellingscatalogus. Tevens moet hij Holocaust-artefacten uit de Joods-orthodoxe kring in de collectie verwerken en een plan maken voor de inpassing van de Madrid-tentoonstelling in het zeshoekige gebouw. Ergens volgend jaar kan de tentoonstelling worden geopend.

Ja, wat moet hij nu met de kroket-etende eenpitsuitgever uit Hilversum? Ik toon natuurlijk begrip voor de situatie en feliciteer hem met zijn succes. Maar het betekent gelukkig niet dat we alle uitgeefplannen helemaal in de ijskast zetten. Het Dossier Höss-boek zal even moeten wachten, maar we kunnen wel werken aan een bundel artikelen. Daarnaast weet ik uit ervaring dat Robert Jan van Pelt een veel- en snelschrijver is. Dat boek voor de koffietafel heeft hij in een handomdraai af. Hij schrijft louter uit zijn fenomenale geheugen.

Ter afscheid geef ik hem een exemplaar van de tweedelige uitgave van Loe de Jong, waar hij heel blij mee is. Krom getrokken door de boeken loopt hij van de Groest naar het station.

Gepost op

Veel valse hoop van Katja Happe – 20 mei 2018

Veel valse hoop van Katja Happe

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 20 mei 2018

Twee weken na de boekpresentatie van Jodenvervolging in Nederland van Loe de Jong vertrekken we voor een weekje zon naar Moncarapacho in de Portugese Algarve. Dit is een goed moment om vakliteratuur bij te werken. Een noodzakelijk boek om te lezen is Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 van Katja Happe. Al jaren vraag ik mij af wie het nieuwe overzichtswerk van de Jodenvervolging in Nederland gaat schrijven. Na Herzberg, Presser, De Jong en Moore hebben we dringend behoefte aan een nieuw overzichtswerk waarbij alle recente onderzoeksresultaten en heersende trends en inzichten verwerkt zijn. Het boek van Moore is uit 1997 en De Jong legde de laatste hand aan Het Koninkrijk, waar de Jodenvervolging een onderdeel van was, in 1988. Hij begon in 1967 en heeft de nieuwe literatuur niet stelselmatig bijgehouden en verwerkt. Voorts heb ik altijd de mening gehuldigd dat de Nederlandse Holocausthistoriografie steeds meer tendeerde naar kloeke detailstudies en een welhaast niet te overbruggen reputatie-angst om de grote Loe uit te dagen. Kortom, alle seinen stonden op groen om een nieuw overzichtswerk met open armen te ontvangen. Het verwijt dat eerst een Brit (Bob Moore) en daarna een Duitse (Katja Happe) als laatsten een overzichtswerk van de Nederlandse Jodenvervolging hebben geschreven, schuiven we als een onterecht nationalistische aberratie ter zijde.

*

Katja Happe dus. In de zon zet ik mezelf aan het werk. Ik veeg de zonnebrand van de kaft en begin. Door de recensies in de nrc en de Volkskrant is de toon gezet. Jolande Withuis geeft in de nrc (‘Werk mee en voorkom erger’) de maximale vijf sterren en noemt het een meesterwerk. Ad van Liempt noemt het boek een overtuigende studie die goed leesbaar is gebleven en kent vier sterren toe in de Volkskrant (‘Katja Happe houdt de schaamte op peil’). De neiging is er dus om bij deze bewondering aan te sluiten. Immers, de recensenten hebben een grote reputatie op het terrein van de Tweede Wereldoorlog en zullen verstand van zaken hebben. Maar laten we, met het werk van Loe de Jong fris in het geheugen, een poging doen om het boek inhoudelijk kritisch te benaderen. Wat wordt door de auteur geclaimd en wat mogen we verwachten? De uitgever schrijft op de binnenflap: ‘Veel valse hoop is een nieuw alomvattend boek over het onderwerp. Niet alleen vanuit Nederlands oogpunt, de geschiedenis wordt ook bezien vanuit internationaal perspectief. Dit overzichtswerk zal de komende tientallen jaren het standaardwerk over de vervolging van de Nederlandse Joden zijn.’ Kortom, je moet wel een heel erg jaloerse concullega-uitgever zijn om dit werk te bekritiseren. Maar we gaan het toch doen, duty calls.

Tijdens het mini-symposium ‘De kloof tussen de geschiedschrijvers en hun publiek

– en de mogelijke gevolgen’ van 25 april 2018 geeft Froukje Demant (senior researcher van Nationaal Comité 4 en 5 Mei) aan wat een overzichtswerk kenmerkt: [het bezit -GvB] ‘[…] een ordenend principe, een narratief met een leidende vraag of expliciet geformuleerde of juist impliciete verwachting die niet altijd moreel gestuurd is.’ Ze heeft het over onderliggende, al dan niet morele principes. Een dergelijk ordenend principe zou de analyse van Hans Blom kunnen zijn als hij tracht te verklaren waarom de Jodenvervolging in Nederland mogelijk is geweest. Hij gaf in zijn Cleveringa-lezing aan dat de desastreuze Jodenvervolging deels mogelijk verklaard kan worden door het verschil in preoccupatie met de Jodenvervolging. De bezetters hadden heel veel belangstelling voor de Jodenvervolging en de Nederlandse bevolking heel weinig. (‘Hoe was het mogelijk? De Holocaust in de context van de Tweede Wereldoorlog’, Cleveringa-rede uitgesproken door prof. dr. J.C.H. Blom, Universiteit Leiden, 26 november 2010)

Maar een dergelijk of een ander ordenend principe is niet aanwezig in Veel valse hoop. Op geen enkele wijze wordt de Jodenvervolging verklaard. Hoe was het mogelijk? Waarom is het gebeurd? Waarom wilden de nazi’s met virulente agressie alle Europese Joden uitroeien? Waarom had de Jodenvervolging zo’n hoge prioriteit voor de nazi’s? In welke internationale context moeten we de Nederlandse Jodenvervolging plaatsen? De Nederlandse Holocaust is getalsmatig in het totale complex van de genocide bijna te verwaarlozen; het Nederlandse aantal slachtoffers bedraagt circa 1,7% van het totaal. Dit betekent dat in andere landen en andere regio’s een veel grotere moorddadige inspanning moet zijn geleverd dan in Nederland. Hoe verhoudt zich dan de Nederlandse Holocaust met de internationale? Door de auteur wordt geclaimd dat aan het internationale perspectief nieuwe elementen zijn toegevoegd, maar dat is niet waar, althans datgene wat is toegevoegd zijn onbelangrijke details van pogingen van machteloze instanties die vruchteloos brieven schreven en overleg voerden, met name met een onwillige regering in Londen. Maar de internationale context van de Europese Jodenvervolging (zeg maar het Hilberg- en Friedländer-perspectief) is bijna non-existent in dit boek. Af en toe wordt gemeld dat Seyss-Inquart, Rauter of een andere nazi overleg had met superieuren in Berlijn. We lezen niets over het eliminatie-antisemitisme, niets over Jodenvervolging als carrièremogelijkheid: ‘Den Führer entgegen arbeiten’. Intentionalisme versus functionalisme? Was de Endlösung (daderterm) een vooropgezet plan of heeft het zich geleidelijk aan ontwikkeld? Europa tegen de Joden is een belangrijk thema waar Nederland ook aan meedeed en zelfs koploper was in de bezette West-Europese landen. Kortom, als we nieuwe lezers inzicht willen geven in waarom en hoe de Holocaust in Nederland heeft kunnen plaatsvinden was een samenvattende beschrijving van de internationale Holocaust noodzakelijk geweest en daar zaten we na Herzberg, Presser en De Jong juist op te wachten. De Jong heeft veel meer geschreven over deze internationale context dan Happe.

Op pagina 16 wordt een van de kernvragen van het boek behandeld: Waarom juist uit Nederland zoveel Joden werden gedeporteerd en vermoord, terwijl Nederland niet bekendstond als een ernstig antisemitisch land. Happe geeft vijf verklaringen voor deze Nederlandse paradox, te weten:

  1. Effectiviteit van het Duitse bezettingsregime;
  2. Gezagsgetrouwheid van de Nederlandse bevolking;
  3. Onvermogen van Joden om te zien dat ze gevaar liepen;
  4. Beperkte mogelijkheid om onder te duiken of te vluchten;
  5. Combinatie van bovengenoemde factoren.

Los van de vraag of deze analyse adequaat is en of de belangrijkste historici deze analyse zouden delen (quod non) is het de vraag of hiermee voor iedereen duidelijk verklaard wordt waarom de Holocaust en de Jodenvervolging in Nederland hebben kunnen plaatsvinden. Met de belangrijkste historici bedoel ik onder andere Loe de Jong. Excuses daarvoor. Hij is van mening dat de passiviteit van de Joden in Nederland de passiviteit van de Nederlandse niet-Joodse bevolking heeft bevorderd of in de hand gewerkt. Dat is dus een vijfde verklaring die door Happe genegeerd wordt.

Daarnaast zijn recentelijk vele detailstudies verschenen over de rol van de burgemeesters, de Hoge Raad, de advocaten, de notarissen, de politie, gemeentebesturen (Jodenkaart Amsterdam en erfpacht), de Nederlandse Spoorwegen, beroving door Liro, banken en verzekeraars, makelaars en het bedrijfsleven (bunkerbouwers; een aannemer uit Enschede bouwde mee aan Auschwitz-Monowitz, schimmige vastgoedtransacties), het Rode Kruis en nog vele anderen. Allemaal hebben ze (vaak op grote schaal) gecollaboreerd, meegewerkt om, zogezegd, erger te voorkomen. Alle studies hebben duidelijke conclusies opgeleverd: de Nederlandse staat en zijn niet-Joodse inwoners hebben op grote schaal meegewerkt met de Duitsers en de Joden als collateral damage opgegeven. Deze ongemakkelijke conclusie had door Happe wel herhaald en samengevat mogen worden.

Opvallend is ook dat Happe dit thema (de Nederlandse paradox) in de inleiding aansnijdt maar verder niet systematisch of op een vernieuwende wijze uitdiept. Ze gaat niet nader in op de gezagsgetrouwe houding van de Nederlanders. Wat is dat toch? Geen nieuwe inzichten dus en ook nog gebrekkig! Zou ze als Duitse terughoudend zijn om de Nederlanders de maat te nemen met betrekking tot hun rol in de Holocaust? Ik hoop toch van niet.

Op pagina 19, we zitten nog in de inleiding, schrijft Happe wat we als nieuw mogen verwachten: ‘Maar ook voor hen (de Nederlanders) biedt dit boek, waarin de blik immers ook gericht wordt op de Nederlandse regering en de inspanningen van de internationale Joodse hulporganisaties, nieuwe feiten en inzichten.’ Het spijt me het te moeten zeggen, maar dit is niet waar, althans deze claim wordt door mij niet (wettig) overtuigend bewezen geacht. Ik zou zeggen: het staat bijna allemaal al in Loe de Jongs boeken. Er is niets nieuws onder de zon. De feiten die nieuw zijn kunnen maximaal als ‘feitjes’ worden aangemerkt en bepalen op geen enkele wijze de koers van de Jodenvervolging, het zijn op geen enkele wijze ‘game changers’.

Happe heeft beoogd een overzichtswerk te schrijven in circa 500 bladzijden, terwijl Loe de Jong 2750 bladzijden nodig had en bij hem zijn ook nog hiaten (een internationale oriëntatie op de Holocaust in zijn gehele omvang – zie boven) te ontdekken. Dus dat lijkt een onmogelijke opgave. Je leest op verschillende plekken ook dat het boek eigenlijk niet voor Nederlanders is geschreven maar voor het Duitstalige publiek. Apeldoorn is bijvoorbeeld een provinciestad. Een Nederlander weet natuurlijk wat Apeldoorn is. Dat is niet erg en zelfs begrijpelijk, maar het geeft ook precies aan wat het is, een samenvatting, een opwarmertje voor het grote werk.

*

De auteur heeft veel moeilijke keuzes moeten maken, dat moeten we erkennen, maar sommige knellen echt. Je kan in mijn ogen geen overzichtswerk over de Nederlandse Jodenvervolging schrijven zonder Etty Hillesum te noemen. Ze is er niet geweest, lijkt het, zelfs in de literatuuropgave is ze niet opgenomen. Dat kan niet. Minimaal een citaat van Etty Hillesum van 28 juli 1942 had vermeld mogen worden: ‘Het is natuurlijk nooit meer goed te maken, dat één gedeelte der Joden meehelpt om de overgrote rest weg te transporteren. De geschiedenis zal hier later haar oordeel nog over moeten vellen.’

Ook Weinreb is volledig afwezig. Het is misschien niet het belangrijkste onderwerp, maar Weinreb heeft de gemoederen danig beziggehouden, tot lang na de oorlog.

Ad van Liempt is coulant als hij er geen melding van maakt dat het systeem van kopgeld niet uitvoerig besproken wordt. Dit is mijns inziens een belangrijk onderwerp omdat het ook iets over de Nederlanders zegt. Voor een paar centen hebben veel Nederlanders moeiteloos onschuldige Joden de dood ingejaagd of op zijn minst in een heel lastig parket gebracht.

Ook houdt Happes beschrijving op bij de landsgrens. Loe de Jong schrijft er misschien te uitvoerig over, Happe veel te weinig, eigenlijk niet. Er wordt globaal uitgelegd wat voor soort kampen Auschwitz, Bergen-Belsen en Sobibor waren maar het leven in deze oorden behoort niet tot het bestek van dit overzichtswerk dat ‘de komende tientallen jaren het standaardwerk over de Jodenvervolging in Nederland’ is. De Jodenvervolging in Nederland hield niet op bij de grens, het moorden vond plaats in bezet Polen en Duitsland.

Wat ook karig aan bod komt is het antisemitisme in Nederland na de oorlog. Dat is het op een na meest schrijnende onderwerp van de Nederlandse Holocaust. De kilheid en eng-bureaucratische behandeling van de teruggekeerde Joden is nog steeds een ernstig en indringend leermoment voor Nederland. Het wordt kort behandeld door Happe, maar summier, te summier in mijn ogen. Het gesoebat over belastingen die nabestaanden van Joden die in de kampen vergast zijn hebben moeten betalen, en die tegen een fors opgetrokken muur van ambtelijke (en ook politieke) onwil opliepen. De oorlog na de oorlog is voor de Nederlandse Joden bijna even pijnlijk geweest. Het rapport-Van Kemenade (Tweede Wereldoorlog: Roof en Rechtsherstel. Eindrapport van de Contactgroep Tegoeden WOII, Amsterdam, 12 januari 2000), waarmee een voorlopig (voor met name de slachtoffers) onbevredigend einde kwam aan een vervelende situatie, blijft volledig onbesproken.

Een lijntje naar het ontstaan van Israël had ook getrokken mogen worden. Zonder de Holocaust was het ontstaan van Israël een stuk lastiger geweest en daarmee wierp de Jodenvervolging gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn schaduw over de naoorlogse wereldgeschiedenis, tot op de dag van vandaag. Een begrenzing aan de beschrijving van de gebeurtenissen tot 1945 is verdedigbaar, maar de latere gevolgen kunnen niet geheel onbesproken blijven.

Het boek Dat nooit meer van Chris van der Heijden staat ook niet vermeld in de literatuurlijst. Er zou iets gezegd kunnen worden over de geweldige groei van de belangstelling wereldwijd voor de Holocaust. Het onderwerp lijkt het belangrijkste van de Tweede Wereldoorlog te zijn en heeft deze grotendeels overschaduwd. Iets over het belang van Auschwitz voor de contemporaine politiek?

Ik vrees dat we aan deze lijst van tekortkomingen nog wel een aantal kunnen toevoegen. Je zou verwachten dat alle laatste inzichten verwerkt zouden zijn maar dat is helaas niet helemaal het geval. De Nederlandse Holocaustgeschiedschrijving heeft zich, zoals gezegd, geëvolueerd in de richting van gedegen detailstudies, en dat maakt een nieuw overzichtswerk relevant, maar dan moeten deze detailstudies wel verwerkt worden en daar missen we het een en ander. Met name missen we alle onontbeerlijke conclusies.

*

Een laatste punt waar ik melding van wil maken is de wetenschappelijke distantie. Nergens geeft de auteur haar mening, de lezer moet het helemaal zelf uitzoeken. Er worden geen morele, ethische of feitelijke oordelen gegeven en dat lijkt een grote prestatie (de wetenschap zal dit punt wellicht als positief aanmerken) maar het leest niet lekker, het verhaal blijft hangen. De lezer wordt, zogezegd, niet meer aan de hand meegenomen, terwijl de Holocaust tal van ethische dilemma’s herbergt die het benoemen waard zijn. Naast geschiedschrijving hebben we ook ons gevoel. Volgens Hans Blom zijn deze twee niet helemaal te scheiden. Maar Happe schrijft en de lezer mag of moet zelf maar oordelen. Haar credo luidt: Show, don’t tell. Vaak werkt dit principe goed, maar bij dit onderwerp is het te mager.

Is er dan helemaal niets goed aan het werk van Happe? Jawel natuurlijk, het is een goede, degelijke en goed leesbare (ietwat te afstandelijke) samenvatting, drie sterren van de vijf. Ik wil ook niets afdoen aan de verder lovende woorden van de twee genoemde recensenten, maar de gedroomde opvolger van Loe de Jong is het helaas niet, het is een goede samenvatting van o.a. zijn werk met enkele nieuwe (detail-)accenten, de meeste latere literatuur is grotendeels verwerkt (of beter: vermeld) maar resulteert evenwel niet in een nieuw beeld. Eigenlijk had Loe de Jong het meeste al gezegd. Veel valse hoop is, we melden het eerder, daarmee een goede opwarmer voor het grotere werk. En we verblijven nog steeds in afwachting van een nieuw overzichtswerk dat de nieuwe lezers in staat stelt de Jodenvervolging ook te begrijpen in zijn oorsprong, verbetenheid, nasleep en internationale context. Wie durft?

Gerton van Boom

uitgever

Gepost op

Loe de Jongs schuldbesef – 25 april 2018

Loe de Jongs schuldbesef

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 25 april 2018

Click here for English version

Vanaf 2004 geven we de reeks Verbum Holocaust Bibliotheek uit. Dus al veertien jaar struint deze uitgever stad en land af op zoek naar nieuwe of nog niet vertaalde boeken die het uitgeven waard zijn. De focus was altijd gericht op ‘nieuw’ of ‘nog niet vertaald’. Deze niet aflatende zoektocht leverde ook een grote bibliotheek op. Immers, je moet het bredere landschap kennen dat je bewandelt. En dit landschap is wijds en onoverzichtelijk, maar ook weer niet oneindig. Een veel gehoord kritiekpunt is dat er al zoveel gepubliceerd is, alles is toch bekend en aan het papier toevertrouwd? Ja, er is veel over verschenen, heel veel, maar ik ben ervan overtuigd dat nog niet alles bekend is en het definitieve geschiedbeeld van de Holocaust niet vast staat. Immers, dit geschiedbeeld verschuift ook in en door de tijd. Over honderd jaar zullen we waarschijnlijk weer anders tegen de Holocaust aan kijken en andere (definitievere?) antwoorden geven op de vraag hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Bijvoorbeeld, het daderbeeld van Raul Hilberg is nu al aan het verschuiven naar een veel breder daderbeeld dan alleen de nazi’s en handlangers van de nazi’s. Uitgeverij Verbum heeft daarom twee relevante nieuwe Duitse titels aangekocht van de historici Götz Aly en Christian Gerlach. Maar hier wil ik een ander punt aansnijden: die grote berg literatuur die steeds groter wordt. Nadenken over deze grote berg en de strooptocht naar nieuwe titels deden het besef postvatten dat veel goede en belangrijke boeken al uitgegeven waren en al lang niet meer heruitgegeven werden. Ze zijn soms nog wel in een bibliotheek te raadplegen of misschien tweedehands te koop, maar nieuwe generaties nemen er bijna geen kennis meer van. Ook denken mensen vaak dat een bestaand boek dat niet meer opnieuw wordt uitgegeven daarom dus zijn belang heeft verloren. En dat is natuurlijk niet zo. Althans, niet altijd.

Uitgeverij Verbum heeft daarom besloten bepaalde titels te herlanceren en te actualiseren en met een nieuwe omlijsting in de etalage te zetten. Het eerste voorbeeld is de bundel van Bettine Siertsema, Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 (Verbum: Hilversum, 2018). In deze bundel worden tien eerste getuigenissen van de Jodenvervolging opnieuw te boek gesteld en voorzien van een deskundige inleiding waarom voor deze titels is gekozen.

Er zullen nog meer uitgaven volgen in dit segment. In Depot van Philips Mechanicus is een tweede voorbeeld van een boek dat blijvend heruitgegeven moest worden. Ook dit boek is, dit keer in samenwerking met Herinneringscentrum Kamp Westerbork, opnieuw spellingstechnisch afgestoft en van een nieuw jasje voorzien.

Over de boeken van bijvoorbeeld Anne Frank en Etty Hillesum hoeven we ons geen zorgen te maken, die zullen hun weg naar de lezers en nieuwe generaties blijven vinden door de onverminderde massale aandacht ervoor. Het echelon van minder bekende auteurs heeft (onterecht) meer moeite de media-aandacht te behouden, als ze die al kregen. Het begint al bij de dagboeken van David Koker, die wel worden herdrukt maar de Engelstalige, wetenschappelijke (geannoteerde) versie komt in Nederland maar niet van de grond.

De boeken van Hans Wielek, Sam de Wolff, Eddy de Wind en E.A. Cohen (om er slechts een paar te noemen) verdienen ook hernieuwde aandacht. De interesse voor deze titels is tanende door gebrek aan belangstelling van de kant van uitgevers voor deze titels. En ja, het moet gezegd worden, deze selectie is meer voortgekomen uit geschiedkundige overwegingen dan commerciële. De literaire kwaliteiten van Anne Frank, Etty Hillesum, Philip Mechanicus en David Koker (ik ben niet volledig in deze opsomming) worden over het algemeen hoger aangeslagen, maar historiografisch doen de andere auteurs van het eerste uur niet voor hen onder.

*

Bovenstaande betreft evenwel een deel van de Holocaustliteratuur; het segment van de autobiografieën, herinneringen en memoires. Maar hoe is het gesteld met de Nederlandse professionele geschiedschrijving? In een eerder essay heb ik daar al iets over gezegd. Na Loe de Jong is de professionele geschiedschrijving een andere weg ingeslagen. Na de overzichtswerken (Abel J. Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong) heeft de geïnstitutionaliseerde geschiedschrijving zich in toenemende mate gespecialiseerd in lijvige deelstudies. Stuk voor stuk noodzakelijk, nuttig en interessant, maar het grote lezerspubliek duikt minder gauw in bijvoorbeeld een gedetailleerde wetenschappelijke studie over de rol van het notariaat bij de Shoah in Nederland van 600 bladzijden (Raymund Schütz, Kille mist). Of in een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking tussen Nederland, België en Frankrijk van 1050 pagina’s (Pim Griffioen & Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België). Goede, doorwrochte en belangwekkende studies, maar het brede publiek haakt af. Eén van de weinige wetenschappelijk verantwoorde boeken die wel een groter publiek bereikte, was de studie van Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust), maar zijn boek heeft ook veel discussie opgeleverd.

Een nieuw Nederlands overzichtswerk na Loe de Jong is er nooit gekomen. Loe de Jong publiceerde in 1988 zijn laatste passages over de Jodenvervolging in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, een boekwerk waar hij in 1967 aan begon. Daarna heeft, zoals gezegd, geen Nederlandse historicus het meer aangedurfd om een algemeen overzichtswerk te schrijven over de Jodenvervolging in Nederland. Niemand heeft het aangedurfd om de grootmeester te overtreffen of uit te dagen, of aangedurfd hiertoe een poging te doen. Afgelopen weken verscheen het boek Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 van Katja Happe, dat kwalificeert als een overzichtswerk, maar zij is een Duitse. Het op één na laatste overzichtswerk van de Engelsman Bob Moore (Victims and Survivors: The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945) stamt uit 1997. Dus de laatste twee overzichtswerken over de Jodenvervolging in Nederland zijn van de hand van twee buitenlanders. Zij hebben het wel aangedurfd. Maar is het wel een kwestie van durf?

Maar dit alles overpeinzend: wie heeft Het Koninkrijk of alle passages over de Jodenvervolging van Loe de Jong überhaupt helemaal gelezen? Wie heeft zijn geschiedbeeld van de Jodenvervolging overzichtelijk op zijn netvlies? Hij heeft een groot en omvangrijk werk nagelaten, maar wie heeft daar op handzame wijze toegang toe? In combinatie met de geplande revival van belangrijke dagboeken en memoires heeft Uitgeverij Verbum bij het niod het idee geopperd om de relevante passages over de Jodenvervolging uit Het Koninkrijk te bundelen en handzaam beschikbaar te maken. Ik heb hierover op 8 april 2016 toen een eerste e-mail gestuurd naar de interim-directeur Wiechert ten Have. Hij antwoordde per omgaande mail: ‘Dat is een interessant idee. Je bent aan het goede adres. Wel ga ik dit hier overleggen met de specialisten op dit gebied. Inhoudelijk is mijn eerste gedachte dat de teksten vanzelfsprekend wetenschappelijk hier en daar verouderd zijn. Natuurlijk zijn ze informatief en deel van een monument! Een goede inleiding zou dus inderdaad nodig zijn. Wellicht ook wat nadere toelichting.’

En aldus werd een project geboren. Wiechert ten Have werd enige tijd later opgevolgd door Frank van Vree en ook hij toonde zich geïnteresseerd. Voordat we van start konden gaan heb ik toestemming gevraagd aan de nabestaanden van Loe de Jong en ook zij waren voorstander van de geselecteerde heruitgave. Aan het werk dus!

Ongeveer twee jaar later is Jodenvervolging in Nederland, 1940-1945, twee delen, gereed, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het een groot en loodzwaar project was. Ik zal u besparen welke praktische problemen we hebben moeten overwinnen. Een van de grootste obstakels was de omvang. Ruim 2750 bladzijden telt het boekwerk. Een dergelijk boekwerk heeft Uitgeverij Verbum niet eerder uitgegeven. Een eerder, ook megalomaan project (voor een uitgeverij met de omvang van Verbum) was de vertaling van het magnum opus van Raul Hilberg, de grondlegger van de Holocaustgeschiedschrijving die nog steeds als toonaangevend gelezen en bestudeerd wordt en niet gauw zal verouderen. De vernietiging van de Europese Joden van Raul Hilberg was een driedelig werk van circa 1550 bladzijden. Loe de Jong was bijna het dubbele! (We voelen het nog steeds in de rug.)

In veel andere opzichten is het werk van Loe de Jong (dus sinds lang verstopt in Het Koninkrijk) vergelijkbaar met het werk van Raul Hilberg. Het was (is?) trendsettend, toonaangevend en nog niet overtroffen. Dat zijn natuurlijk grote woorden, waar deskundigen graag iets op zouden willen afdingen, maar slechts ten dele hierin zullen slagen. Ik zal hier evenwel geen analyse geven van de overeenkomsten tussen Loe de Jong en Raul Hilberg. Laat ik me hier beperken tot de constatering dat Loe de Jong het werk van Hilberg goed kende. Hilberg was een van de weinige historici op het gebied van de Holocaust die intensief door Loe de Jong is gelezen, geciteerd en gewaardeerd. Dus in de Nederlandse context hebben de twee een band en het was dus voor ons logisch dat deze twee bij eenzelfde uitgevershuis onderdak geboden zouden worden, ondanks het feit dat Uitgeverij Verbum qua bezetting eigenlijk te klein is voor dergelijke grote projecten.

*

Loe de Jong heeft in Het Koninkrijk in aanvang niet beoogd een zelfstandig werk over de Jodenvervolging te schrijven. Zijn beschrijving en analyse waren ingebed in het bredere verhaal van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Loe de Jong heeft over de Jodenvervolging dus ook niet zo’n brede analyse gegeven van het ontstaan en de oorzaak van de Shoah. Als zelfstandig werk zou het boek er dan ook anders uit hebben gezien, maar ik ben ervan overtuigd dat zijn motivatie en zijn oordeel dezelfde zouden zijn geweest. Het was ook wel altijd de wens geweest van Loe de Jong om er een zelfstandig werk van te maken, maar daar is het helaas niet eerder van gekomen.

Over zijn motivatie lezen we op pagina 2452 (hoofdstuk 19, ‘Hulp aan Joodse vluchtelingen’ – Ja, laten we maar direct wennen aan de nieuwe verwijzing en annotatie…) het volgende:

‘Ik heb, vind ik nu, te veel aan die eindoverwinning, te weinig aan de Joden gedacht. Ik heb, vind ik nu, mij met die Joden te weinig verbonden gevoeld en getoond.’

Door schuldbesef is dus het thema voor Loe de Jong loodzwaar geworden. Ook natuurlijk omdat hijzelf veel directe familie is kwijtgeraakt, waaronder zijn ouders en zijn tweelingbroer Sally.

Maar schuldbesef is één kant van de medaille. De andere kant van deze medaille is zijn oordeel. De boosdoeners en eindverantwoordelijken waren natuurlijk de Duitsers (of beter misschien: de nazi’s), maar de ‘grote held’ van zijn verhaal (elk verhaal heeft een ‘held’) is geen nazi (die waren veelal instrumenteel, soms intrinsiek fanatiek verdorven) maar een Nederlandse Jood, David Cohen, de voorzitter van de Joodse Raad. Op Abraham Asscher, medevoorzitter van de Joodse Raad, reageerde Loe de Jong doorgaans minder fel en afkeurend.

In zijn inaugurale rede van 21 september 1967 [‘Een sterfgeval te Auswitz’ voorzien van een deskundige inleiding door Boudewijn J. Smits – ‘Loe de Jongs loodzware thema’ – dit boekje heeft Uitgeverij Verbum als randprogrammering bij Jodenvervolging in Nederland opnieuw uitgegeven] voert Loe de Jong David Cohen in de allereerste zin op. Cohen en de Joodse Raad zaten hem hoog.

‘Wat men van het beleid van die Joodse Raad vernam of zag, versterkte het beeld van de onderdanige, serviele, laffe Jood.’ (pagina 1314, hoofdstuk 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’) Nauwgezet en omstandig fileert Loe de Jong het (achteraf) desastreus gebleken werk van de Joodse Raad. Cohen c.s. waren aanhanger van de door de Joodse Engelandvaarder R.A. Levisson eens geciteerde Bijbelspreuk uit Prediker: ‘Beter is een levende hond dan een dode leeuw.’ (pagina 2009, hoofdstuk 16, ‘Gedeporteerde Joden’) Dat was het beleid van de Joodse Raad: meeveren en meebuigen om erger te voorkomen in de veronderstelling (of hoop) dat de oorlog snel afgelopen zou zijn. Maar dat beleid heeft rampzalig uitgepakt. Om te beginnen heeft het de solidariteit binnen en buiten de groep verbroken. Binnen – door een bepaalde geselecteerde groep van Joodse Raad-leden trachten te beschermen tegen deportatie waarbij de arme Joden zonder vitamine-R (relaties) eerder kansloos waren. Cohen sprak van het zo lang mogelijk behouden van de belangrijkste mensen (Loe de Jong, ‘Een sterfgeval te Auswitz’, p. 31). Buiten – omdat het de buitenwereld toonde dat de Joden zelf er vrede mee zouden hebben. Waarom moeten wij, niet-Joden, de Joden helpen als zij zelf akkoord gaan met hun uitsluiting en daar zelf instrumenteel aan meewerkten? ‘De passiviteit in het Joodse milieu heeft in de loop van 1941 de passiviteit van het niet-Joodse in de hand gewerkt.’ (pagina 1259, hoofdstuk 11, ‘Deportaties, derde fase’) Dat was de redenering.

Daarnaast heeft het meewerken door de Joodse Raad het gevoel van eigenwaarde ernstig gefrustreerd. Beter een levende hond dan een dode leeuw? Dit was de eeuwenlange houding van de getto-Jood en deze houding heeft het antisemitisme nooit succesvol kunnen bestrijden, eerder in de hand gewerkt. De echte held van Loe de Jongs analyse is mr. L.E. Visser, de Joodse voorzitter van de Hoge Raad, die na zijn gedwongen ontslag (geen enkele hulp van mede-Hoge Raad-leden), predikte dat Joden principieel niet mochten samenwerken met de nazi’s omdat dat tot niets anders zou leiden dan verlies van alles inclusief eigenwaarde. Hij was ervan overtuigd dat alleen een principiële houding van non-collaboratie soelaas zou kunnen bieden. Hij was de tegenstander van Cohen en zijn Joodse Raad, maar hij bleef een roepende in de woestijn. Hij doorzag de smerige verdeel- en heerspolitiek van de nazi’s, maar de meesten hoopten in dit schaakspel er toch zelf goed uit te kunnen springen, de door het bestuur van de Joodse Raad geprotegeerde groep bevoorrechte gegoeden voorop. Loe de Jong spreekt van een ‘gewapende vrede’ tussen Cohen en Visser. Loe de Jong: ‘…, drong zich steeds sterker de overtuiging op dat de Joodse Raad afgleed naar een dienstbaarheid aan de bezetter die volstrekt in strijd was met de waardigheid die, aldus Visser, Joden dienden te betrachten.’ (pagina 589, hoofdstuk 7, ‘Naar het getto’)

Door het beleid van Cohen c.s. werd het, plat gezegd, ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke’. En achteraf weten we tot wat dit alles geleid heeft. Loe de Jong realiseerde zich terdege dat de ondergang van de Joodse bevolking waarschijnlijk zonder medewerking zich ook voltrokken zou hebben, maar dan in ieder geval met behoud van eigenwaarde en een minieme kans op solidariteit van de rest van de Nederlandse bevolking.

*

Een tweede angel in Loe de Jongs analyse van de Jodenvervolging betreft de houding van ambtelijk Nederland. Op pagina 881-882 (hoofdstuk 9, ‘Deportaties, eerste fase’) schrijft hij: ‘Ten aanzien van een mogelijke bescherming van de Joden of zelfs maar van pogingen in die richting liet met name de Nederlandse overheid volledig verstek gaan.’ ‘Waar vindt men in die bureaucratische rommel een vent die iets waagt?’ ‘Die is er niet.’ ‘Aldus Koos Vorrink over de hulp aan gedeporteerde Joden.’ Rapport van de Pakkettencommissie uit 1947: ‘Een tekort aan initiatief, durf en fantasie en een teveel aan formalisme en bureaucratie.’ Loe de Jong heeft het over ‘met schadelijke punctualiteit optreden’. En: ‘bedenkelijk formalisme’. ‘Wie vreest een misdadige overheid te dienen, heeft niet steeds de behoefte na te gaan of die vrees gerechtvaardigd is.’ (pagina 2208, hoofdstuk 17, ‘Terugblik’) Het beleid van ‘Londen’ ten aanzien van de Joodse vluchtelingen was ‘inhumaan’. Citaten te over…

Het laat zich dus raden dat de ambtelijke top, de secretarissen-generaal met Frederiks aan kop, er goed van langs krijgt. Elke keer komt hetzelfde beeld boven: meewerken om erger te voorkomen. Maar dat is helemaal niet gelukt, de ambtenaren konden of wilden niet onder ogen zien dat met de nazi’s meewerken (collaboreren) gelijk stond aan de dood van de Joden. Loe de Jong schreef het niet letterlijk, maar je hoort hem denken dat de Joden door ambtelijk Nederland zijn opgeofferd aan de bloeddorstige wolven, in de hoop zelf gespaard te worden. De Joden waren collateral damage, zijdelingse of onbedoelde schade.

Dit alles leidt ertoe dat we met Loe de Jong tot de conclusie komen dat de Jodenvervolging het resultaat is van een schromelijk gebrek aan solidariteit op allerlei niveaus, zowel persoonlijk als bestuurlijk, ook binnen de gevarieerde Joodse gemeenschap zelf. En dat is nog steeds de onweerlegbare waarheid waar de belangrijkste lessen van Holocaust op geënt moeten worden. Dit is wat wettelijk verankerd moet worden in een nieuw Landoorlogregelement, voorzien van een adequate strafmaat. Dit is de les die we op scholen er consciëntieus jarenlang moeten inhameren. Niet-solidair zijn moet een prijs hebben, solidair zijn moet iets opleveren en beloond worden. Dit moet de praktische uitwerking worden van ‘Nooit Meer Auschwitz’ en zal jaar in jaar uit gepredikt moeten worden door het Nederlands Auschwitz Comité en alle andere herdenkingsgremia en besturen van Holocaustmusea en herinneringscentra. Dit is niet wat Loe de Jong letterlijk heeft gezegd; het kan er slechts tussen de regels door uit gedestilleerd worden; dit is wat de auteur van dit essay privé vindt. Het is natuurlijk niet de conclusie van een professioneel historicus die zonder al te veel emoties zakelijk onderzoekt en redeneert. Het is immers geen conclusie, maar een aanbeveling en daarover gaat niet de historicus maar de politicus. Het beste is het nog als de bestuurder en de onderwijzer dit beleid vrijwillig en vol overtuiging zouden verweven met hun dagelijkse beleid en handelen.

*

Dit brengt mij tot mijn slotopmerking. Boeken over de Holocaust kunnen grofweg worden verdeeld in drie groepen: boeken die 1) beschrijven, 2) verklaren en 3) verontwaardiging opwekken. Natuurlijk zijn er ook vele mengvormen. De Jodenvervolging in Nederland van Loe de Jong is met name beschrijvend, hier en daar verklarend en de auteur is gepast, maar beslist verontwaardigd. Een mengsel van 1), 2) en 3) dus. De meeste boeken, met name de memoires, autobiografieën en herinneringen zijn ook een dergelijke mengvorm, meestal van 1) en 3). Er zijn weinig boeken die helemaal in categorie 2) vallen en daar slaagde ook Loe de Jong niet in. Waarschijnlijk heeft hij zich dit ook niet tot doel gesteld. Weliswaar minder dan bij Presser (Ondergang) is de Jodenvervolging en hoe de (Joodse en niet-Joodse) gemeenschap daarop gereageerd had ook voor Loe de Jong een open zenuw, die met wetenschappelijke distantie en zorgvuldigheid behandeld moest worden. En dat ging niet van een leien dakje.

Recentelijk hebben we nog de discussie kunnen volgen over de Nederlandse Spoorwegen. Holocaustoverlevende Salo Muller heeft gesteld dat de NS betaald is met geld dat de nazi’s onder andere van zijn ouders gestolen hadden. Met andere woorden, de vergaste Joden hebben hun eigen treinkaartje betaald. Dat wringt, zodat de voormalige Ajax-fysiotherapeut tegen de NS heeft geageerd en gesteld heeft dat ze dit geld moeten teruggeven. De NS waren in de oorlog een overheidsbedrijf dat volledig gecollaboreerd heeft met de nazi’s en zich nooit expliciet heeft afgevraagd waar deze Joden naartoe werden gedeporteerd en waarom ze niemand een retourtje hebben kunnen verkopen. Wat doet de NS nu met Salo Muller: een panna, een elleboogje, een kopstootje en weg is Salo Muller! Ze doen niet aan schadevergoeding. Ze doen niet aan excuses of boetedoening, geen schulderkenning. Ze betreuren natuurlijk wel heel veel. NS-directeur Roger van Boxtel wil dat zijn bedrijf zich blijvend bewust is van zijn rol tijdens de oorlog. Kortom, de NS gaat het Nationaal Holocaust Museum sponsoren. Het is goed dat zoiets gebeurt maar Van Boxtel geeft er wel blijk van dat hij er niets van heeft begrepen. Het enige wat wel zou hebben geholpen was een ruimhartig en openbaar mea culpa en schadeloosstelling aan de nabestaanden voor zover die er nog zijn. Als hij daarnaast ook nog het Nationaal Holocaust Museum zou hebben gesponsord was het helemaal goed geweest. Maar de aloude reflex van de overheid, waar Loe de Jong zich met onverholen afschuw tegen verzet heeft, blijft na al die jaren nog steeds in stand.

Het ergste is nog dat de directeur van het Joods Cultureel Kwartier waartoe het Nationaal Holocaust Museum behoort, Emile Schrijver, zich in het NRC Handelsblad van 3 april 2018 als volgt laat citeren: ‘Emile Schrijver,… , vindt het “ongepast, om nu nog steeds slechts met de ethische blik van goed en fout naar de rol van de NS te kijken”.’ Met andere woorden, het is niet langer gepast het toenmalige beleid van de leiding van de NS te bekritiseren. Is er een analogie met de handelwijze van de Joodse Raad tijdens de oorlog? Wordt hier verdeeld en geheerst? De ene groep een beetje geld geven voor het schoonwassen van het blazoen, en de andere groep niet? Ik vrees dat ze bij de NS nog niet van Salo Muller af zijn. En ik hoop vurig dat Schrijver verkeerd of onvolledig geciteerd is… Ik hoop dat hij aan de directie van de NS de eis gesteld heeft om ook de nabestaanden genoegdoening te geven. Ja, hij mag best met de NS samenwerken en door de NS gesponsord worden, prima zelfs, maar de ethische bril kan niet af bij de Shoah, nooit! Dat is nu weer handzaam te lezen bij Loe de Jong in zijn nieuwe (of oude?) boek.

Gerton van Boom
uitgever

Loe de Jong’s Conscience

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 25th April 2008

In 2004 we started with the publication of the Verbum Holocaust Bibliotheek (Verbum Holocaust Library) series. In the fourteen years since, Verbum publishers have been searching high and wide for new or untranslated books that are worth publishing. The focus was always on ‘new’ or ‘untranslated’. The ongoing search has also produced a large library. A knowledge of the broader terrain is necessary for such a journey, as the landscape, though not endless, is vast and difficult to survey.

A criticism that one often hears is that so much has already been published, surely by now all has been uncovered and put to paper? True, much has been published, a great amount, but I am convinced that all is not yet known and that the picture painted by history is not complete. Our viewpoint changes with, and through, time. In a hundred years the Holocaust will probably be looked at in a different light, giving other (more definitive?) answers to the question of how it was possible that the Holocaust could have happened. For instance, there is already a shift away from Raul Hilberg’s image of the perpetrator, towards a much broader inclusion of perpetrators than just the Nazi’s and their accomplices. In light of which, Verbum Publishers have purchased two new German volumes by the historians Götz Aly and Christian Gerlach. And here I would like to broach another point: the great mountain of writing which is still increasing in volume. Whilst contemplating the amount of work already published and at the same time searching for new works, the realization came that many good and important books had not been re-published for a long time. They may still be found in a library somewhere or perhaps purchased second-hand, but they are nearly out of the reach of new generations. It is often assumed that not re-publishing an existing book means that it has therefore lost its importance.  Which of course is not the case. Or at least, not always.   

Uitgeverij Verbum Publishers have therefore decided to re-launch and up-date certain volumes, and to showcase them again in a new presentation. The first of these is Bettine Siertsema’s volume: Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 (First Dutch Testimonies of the Holocaust**); Verbum, Hilversum 2018. It presents again in book form, ten of the first witness accounts of the persecution of the Jews, with an authoritative introduction explaining why these titles were chosen.

More publications in this section are to follow. In Depot (In Custody**) by Philips Mechanicus is another example of a book that must not go out of publication. In co-operation with Herinneringscentrum Kamp Westerbork (Camp Westerbork Memorial Centre), it too has been given a fresh presentation and the spelling has been modernised.

We need not worry about Anne Frank and Etty Hillesum’s books, as their continuing, immense popularity will ensure that they will always find their way to readers, now and in the future. The echelon of lesser-known authors, however unfairly, have difficulty in sustaining media attention, if indeed any attention was paid in the first place. Consider the diaries of David Koker. They have been re-published but the annotated, academic volume in English simply fails to reach publication in the Netherlands. Books also deserving of renewed attention are those by Hans Wielek, Sam de Wolff, Eddy de Wind and E.A. Cohen, to name but a few. Interest in these books is receding due to lack of attention from publishers; and, yes, it can be argued that the above selection is based more on historical importance than commercial considerations. Generally, Anne Frank, Etty Hillesum, Philip Mechanicus and David Koker (my list is incomplete) are attested greater literary qualities, but from a historiographic point of view the other first-generation authors carry the same importance.

*

The above only deals with part of the literature on the Holocaust; the autobiographies, recollections and memoires. But what about professional historical writing in the Netherlands? Something on which I have already commented in an earlier essay. After Loe de Jong, professional historical writing changed direction. Following on from the comprehensive works (Abel J. Herzberg, Jacques Presser and Loe de Jong), the established form of historical writing evolved into voluminous works dealing only with separate sections. Each one being necessary, useful and interesting. Yet they do not appeal to the broader public, who are reluctant to immerse themselves in 600 pages of detailed academic study on the role of the notary in the Shoah in the Netherlands (Raymund Schutz, Kille mist (Cold mist**)), or in the 1050 pages of scholarly comparison of the Netherlands, Belgium and France (Pim Griffioen & Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België (Persecution of Jews in The Netherlands, France and Belgium**)). Both good, thorough and important studies, but not to the taste of the broader public. One of the few academically sound books which did reach the broader public was the study by Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust (“We know nothing of their Fate.” Ordinary Dutch People and the Holocaust**)), but the book was controversial.

Following Loe de Jong, a new comprehensive Dutch work was never written. Loe de Jong published his final pages on the persecution of the Jews in 1988 in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (The Kingdom of The Netherlands during the Second World War**), a book which he had started to write in 1967. As already stated, no Dutch historian has ventured to write a comprehensive overall view of the persecution of the Jews in the Netherlands since that publication. No-one dared to challenge or better the great historian, nobody dared to even to think of trying. In recent weeks Katja Happe’s book has been published, Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 (Much False Hope. The Persecution of Jews in the Netherlands 1940-1945**), it qualifies as a comprehensive study, but she is German. The last comprehensive study before that was by the Englishman Bob Moore (Victims and Survivors: The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945) and published in 1997. So, the two most recent, comprehensive studies on the persecution of the Jews in the Netherlands were both written by foreigners. They dared to do so. But is it a matter of daring?

On reflection, how many people have even read Loe de Jong’s Het Koninkrijk from cover to cover? Who is able to visualize an overall picture of his image of the history of the persecution of the Jews. He left us a great and extensive legacy, but is it accessible in a practical sense? To coincide with the current planned revival of important diaries and memoires, Uitgeverij Verbum Publishers put to the NIOD the idea of gathering together the relevant passages on the persecution of Jews from Het Koninkrijk and making them available in a manageable format. In answer to my initial e-mail, of 8th April 2016, concerning this, Wiechert ten Have (NIOD interim-director) immediately returned the following mail:

‘That idea is certainly of interest. You have come to the right address. I shall have to put it to our own specialists in this field. My immediate thoughts are that the texts are, naturally, out-dated here and there in an academic sense. Of course, they are informative and part of a monumental heritage! A good introduction would therefore indeed be necessary. Possibly also a commentary.’

Thus, a project was born. Frank van Vree, Wiechert ten Have’s successor, also showed his interest in the project. Before we could start, I approached Loe de Jong’s family for their permission, and they too were in favour of the selection being re-published. Time to get started then!

Roughly two years on, the two volumes of Jodenvervolging in Nederland, 1940-1945 (The Persecution of Jews in The Netherlands, 1940-1945**) are ready, though it must be said in all honesty that it was a large and very difficult project. I shall spare you the details of the practical problems we needed to overcome. One of the biggest obstacles was the sheer volume of the work. It is more than 2750 pages long. Verbum have never before published such a large book. An earlier, similarly megalomaniac project (at least for a publisher the size of Verbum), was the translation of the magnum opus of Raul Hilberg, the founder of Holocaust historiography, who is still considered an authority to be read and studied today, and who will still be relevant for some time to come. The Destruction of the European Jews by Raul Hilberg numbers about 1550 pages and covers three volumes. Lou de Jong has nearly double that number of pages! (… our backs are still sore.)

In many other ways Loe de Jong’s work (kept for so long inside Het Koninkrijk) is similar to that of Hilberg. It was (is?) a trendsetter, sets the tone and is yet unsurpassed. These are of course big claims, and some scholars may beg to differ, but I stand by them. Yet I shall refrain here from an analysis of the similarities between Loe de Jong and Raul Hilberg and allow myself only to state that Loe de Jong was well acquainted with Hilberg’s work. Hilberg was one of the few historians in the matter of the Holocaust whom Loe de Jong appreciated, cited and read intensively. So, in the Dutch context the two have a connection and therefore it was only logical for us to offer both of them a place under the same publisher’s roof, in spite of the fact that Verbum really does not have enough staff to handle such large projects.

*

In Het Koninkrijk it was not Loe de Jong’s intention to write a separate work on the persecution of the Jews, but his analysis and account of it were an integral part of the broader story of the Netherlands during the Second World War. Therefore, in his handling of the persecution of the Jews, Loe de Jong does not present us with an in-depth analysis of the origins and underlying causes of the Shoah. As a separate work it would have been a different kind of book, although I am convinced that both his motivation and verdict would have been the same. It had always been Loe de Jong’s wish to publish a separate book on the subject, and it is unfortunate that it did not happen sooner.

We can read the following concerning his motivation on page 2452 (chapter 19, ‘Hulp aan Joodse vluchtelingen’ (Aid for Jewish refugees**) – Yes, we may as well get used to the new referencing and annotation as well…)

I was thinking too much about the ultimate victory, and not enough about the Jews, that is what I feel now”

I did not feel or express enough solidarity with those Jews, that is what I feel now”

Loe de Jong’s conscience thus made the matter a very heavy weight for him to bear. Also of course because he himself had lost many close family members, including his parents and his twin brother Sally.

Yet a heavy conscience is only one aspect. The other is his verdict. The perpetrators and those ultimately responsible, were of course the Germans (or rather the Nazi’s), but the ‘protagonist’, every story has one, was not a Nazi (who were mostly instrumental, at times inherently fanatically perverse) but a Dutch Jew, David Cohen, the chairman of the Jewish Council. Loe de Jong’s reaction to the assistant chairman of the Jewish Council, Abraham Asscher, was as a rule less fierce and less disapproving.

In his inaugural speech on 21st September 1967 *, Loe de Jong names David Cohen in the very first sentence. He was very angry with Cohen and the Jewish Council.

*Een sterfgeval te Auswitz (A death in Auswitz**) – complete with an authoritative commentary by Boudewijn J. Smits – ‘Loe de Jong’s loodzware thema’ (Loe de Jong’s leaden theme**) – this booklet was re-published by Verbum to accompany Jodenvervolging in Nederland (Persecution of Jews in The Netherlands**)

‘Whatever one has been told or learned about the Jewish Council’s policy, it strengthened the image of the servile, subservient, cowardly Jew.’ (page 1314, chapter 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’- Last phase of the Persecution of the Jews**) Elaborately and meticulously, Loe de Jong lays bare what proved to be (on hindsight) the disastrous work of the Jewish Council. Cohen and cohort believed in the biblical proverb taken from Ecclesiastes, cited by Engelandvaarder* R.A. Levisson: ‘A living dog is better than a dead lion.’ (page 2009, chapter 16, ‘Gedeporteerde Joden’ (Deported Jews**)) Such was the Jewish Council’s policy:  compliance and docility in order to avoid something more terrible, in the expectation (or hope) that the war would soon come to an end. But that policy had devastating results. To begin with, it destroyed the solidarity between those inside and outside the group. On the inside: by trying to protect a certain select group of Jewish Council members from deportation, the poor Jews who did not have any vitamin ‘C’ (contacts) were left with even less chance of survival. Cohen spoke of holding on to the most important people for as long as possible (Loe de Jong, ‘Een sterfgeval te Auswitz’, p. 31). On the outside: because it displayed to the outside world a seeming acceptance by the Jews themselves. Why should we, who are not Jewish, help the Jews if they themselves are compliant, and instrumental to cooperation in their own exclusion? ‘During 1941, the passivity within Jewish circles helped to encourage the passivity of those who were not Jewish.’ That was the reasoning (page 1259, chapter 11, ‘Deportaties, derde fase (Deportation, third phase**).

*Engelandvaarder = escapee to England during the Second World War

In addition, the cooperation of the Jewish Council seriously thwarted any feelings of self-respect. Better a dog alive than a lion dead? For centuries that had been the attitude of the ghetto Jews, and antisemitism has never been able to banish it successfully, it has rather reinforced it. The real hero in Loe de Jong’s analysis is L.E. Visser LL.M., the Jewish chairman of the High Council, whom after being ousted from his position (with absolutely no support from his co – members) called for conscientious Jewish non-cooperation with the Nazi’s, arguing that cooperation could only lead to losing everything, including self-respect. He was convinced that solace would only be found through an attitude of conscientious non-collaboration. He opposed Cohen and the Jewish Council but his was a voice crying in the wilderness. He could see through the Nazi’s dirty politics of divide and rule, but there were many who hoped at least to be able to save their own skins in that treacherous game, those who were well-off, privileged and protegees to the board of the Jewish Council in the lead. Loe de Jong speaks of an ‘armed truce’ between Cohen and Visser. Loe de Jong: ‘…, the conviction that The Jewish Council was sliding steadily further into subservience to the occupier became more and more apparent, a servility that was, according to Visser, completely contrary to the dignity that Jews should possess.’ (page 589, chapter 7, ‘Naar het getto’ (To the Ghetto**))

Cohen’s policy made it quite simply ‘each man for himself ‘. Looking back, we can see where this led. Loe de Jong was thoroughly aware of the fact that the downfall of the Jewish population would probably have occurred without this collaboration, but without it at least there would have been self-respect and a tiny chance of solidarity from the rest of the Dutch population.

*

A second sting in the tail of Loe de Jong’s analysis of the Persecution of Jews concerns the attitude of Dutch officialdom. On page 881-882 (chapter 9, ‘Deportaties, eerste fase’ (Deportation, first phase**)) he writes: ‘As far as the eventual protection of the Jews was concerned, or even a small step in that direction, the Dutch government, particularly, displayed a total absence of any action.’ ‘Where on earth in this bureaucratic mess can one find a man with guts?’ ‘There aren’t any.’ ‘Koos Vorrink’s words on the aid for deported Jews.’ Report from the Pakkettencommissie (Parcel Commission), 1947: ‘A shortage of initiative, daring and imagination and an overabundance of formality and bureaucracy.’ Loe de Jong speaks of ‘punctuality with damaging effects’. Also: ‘questionable formalisme’. ‘When a person suspects that the government they serve is immoral, they will not want to keep looking for proof that those suspicions are justified.’ (page 2208, chapter 17, ‘Terugblik’ (Retrospection**)) The ‘London’ policy regarding the Jewish refugees was ‘inhuman’; and many more quotes to that effect …

It is not surprising then that the cream of the civil service, and the secretary-generals headed by Frederiks, are not spared in the least. Again, and again, the same picture emerges: cooperation in order to avoid something more terrible. Yet it did not work out that way at all. The civil servants either did not or would not see that working with the Nazi’s (collaborating) meant death to the Jews. Loe de Jong did not put it into writing, but you can just hear him thinking that the Dutch civil service offered up the Jews to the bloodthirsty wolves, in the hope that they themselves would be spared. The Jews were collateral damage, an indirect and accidental loss.

This leads us to conclude with Loe de Jong that the Persecution of the Jews was the result of a gross lack of solidarity on many different levels, both personal and official, even from within the varied Jewish community itself. That is the unequivocal truth, and the most important lessons to be learned from the Holocaust should be based upon it. This is what needs to be legally embedded into a new Landoorlogregelement (Land Warfare Regulations), equipped with adequate penalties. This is the lesson that should be conscientiously hammered home in our schools, year in year out. Showing solidarity must be rewarded and honoured, and not showing solidarity must carry a penalty. This must become the practical result of ‘Nooit Meer Auschwitz’ (Auschwitz, Never Again); the Dutch Auschwitz Committee and all other commemorative bodies, boards of Holocaust museums and memorial centres should preach it year after year. This is not literally what Loe de Jong wrote; it can only be distilled out from between the lines; this is the private conviction of the author of this essay. Of course, it is not the conclusion of a professional historian who reasons and examines abstractly, with little emotion. It is after all not a conclusion, but a recommendation, and is the terrain of politicians, not of historians. Best of all would be for officials and teachers to embrace this policy fully and voluntarily and interweave it into their day to day policies and actions.

*

This brings me to my final comment. Books on the Holocaust can be divided roughly into three categories: books that 1) describe events, 2) explain events or 3) engender outrage about events. And of course, many books are a mixture. De Jodenvervolging in Nederland by Loe de Jong is mainly a description of events, but here and there it is gives explanations and the author is suitably, but clearly outraged. A mixture of 1), 2) and 3) therefore. Most books, especially the memoires, autobiographies and recollections are such mixtures, mostly of 1) and 3). Few books fall only into category 2), and neither does that of Loe de Jong. It is also unlikely to have been his aim. Although less so than with Presser (Ondergang), the Persecution of the Jews and how the (Jewish and non-Jewish) community had reacted were a raw nerve, which had to be treated with academic distance and care. But it was not an easy task.

More recently we have also had the controversy concerning the Nederlandse Spoorwegen (Dutch National Railways). Salo Muller, a survivor of the Holocaust, claims that the money used to pay the NS by the Nazi’s was stolen from citizens, including from his parents. In other words, the Jews who went to the gas chambers paid for their own train ticket. That is such a gross injustice that the former Ajax physiotherapist decided to take action against the NS and demand that they refund the money. During the war the NS was state owned and collaborated fully with the Nazi’s. No explicit questions were asked as to where these Jews were being deported and why nobody sold them return tickets. How did the NS react to Salo Muller: a nutmeg, an elbow thrust, a headbutt and they were rid of Salo Muller! The NS do not award damages. Neither do they apologise or do penance, nor do they accept blame. Of course, they find it all very regrettable. The director of the NS, Roger van Boxtel wants to ensure that his company never forgets its role during the war.  So: the NS will sponsor the National Holocaust Museum. That in itself is a good thing, but it shows that Roger van Boxtel has no real understanding of the issue. There should have been a mea culpa, a publicly declared deep regret, and compensation for the few surviving relatives. Sponsoring the National Holocaust Museum in addition would then have been acceptable. Yet the age-old reflex of Government, against which Loe de Jong rebelled with ill-concealed disgust, has still not changed, even now.

What makes it even worse is that Emile Schrijver, the director of the Jewish Cultural Quarter which is part of the National Holocaust Museum, allowed himself to be quoted in NRC Handelsblad, 3 April 2018: ‘Emile Schrijver, …, finds it “unbefitting, to continue applying merely the ethics of right and wrong when looking at the role played by the NS”.’ In other words, it is no longer appropriate to criticise the policy of the NS during the war. Is there an analogy here with the actions of the Jewish Council during the war? Is it a case of divide and rule? Ignoring one group altogether, while handing out money to another group in the hope of clearing your guilty conscience? I fear that the NS has not yet heard the last of Salo Muller. And I fiercely hope that Schrijver has been either misquoted or badly quoted …. I hope that he has also demanded satisfaction for the remaining relatives from the board of the NS. Yes, it is fine if he works with the NS and accepts their sponsorship, it is to be welcomed even, but putting ethical standards aside in regard of the Shoah, never! That is the message that can again be read in Loe de Jong’s, now more accessible, new (or old?) book.

** title translation of untranslated books

Gepost op

Raul Hilberg Symposium 18-20 oktober 2017

Raul Hilberg Symposium

18-20 oktober 2017

Click here for English version

Omdat ik me ingeschreven heb op de e-mailnieuwsbrief van het Institut für Zeitgeschichte (Zentrum für Holocaust-Studien) kreeg ik een uitnodiging voor een symposium over de pionier van de Holocaustgeschiedschrijving, Raul Hilberg, naar aanleiding van zijn tienjarige overlijdensdag. Omdat Uitgeverij Verbum het standaardwerk van Hilberg heeft uitgegeven en binnenkort ook de vertaling van zijn autobiografie The Politics of Memory (vertaald als Politiek van herinneren, Verbum 2017) zal uitgeven, was mijn belangstelling gewekt. Een deel van het symposium zou ook gaan over zijn autobiografie. Dat was voor mij aanleiding om de redactiereünie van Groniek (het studentengeschiedenisblad waar ik in 1986 mederedacteur van ben geweest) op 18 oktober 2017 gedecideerd te annuleren en me aan te melden voor de bewieroking en bekritisering van deze nukkige, Joodse, onbegrepen en lang verguisde en jarenlang genegeerde lone wolf van de Holocausthistoriografie.

Met de trein reisden we af naar Berlijn, waar het symposium gehouden werd in de saaie ambassadewijk ten zuiden van Tiergarten. De gastheer van het symposium was de Friedrich-Ebert-Stiftung in de Hiroshimastrasse. Het idee voor het symposium stamt van René Schlott van het Zentrum für Zeithistorische Forschung in Potsdam. De cooperating partners zijn University of Vermont (Hilberg was daar hoogleraar Politieke wetenschappen), het reeds genoemde Institut für Zeitgeschichte (IfZ) en het Fritz Bauer Institut; ondersteund door S. Fischer Stiftung, Freunde & Förderer, United States Holocaust Memorial Museum en het Jena Center Geschichte des 20. Jahrhunderts.

Als we de deelnemerslijst bekijken staan daar hoofdzakelijk grote namen op, althans overwegend belangrijke historici die zich met de Jodenvervolging en het nationaalsocialisme in Duitsland fulltime professioneel en wetenschappelijk bezighouden. Twee éminences grises van Holocausthistoriografie waren er ook, te weten Saul Friedländer en Christopher Browning. Daarnaast waren er, om een paar namen te noemen, Doris Bergen, Hilary Earl, Jürgen Matthäus en Peter Hayes uit de Verenigde Staten en Götz Aly, Frank Bajohr, Nicolas Berg, Christoph Dieckmann, Norbert Frei, Susanne Heim, Ulrich Herbert, Wulf Kansteiner, Harald Welzer en Michael Wildt namens het Duitse wetenschapsveld. Uit Israël was historicus met Nederlandse wortels, Dan Michman (Yad Vashem) aanwezig. Veel andere sprekers moeten helaas voor de beknoptheid hier onvermeld blijven. Opvallende afwezigen waren Wolfgang Benz, Peter Longerich en Dieter Pohl. Verschillende Amerikaanse kopstukken waren ook afwezig.

Welke onderwerpen kwamen aan bod? Hilberg en Wenen. De invloed van Franz Neumann en Behemoth op het theoretische kader van Hilberg. De discussies tussen Hilberg en Arendt. De drie versies van het standaardwerk van Hilberg. Herziening van Hilbergs conceptuele model voor de ontwikkeling van De vernietiging van de Europese Joden. Raul Hilberg, Philip Friedman en het vroege Holocaustonderzoek. Hilberg, de spoorwegen en de Holocaust. Hilbergs beoordeling van de Joodse Raden. Vrouwen in het werk en leven van Hilberg. Hilberg en de discussie over het Führerbefehl. Het innerlijke van de tekst van Hilberg (over zijn laconiek stijl). Narratieve analyse van het standaardwerk. Hilberg narratieve esthetiek. Uitgeefgeschiedenis van zijn standaardwerk. ‘I have never begun by asking the big questions.’ Hilberg en de Joodse slachtoffers. Hilberg en de documenten van de daders. Leren van de daders; Hilberg, Neurenberg en het ontstaan van zijn standaardwerk. Emigratie en onteigening in het werk van Hilberg. Te veel om allemaal te noemen.

Ik kan hier niet alle drieëndertig lezingen bespreken, ik zal me beperken tot mijn top 3, maar vooraf wil ik graag eerst een aantal zaken bespreken die mij waren opgevallen.

*

Er waren bijna geen sprekers uit andere landen dan Duitsland en de Verenigde Staten (met Michman en een historicus uit Zweden als enige uitzonderingen). Betekent dit dat deze twee landen het wetenschappelijke discours beheersen? Het lijkt wel zo. Geen Nederlander (Frank van Vree van het NIOD was als enige professionele historicus in de rol van toehoorder aanwezig), geen Belg, Fransman of Brit, althans geen van hen meldde zich in de discussies. Maar wat vreemder is is dat er niemand (behoudens een Duitse medewerker van Gedenkstätte Theresienstadt) uit Oost-Europa aanwezig was. Christoph Dieckmann haalde dat aan. Veel meer dan de helft van alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (en ook van de Jodenvervolging) vielen in het Oosten van Europa en nog meer Oost-Europese Joden vielen ten prooi aan de moordzucht van de Duitsers en lokale bevolking (tot de daders behoorden dus niet alleen nazi’s). Maar op dit symposium zijn de wetenschappers uit deze landen (waaronder met name Polen, Baltische Staten, Roemenië, Oekraïne en Rusland) volledig afwezig. Waarom? Leeft dit onderwerp daar niet? Voor de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust waren er al miljoenen slachtoffers gevallen (Holodomor en pogroms), maar er is geen historicus van enige naam of reputatie die deze onderwerpen op de kaart heeft gezet. De Amerikaanse historicus Timothy Snyder heeft dat moeten doen.

De verschillen in toon tussen de Amerikanen en de Duitsers waren ook opvallend. De Amerikanen redeneren en denken vaak helder en rechtstreeks van punt a naar punt b. De Duitsers maken, ook taalkundig, veel meer omwegen. Maar ik denk dat de Duitsers een beter inzicht hebben in de Duitse aard en geschiedenis, maar dat is soms ook belastend. Toen Dieckmann en Klein een grapje maakten over de verschillen tussen Duitsers en Oostenrijkers, moesten alle Duitsers hartelijk lachen, de Amerikanen begrepen de witz niet. Ik ben van mening dat dit terug te vinden is in de studies die deze wetenschappers laten verschijnen. De hedendaagse Duitse historici lijken makkelijker hun weg in de curiositeiten van de archieven te vinden dan de Amerikanen. De Amerikanen daarentegen zijn beter in staat een heldere verhaallijn te hanteren voor educatieve doeleinden. Logica en toegankelijkheid staan bij de Amerikanen op een hoger plan. Het Duitse werk lijkt doorwrochter.

Een derde observatie was dat het percentage Joodse historici sterk aan het afnemen is. Was voorheen de Holocausthistoriografie een veld dat gedomineerd werd door Joodse historici (Hilberg, Yahil, Bauer, Friedländer en anderen), momenteel zijn er bijna geen Joodse geschiedschrijvers op dit gebied meer toonaangevend. Betekent dit dat aanvankelijk dit vakgebied aan de Joodse geschiedschrijvers overgelaten werd, en nu door de tand des tijds meer distantie is opgetreden en de discussies minder emotioneel geladen en dus zakelijker zijn, de niet-Joodse historici (die tegelijkertijd ook geen directe slachtoffer genoemd kunnen worden) zichtbaarder durven of moeten worden? Een voor de hand liggende verklaring kan zijn dat er in Duitsland niet veel Joden meer zijn, dus zijn er ook bijna geen of helemaal geen Joods-Duitse Sjoa-vorsers meer, maar de Duitse universiteiten halen ze ook niet naar Duitsland toe. Hetzelfde geldt overigens ook voor Nederland. In het begin werd de Jodenvervolging opgetekend door Joden als Abel J. Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong. Maar zij leven niet meer en hun plaats is eigenlijk ook niet ingenomen door een nieuwe generatie Joodse geschiedschrijvers. Er zijn wel veel gedetailleerde en goede deelstudies verschenen, maar door gebrek aan ambitie of uitdaging, zijn er geen nieuwe Pressers opgestaan die het totaalbeeld durven schetsen en duiden. De historici die zich thans (toonaangevend) met de Jodenvervolging bezighouden zijn over het algemeen niet Joods. Ik signaleer deze ontwikkeling, maar wat is de relevantie ervan? Afnemende Joodse belangstelling? Alles is zo’n beetje al gezegd? Wetenschap ontwikkelt zich van de bestudering van grote thema’s naar kleinere vraagstellingen? Een noodzakelijke verzakelijking van het debat? Toeval? Is deze observatie überhaupt interessant of belangwekkend?

Dit brengt mij tot mijn laatste bespiegeling. Nederland doet in het internationale Holocaustdebat (net als met voetbal inmiddels) helemaal niet mee, zo lijkt het. Terwijl dat jammer is en onnodig. Nederlandse historici hebben welzeker een bijdrage geleverd aan de historiografie maar zijn grotendeels onzichtbaar. Dat komt omdat, over het algemeen, de Nederlandse historici alleen publiceren in het Nederlands. In een recente belangwekkende Engelstalige studie van Christian Gerlach, waarvan Verbum zojuist de rechten heeft verworven, onder de titel The Extermination of the Euopean Jews, wordt een Engelstalig artikel van Johannes Houwink ten Cate en Ron Zeller & Pim Griffioen aangehaald alsmede de studie van Bob Moore (o.a. Victims and Survivors. The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands). Jacques Presser, wel vertaald, wordt niet genoemd en dus ook niet gebruikt of als belangrijk beschouwd. Herzberg en De Jong zijn niet vertaald en dus per definitie niet gebruikt. De belangrijke vergelijkende studie van Ron Zeller & Pim Griffioen is niet vertaald en bestaat dus voor de internationale Holocaustgeschiedschrijving niet, althans alleen de Engelstalige samenvattingen worden gelezen. Wil academisch Nederland meedoen, dan moeten de werken vertaald worden of in het Engels geschreven worden. Ook moet er in Nederland een tandje bij, want Herzberg, Presser en De Jong passen in de historiografie, maar een nieuw standaardwerk kan momenteel zeker bijdragen aan het vakgebied.

In Nederland worden de Amerikaanse Holocaustgeschiedschrijvers meer vertaald dan de Duitse. Sterker nog, de Duitse historici op dit gebied worden door de Nederlandse uitgevers grotendeels genegeerd. Van de aanwezige Duitse deskundigen is geen enkel boek in het Nederlands vertaald! Wat zegt dat? Zijn de Amerikanen beter, toonaangevender? Verkopen ze beter? Of kennen de gespecialiseerde Nederlandse uitgevers de relevante ontwikkelingen in de Holocausthistoriografie niet zo goed? De vraag stellen is de vraag beantwoorden, zo lijkt het.

Na deze, al dan niet relevante, openingsbespiegelingen, komen we toe aan de bespreking van de lezingen op het symposium. Er zal ongetwijfeld een bundel met alle bijdragen verschijnen zodat ik mij hier beperk tot de drie, voor mij, meest aansprekende bijdragen. Het zijn de lezingen van Götz Aly, Ulrich Herbert en Christoph Dieckmann. De voordracht van Wulf Kansteiner (narratieve analyse van De vernietiging van de Europese Joden van Raul Hilberg waarin het taalgebruik van de auteur geanalyseerd wordt), Peter Hayes (het transport van de Joden tijdens de Holocaust was voor de Duitsers een peulenschil; het aantal treinen dat beschikbaar moest komen was procentueel verwaarloosbaar vergeleken bij het totaal aantal treinbewegingen) en het ongrijpbare intellect van Harald Welzer vielen helaas net buiten de top drie.

*

Götz Aly – Wie und warum das Institut für Zeitgeschichte 1964 und 1980 die Übersetzung des Hilberg hintertrieb

De dag voorafgaand aan zijn lezing had Aly, dus op 17 oktober 2017, zijn voordracht al gepubliceerd in de Süddeutsche Zeitung onder de titel ‘Angst vor der Wahrheit’. Hilberg heeft zich in zijn standaardwerk De vernietiging van de Europese Joden ten doel gesteld de machinerie en werkwijze van de daders te ontrafelen. En met daders worden de Duitsers bedoeld. Hij deed dit met uiterste precisie en noemde man en paard. De eerste uitgeverij die benaderd werd (het Droemer Knaur Verlag werd opgericht met als doel het NS-verleden te documenteren) heeft aan het IfZ een inhoudelijke beoordeling van het werk gevraagd. Het oordeel was negatief en het boek werd niet uitgegeven. Enkele jaren geleden heeft Aly ontdekt dat de directeur van Droemer Knaur zelf leidinggevende is geweest in een klein kamp in de buurt van Saalfeld, waar ook veel slachtoffers vielen. Aangezien Hilberg de Duitse daderarchieven goed kende vreesde deze Boll voor publicatie. Abgelehnt!

Het Rowolt Verlag heeft ook vriendelijk bedankt voor publicatie van Hilberg.

In 1979 werd de televisieserie Holocaust uitgezonden, waarna Verlag C.H. Beck overwoog om Hilberg uit te geven. Opnieuw werd een opinie gevraagd aan het IfZ en wederom was het advies: niet doen. Inmiddels zou het werk al zijn verouderd.

Wat de werkelijke reden was om het werk niet uit te geven was bescherming van de eigen geschiedkundige beroepsgroep. Een Duitser zou het beter kunnen dan een (waarschijnlijk emotionele) Amerikaanse Jood. Verlag C.H. Beck trok zich daarna ook terug.

Een kleine, linkse uitgeverij, Verlag Olle & Wolter, gaf het dikke boek uiteindelijk in 1982 uit. De 4000 exemplaren werden snel tegen de exorbitante prijs van 128 mark per stuk verkocht. Recensies kwamen er evenwel niet, althans niet in de belangrijke kranten en tijdschriften.

Dit veranderde toen in 1990 Fischer Verlag het driedelige werk opnieuw liet vertalen en uitgaf.

Ondertussen had het IfZ het werk grotendeels laten vertalen en gebruikte het dit voor interne onderzoeksdoeleinden. Officieel heette het dat de vertaling nodig was om het advies goed te kunnen onderbouwen.

In Politiek van herinneren beklaagt Hilberg zich over de houding en obstructies van de Duitsers. Deze zou niet transparant en zelfbeschermend zijn.

Artikel en voordracht leidden evenwel direct tot een geïrriteerde woordenwisseling tussen (van oorsprong journalist) Aly en het academische establishment. We zaten achter Norbert Frei en Ulrich Herbert. Ze zaten veelvuldig en geagiteerd met elkaar te overleggen en toen Aly klaar was, wisten ze niet hoe snel ze bij de interruptiemicrofoon moesten komen. Frei zei vilein dat de geschiedschrijving zonder de slecht onderbouwde en insinuerende ‘Götz Aly-tjes’ konden. Hij doelde daarmee op slecht onderbouwde onthullinkjes van Aly. Het laat zich raden hoe de hazen achter de schermen lopen. Aly behoort niet tot het academische wereldje en schrijft en werkt als een vrije vogel, maar hij kan ook niet genegeerd worden. Daarvoor heeft hij te veel geschiedkundige prijzen en waardering gekregen. Knabbel en Babbel (Frei en Herbert) beten gemeen, maar Aly reageerde amper. Hij had ze weer eens op de kast.

Misschien was dit inhoudelijk niet de belangrijkste voordracht maar het zorgde wel voor enig vuurwerk.

Ulrich Herbert – Zur Entwicklung der Holocaustforschung seit den 1980er-Jahren

Hij geeft een helder overzicht van de Holocausthistoriografie vanaf de jaren 80. De Holocaust had tot dit tijdstip geen centrale rol in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Daarna wel. Het boek van Daniel Goldhagen (Hitlers gewillige beulen) kan genoemd worden als een keerpunt. De thans meest gangbare stroming in de Holocausthistoriografie is dat de genocidale moord op de Joden wordt ingebed in het racistische beleid ten aanzien van alle slachtoffergroepen die geleden hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het nieuwe werk van Christian Gerlach (al eerdergenoemd) is hier een goed voorbeeld van. Hij roemt Friedländer omdat hij de slachtoffers een belangrijke rol heeft toegedicht en zodoende de slachtoffers zichtbaarder heeft gemaakt. Hilberg deed dat namelijk niet. Voorts noemt Herbert nog talloze recente ontwikkelingen, zoals de regionalisering, internationalisering, het werk van Timothy Snyder waarbij een link gelegd wordt tussen hongermoord in Oekraïne en Rusland en de Holocaust, aangezien dit grotendeels kon geschieden in bestuurlijk ongeorganiseerde oostelijke gebieden. Ook noemt hij het recente werk van Götz Aly (Europa gegen die Juden, 1880-1945) waarin hij aangeeft dat de Duitsers intensief geholpen zijn door andere overheden, particulieren et cetera. Ook wordt recent meer aandacht besteed aan thema’s als beroving, schande, morele verontwaardiging, dwangarbeid van Joden, rol van de Duitse bevolking, parallellen tussen kolonialisme en Auschwitz (Van Windhoek in het huidige Namibie naar Lebensraum) en comparatief geweldsonderzoek.

Wat mij zeer aansprak was het warme pleidooi van Herbert voor alle getuigenissen van slachtoffers. Hij sprak van Sonderzeugnisse. Elk verhaal is bijzonder en de moeite waard om uit te geven, want als je als slachtoffer geen bijzonder verhaal had, was je gegarandeerd al vermoord. Elke Sonderzeugnis is dus van historisch belang. Dat stak mij een hart onder de riem omdat Uitgeverij Verbum veel memoires van slachtoffers uitgeeft en hoe vaak horen we niet van boekhandels en anderen de verzuchting: ‘Weer een boek over de Holocaust?’ Nu hebben we weer een extra argument om dergelijke belangrijke boeken te blijven uitgeven. En ja, het was niet het belangrijkste item dat Herbert besprak, maar we eigenen ons deze uitspraak wel even toe. Herbert was trouwens de enige spreker die enige blijk gaf van morele verontwaardiging over de Holocaust en die kalte Welt der Täter.

Christoph Dieckmann – Krieg, Besatzung und osteuropäisches Judentum in den Studien Raul Hilbergs

De energieke Dieckmann was de verademing van het symposium. Bevlogen, enthousiast, leergierig en sympathiek kan deze jonge historicus genoemd worden die bij Ulrich Herbert gepromoveerd is. Handig om te weten hoe de pikorde is.

Hilberg was een gigant voor de Holocaustgeschiedschrijving. Zijn belang is moeilijk te overschatten, maar er is ook commentaar op Hilberg mogelijk (en wenselijk). Waarom heeft Hilberg nooit de studies van tijdgenoten gelezen en de belangrijkste conclusies in zijn studie verwerkt? Of er blijk van gegeven dat hij deze kende? Hilberg was een ´document man´. Het archief was belangrijk en hij koos zijn eigen pad en wilde zich niet laten afleiden door collega’s. Het archief was het enige werkterrein dat er toe deed. En dan ook nog alleen de archieven van de Duitse daders. Hilberg heeft daarmee slechts één perspectief. Hij was niet in staat om van perspectief te wisselen en verschillende invalshoeken te hanteren. Latere historici zoals Friedländer hebben dat wel gedaan ten aanzien van de slachtoffers. Hilberg is daarmee de pionier van het daderperspectief en niet, zoals Friedman wordt gezien, de pionier van het Holocaustonderzoek. Dieckmann komt wederom terug op zijn vraag waar het Oost-Europese Holocaustperspectief is. Immers 98% van de slachtoffers kwam niet uit Duitsland, maar uit landen buiten Duitsland, voornamelijk Oost-Europa. Waarom schenkt Hilberg dit perspectief geen aandacht?

Ook besteedt Hilberg weinig aandacht aan de Joden als slachtoffer. Waarom? Hilberg is boos op de Joden, zo lijkt het. Hij citeert op provocatieve wijze de hooggeplaatste SS’er Erich von dem Bach-Zelewski, die onder andere ook verantwoordelijk was voor het neerslaan van de opstand in het getto van Warschau . Hilberg is het met deze nazi eens: als de Joden beter georganiseerd waren geweest, was hun lot misschien minder rampzalig geweest.

Dieckmanns belangrijkste stelling is derhalve dat multiperspectiviteit (als dat een goed woord is) in het hedendaagse Holocaustdebat van groot belang is en daar deed Hilberg niet aan. Hij koos zijn eigen pad, belangrijk, maar gedateerd. De Holocaust moet mede geïnterpreteerd worden in het kader van een cumulatieve geweldsspiraal waar de Jodenvervolging een onderdeel van was. En de Duitsers hadden de klus nooit alleen geklaard. Dit was nogmaals een verwijzing naar de nieuwe studies van Christian Gerlach en Götz Aly.

*

Christopher Browning (Chris voor intimi) hield de voordracht over de drie verschillende versies van het standaardwerk (De vernietiging van de Europese Joden). Ik heb hem vooraf even aangeschoten en meegedeeld dat er eigenlijk vier versies zijn. Hilberg heeft namelijk vlak voor zijn dood, voor de Nederlandse en Hebreeuwse editie, een pakket van meer dan 200 pagina’s wijzigingen ingediend. Dat maakt de Nederlandse en Hebreeuwse editie tot de meest uitgebreide, of althans de laatste door de auteur uitvoerig herziene versie. Browning wimpelde het weg (wijzigingen maken nog geen nieuwe versie), maar hij noemde het wel in zijn lezing. Nicolas Berg opperde later dat het de moeite waard is om de Nederlandse versie te gebruiken voor een nieuwe Duitse versie.

Na deze bijdrage kon de Nederlandse uitgever gemoedelijk wegzakken in de niet-aflatende stroom lezingen. Frank van Vree noemde het een ‘Pruisisch’ programma en dat was het ook, maar per saldo zeker de moeite waard. Het was zeer vermoeiend maar inspirerend en goed te volgen.

De catering van het symposium was wat aan de magere kant. Bedenkelijk was het hoe er geduwd en gegraaid werd toen op woensdag veel te weinig eten was ‘georganiseerd’ en de inderhaast opgescharrelde pretzels uitkomst moeten bieden. En dat op een symposium over de Holocaust…

Het was ongemakkelijk dat minstens vier sprekers zich minimaal een keer verspraken en Hilberg met Hitler verwisselden. Ongelukkig maar ook een beetje onjuist. Volgens het narratieve onderzoek was Himmler de ware held van het verhaal van  De vernietiging van de Europese Joden en niet Hitler. Hitlers hersens heten volgens Hilberg Himmler en niet Heydrich. HhhHHH!

Gerton van Boom

21 oktober 2017

  

English version

As a result of my subscription to the Institut für Zeitgeschichte (Zentrum für Holocaust-Studien) digital newsletter I received an invitation to attend a symposium dedicated to Raul Hilberg, the pioneer of historical studies on the Holocaust, to mark the tenth anniversary of his death. Uitgeverij Verbum Publishers has published Hilberg’s standard work and is soon to publish the translation of his autobiography The Politics of Memory (translated under the title Politiek van herinneren, Verbum 2017) therefore my interest was aroused. Part of the symposium was dedicated to Hilberg’s autobiography. It was clear that I needed to cancel the editor’s reunion of Groniek (the student historical society magazine of which I was co-editor in 1986) which was to be held on 18th October 2017, and be present at the adulation and critique of this quirky, Jewish, misunderstood, long maligned and too long neglected lone wolf of Holocaust historiography.

We travelled by train to Berlin and on to the rather boring embassy quarter, south of Tiergarten, where the symposium was to be held. The symposium was organized by the Friedrich-Ebert-Stiftung on the Hiroshimastrasse. The idea for the symposium originated from René Schlott of the Zentrum für Zeithistorische Forschung in Potsdam. The cooperating partners being the University of Vermont (where Hilberg was Professor of Political Science), the aforementioned Institut für Zeitgeschichte (IfZ) and the Frits Bauer Institut, supported by the S. Fischer Stiftung, Freunde & Förderer, the United States Holocaust Memorial Museum and the Jena Center Geschichte des 20. Jahrhunderts.

The list of participants shows in the main the leading names, highly respected historians who have a full-time professional or academic involvement with the history of the persecution of the Jews and of national socialism in Germany. Two éminences grises of holocaust historiography were also there, namely Saul Friedländer and Christopher Browning. Also present were Doris Bergen, Hilary Earl, Jürgen Matthäus and Peter Hayes from the United States, and Götz Aly, Frank Bajohr, Nicolas Berg, Christoph Dieckmann, Norbert Frei, Suzanne Heim, Ulrich Herbert, Wulf Kansteiner, Harald Welzer, and Michael Wildt representing the German academics. From Israel a historian with Dutch roots, Dan Michman (Yad Vashem), was present. The list includes many other speakers whom I cannot mention here as I must be concise. Conspicuously absent were Wolfgang Benz, Peter Longerich and Dieter Pohl, as were also a number of leading names from America. 

Which subjects were addressed? Hilberg and Vienna. The influence of Franz Neumann and Behemoth on Hilberg’s theoretical framework. Discussions between Hilberg and Arendt. The three versions of Hilberg’s standard work. Re-evaluation of Hilberg’s conceptual model in developing The Destruction of the European Jews. Raul Hilberg, Philip Friedman and early research into the Holocaust. Hilberg, the rail-network and the Holocaust. Hilberg’s assessment of the Jewish Councils. Women in the life and work of Hilberg. Hilberg and the discussions about the Führerbefehl. The nature of Hilberg’s writing (regarding his laconic style). Analysis of the narrative in his standard work. Hilberg’s esthetic narrative. The story of the publication of his standard work. “I have never begun by asking the big questions”. Hilberg and the Jewish victims. Hilberg and the perpetrators’ documents. Learning from the perpetrators; Hilberg, Neurenberg and the emergence of his standard work. Emigration and expropriation in Hilberg’s work. And much, much more.

I cannot discuss all thirty-three lectures here, I shall restrict myself to my top 3, but first I would like to mention a few matters which I couldn’t help but notice.

*

There were hardly any speakers from countries other than Germany and the US present (Michman and a speaker from Sweden being the only exceptions). Does this mean that these two countries are leading the academic discourse? It seems to be the case. Not a single Dutch historian (excepting Frank van Free, a professional historian from the NIOD, attending but not participating), none from Belgium, France or Britain were present, or at any rate none who took part in the discussions. Yet even stranger was the fact that no-one from Eastern Europe was present (with the exception of a German employee of the Gedenkstätte Theresienstadt). Christoph Dieckmann also found this worthy of note. Of all the victims of the Second World War, including the Jews, much more than half were from Eastern Europe; and of the Jewish victims, more Eastern European Jews fell victim to the Germans and local people (the perpetrators were not all Nazi’s). Yet at this symposium academics from these countries are totally absent (among which were Poland, the Baltic States, Romania, the Ukraine and Russia). Why? Is the subject of no interest there? Before the beginning of World War II and the Holocaust millions of people had already become victims (Holodomor and the pogroms), yet no well-known or respected historian dealt with the subject. A historian from the US, Timothy Snyder, became the one to do so.

Another point of note was the difference in tone between the Americans and Germans. The Americans often think and argue clearly and directly from A through to Z. Whilst the Germans, even linguistically, take a much more roundabout route; still I feel that the Germans have a better insight into the nature and history of the Germans, even though it sometimes provides too much ballast. When Dieckmann and Klein shared a joke about the difference between Germans and Austrians all the Germans laughed heartily, but the Americans didn’t get the witz. In my opinion, this is also apparent in their published work. Today’s German historians seem to navigate their way through the curiosities of the archives better than the Americans do. The Americans on the other hand are better at setting out a clear storyline for educational purposes. Logic and accessibility seem to be on a higher plane. The Germans prefer solidity.

A third observation is that the number of Jewish historians is steadily decreasing. In the past, the Holocaust historiography was dominated by Jewish historians (Hilberg, Yahil, Bauer, Friedländer and others) but currently there are hardly any Jewish historians leading in this field. Does this indicate that, although the subject was initially left to the Jewish historians, the passage of time has provided a certain distance, making room for a less emotional and more matter-of-fact approach and thus allowing the non-Jewish historians to feel a willingness, or even the need, to step forward? One obvious explanation may be that there are not many Jews left in Germany and so there aren’t any, or hardly any, Jewish-German Shoah researchers left, and the German universities are not inviting those remaining to come to Germany either. The same can be said about the Netherlands too. Here, initially the persecution of the Jews was recorded by Jews such as Abel J. Herzberg, Jacques Presser and Loe de Jong but they have passed and a new generation of Jewish historians has not taken their place. Many detailed and worthy research, dealing with separate themes within the subject, have been published, but, whether because of a lack of ambition or of challenge, a new Presser has not yet arisen to describe and interpret its entirety. Most of the (leading) historians who currently specialize in the persecution of the Jews are not Jewish. Having noted this to be the case, what is its relevance? Declining Jewish interest? Everything has already been said?  Academic interest developing along a scale, beginning with the great themes and moving on to the more intimate themes? Is the debate becoming necessarily more matter of fact? Pure coincidence? Or is the observation not worth mentioning and utterly unimportant?

This brings me to my last contemplation. It would seem that (just as with soccer these days) the Netherlands no longer plays a part in the Holocaust discourse. A great pity, and unnecessary. Dutch historians have truly made a contribution to the historiography, yet on the whole they are invisible. This is largely due to the fact that Dutch historians generally only publish in Dutch. In The Destruction of the European Jews, an interesting recent publication in English by Christian Gerlach (of which Verbum have acquired the copyright), both an article in English by Johannes Houwink ten Cate and Ron Zeller & Pim Griffioen as well as the publication by Bob Moore (Victims and Survivors. The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands) are cited. Jacques Presser, though having been translated, is neither cited, nor referred to or found to be of importance. Herzberg and De Jong have not been translated and are thus by definition not referred to. The important comparative study done by Ron Zeller & Pim Griffioen has not been translated and is thus non-existent to international Holocaust historiography, or at best, only the English summaries are read. If Dutch academics wish to be counted, then their work must either be translated or written in English. In addition, the Dutch need to step up; Herzberg, Presser and De Jong have earned their place in the historiography but surely now a new standard work would be a welcome contribution to this field.

In the Netherlands, the American historians of the Holocaust are translated more often than the German. Added to that, German historians in this field are largely ignored by the Dutch publishers. Of all the German experts present, none have been translated into Dutch! What does this signify? Are the Americans better, more authoritative? Do they sell better? Or are the Dutch specialist publishers unfamiliar with relevant developments in the Holocaust historiography? Having posed the question, the answer seems obvious.

Following on from these relevant or irrelevant opening observations, we move on to the reviews of the symposium lectures. A compilation of all the contributions shall, without doubt, be published, allowing me to limit myself to considering the three contributions which most caught my interest. They are the lectures by Götz Aly, Ulrich Herbert and Christoph Dieckmann. The contributions made by Harald Welzer with his elusive intellect, Wulf Kansteiner (an analysis of the language of narrative in The Destruction of the European Jews by Raul Hilberg), and Peter Hayes (for the Germans the transportation of the Jews during the Holocaust posed no problem at all; the number of trains needed for the transportation was only a tiny percentage of the total number of trains scheduled) fell just short of the top three.

*

Götz Aly – Wie und warum das Institut für Zeitgeschichte 1964 und 1980 die Übersetzung des Hilberg hintertrieb

Aly had already published his lecture in the Süddeutsche Zeitung on October 17, 2017, that is, the day before the lecture, under the title ‘Angst vor der Wahrheit’. In his standard work, The Destruction of the European Jews, Hilberg had set himself the task of unravelling the machinery and workings of the perpetrators. And by perpetrators he meant the Germans. This he did with the utmost precision and detail, sparing no-one. The first publisher to be approached (Droemer Knaur Verlag, founded specifically to document the Nazi past) asked the IfZ for their judgement on the content of the work. It was negative, and the book was not published. Some years ago, Aly discovered that Droemer Knaur’s director had governed a small camp near Saalfeld, where also many were made victims. As Hilberg was very familiar with the lists of German perpetrators this man Boll must have been afraid of publication. Abgelehnt!

Rowolt Verlag also declined to publish Hilberg’s work.

Following the 1979 broadcast of the television series Holocaust, Verlag C.H. Beck considered publishing Hilberg. Again, an opinion was asked of the IfZ and again the answer was: do not publish. It was deemed out dated.

Yet the real reason for not publishing was the protection of their own professional historical circle. A German must surely be preferable to an (most likely emotional) American Jew. Verlag C.H. Beck decided not to publish.

In the end, a small leftist publisher, Verlag Olle & Wolter, published the hefty manuscript in 1982. The 4000 volumes were quickly sold out, for the exorbitant price of 128 marks apiece. Yet the book was not even given a review, at least not in the leading magazines and newspapers. This changed when the Fischer Verlag had it translated and published again, in 1990.

In the meantime, the IfZ had had the bulk of the work translated and was using it for their own internal research. Officially declaring that the translation was necessary as a foundation for their advice.

In Politiek van herinneren, Hilberg laments the German attitude and stonewalling. It was not transparent and only served for their own protection.

Aly’s article and lecture immediately gave rise to a heated exchange between Aly, a former journalist, and the academic establishment. We were sitting behind Norbert Frei and Ulrich Herbert. They became agitated, conferring continually while Aly was speaking and couldn’t get to the microphone quickly enough when he had finished. Frei was vicious, saying that History could do without the loosely-founded insinuations of the likes of Götz Aly. By that he meant some of Aly’s more loosely-founded disclosures. One can well imagine how things fly behind the scenes. Aly does not belong to the world of academia and is able to write unfettered, but he can not be ignored. He has been awarded too many historical prizes and is held in high esteem. The terrible twins (Frei and Herbert) were mean and nasty but Aly hardly blinked. He had them right where he wanted them.

Perhaps this wasn’t the most important in-depth lecture but it did provide some fireworks.

Ulrich Herbert – Zur Entwicklung der Holocaustforschung seit den 1980er-Jahren.

Ulrich provides us with a clear view of the Holocaust historiography since the 1980’s. The Holocaust was not given a central role in the history of the Second World War until after the 1980’s. Daniel Goldhagen’s book, Hitler’s Willing Executioners, can be seen as a turning point. The current view in Holocaust historiography is that the genocidal murder of the Jews was anchored in the same racial policy applied to all the different victim groups who suffered during World War II. A good example of this is Christian Gerlach’s new work (mentioned earlier). Friedländer is praised for bestowing an important role on the victims, and so allowing them to be seen. Something that Hilberg omitted to do. In addition, Herbert highlights many recent developments such as regionalization, internationalization and the work by Timothy Snyder, linking murderous starvation in the Ukraine and Russia to the Holocaust, something that by large happened in the administratively unorganized eastern regions. He also mentioned the recent work by Götz Aly (Europa gegen die Juden, 1880-1945) in which he shows that the Germans were helped intensively by other governments, individuals and so on. Recently more attention is also focused on themes such as robbery, shame, moral outrage, the forced labour of Jews, the role of the German people, parallels between colonialism and Auschwitz (Windhoek in Namibia and Lebensraum) and comparative studies of violence.

Something which appealed to me greatly was Herbert’s warm plea for hearing every victim’s testimony. He called it Sonderzeugnisse. Each and every story is unique and worth publishing, because a victim without a unique story could only be one who had already be murdered. Therefore, every Sonderzeugnis is of historic interest. To me that is welcome encouragement, we publish many victim’s memoirs at Uitgeverij Verbum Publishers, and we so often hear bookshops and others say: “Another book on the Holocaust?”. Now we have another good reason to go on publishing these important testimonies. No, the point may not have been the most important one of Herbert’s lecture, but we are proud to appropriate it for ourselves. Herbert, incidentally, was the only speaker who showed any sign of moral outrage regarding the Holocaust and die kalte Welt der Täter.

Christoph Dieckmann – Krieg, Besatzung und osteuropäisches Judentum in den Studien Raul Hilbergs

The energetic Dieckmann brought a breath of fresh air to the symposium. Inspired, enthusiastic, inquisitive and likeable are words which may be used to describe this young historian who gained his doctorate under Ulrich Herbert. Handy to know the pecking order.

Hilberg was one of the giants of the Holocaust historiography. His importance cannot be underestimated yet we must also view his work critically. Why did Hilberg choose not to read the work of his contemporaries and incorporate their conclusions in his own work? Or, for that matter, just show that he was familiar with their work? Hilberg was a ‘documents man’. To him the archive was important, he set out his own path and would not be side-tracked by his colleagues. The archive was the only subject of importance to his work, and then only the archives of the German perpetrators. Because of this he was limited by only the one perspective. He was unable to change perspective and look at his subject from other angles. Something that later historians, such as Friedländer, managed to do in regard of the victims. Hilberg is therefore the pioneer of the perpetrator’s perspective and not, as Friedman is seen, the pioneer of the Holocaust research. Dieckmann returned to the question of the absence of an East European perspective of the Holocaust. After all, 98% of the victims were not from Germany but from countries other than Germany, mainly Eastern Europe. Why did Hilberg not choose to use that perspective?

In addition, Hilberg does not pay much attention to the Jews as victims. Why? Hilberg seems to be angry with the Jews. He cites the high-ranking SS officer Erich von dem Bach-Zelewski, who was responsible, among other things, for crushing the uprising in the Warsaw ghetto, as if in provocation. Hilberg is in agreement with this Nazi: if the Jews had been more organized then their plight might not have been as disastrous.

Dieckmann’s main argument is this: in the current debate on the Holocaust, multi-perspectivity (for want of a better word) is of great importance and Hilberg did not practice it. He followed his own path, which was of importance, but dated. The Holocaust should also be understood in the context of a cumulative spiral of violence, a part of which was the persecution of the Jews. The Germans could never have achieved this on their own. Once again, referring to the new research by Christian Gerlach and Götz Aly.

*

Christopher Browning (Chris for friends) took the rostrum to speak about the three different versions of the standard work (The Destruction of the European Jews). Just before he spoke I brought to his attention the fact that there are actually four versions. Shortly before his death Hilberg had submitted a pack of more than 200 alterations for the Dutch and Hebrew editions. This means that the Dutch and Hebrew editions are the most extensive, as far as the last comprehensively revised edition by the author is concerned. Browning waved it away (alterations do not constitute a new version) but did mention it in his reading. Nicolas Berg later suggested that it would be worth using the Dutch version for a new German version.

Following that action your Dutch publisher was able to relax back pleasantly into the never-ending stream of lectures. Frank van Free called it a Prussian programme and he was right, but all in all it was worth it. Extremely tiring, but inspiring and easy to follow.

The catering at the symposium was a bit lean. Worryingly a lot of pushing and grabbing went on when not enough food had been ‘organized’ on the Wednesday and pretzels had to be hurriedly raked up to fill the gaps. To think that we were at a symposium dealing with the Holocaust ……

It was unnerving that at least four speakers made an unfortunate slip of the tongue at least once by saying Hitler instead of Hilberg. Unfortunate and also somewhat unjustified. According to narrative research Himmler, not Hitler, was the real hero of The Destruction of the European Jews. If we listen to Hilberg, Hitler’s brains answered to Himmler and not Heydrich. HhhHHH!

Gerton van Boom

October 21st, 2017

Gepost op

Roofkunst – 16 augustus 2017

Op de fiets van Laren (NH) naar Groningen. Elke dag zestig kilometer via de LF-routes. Vriendin Lieberte woonde haar hele jeugd in Olst en ging naar het gymnasium in Deventer. Daar moesten we natuurlijk (haar) herinneringen ophalen. We nemen onze intrek in hotel Huis Vermeer aan het Grote Kerkhof. Wat heeft Hanzestad Deventer te bieden? Leuke antiquariaten, Gerard ter Borch (schilder, wel aardig, in het gemeentehuis was een kleine tentoonstelling ingericht: Magistraal over zijn leven en werk, in het bijzonder zijn schilderij Magistraat, ‘de Nachtwacht van Deventer’, maar niet heus) en theoloog Geert Grote (1340-1384), trendsettend met zijn Moderne Devotie (eigen geweten belangrijker dan het instituut kerk). Zijn schedel ligt in Museum De Waag.

Volgens Lieberte moesten we ook een kijkje nemen in oudste kerk van Deventer: de Bergkerk. Het was matig weer zodat een bezoek aan de Bergkerk de juiste tijdsbesteding leek.

Aldaar aangekomen bleek er een tentoonstelling te zijn ingericht. Wij naar binnen. Het is een indrukwekkende expositie van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. De titel is: Roofkunst, voor, tijdens en na WOII (www.roofkunst.com). We zijn aangenaam verrast en de eerste vraag die ik kan stellen is: waarom wisten wij dit niet? We lezen de belangrijkste kranten en volgen alles wat met de Holocaust te maken heeft, we krijgen dagelijks Blendle-meldingen over Holocaustartikelen in het nieuws en weten niet dat deze belangwekkende tentoonstelling gaande is.

Voordat we de expositie bezoeken kijken we naar de documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling. De twee bestuursleden van de initiatiefnemer Ter Borch Stichting vertellen enthousiast over hun plannen en de realisatie van hun ambities. Daaf Ledeboer overdrijft daarbij wel een beetje met een zwaar aangezette en nederige, haast religieuze blijmoedigheid à la Taco Dibbets. Hij is zo enthousiast dat hij in de schaduw mocht staan van de grootsheid van de kunst, waar hij mee in aanraking kwam, dat het gaat schuren. Maar je moet hem na geven dat het mooie tentoonstelling is geworden waar de Ter Borch Stichting en Deventer terecht trots op mogen zijn.

Er vielen mij twee zaken in het bijzonder op. Dat is ten eerste de bewegende beelden van tandarts Ruurd Rodenburg die in Leeuwarden diverse filmopnames maakte hoe zijn overburen (familie De Jongh) op 12 november 1942 door de politie van huis gehaald werden. Samen met zijn drie dochters stapte Israël de Jongh op de trein naar Westerbork, waar ze vermoord werden. Ook zijn er beelden van leeghalen van hun huis aan de Spanjaardlaan door verhuisbedrijf A. Postma. Volgens mij zijn dit unieke filmbeelden, althans ik ken geen andere bewegende beelden van de Jodenvervolging in Nederland, anders dan de beelden van Westerbork. De filmpjes zijn beschikbaar gesteld door het Fries Film Archief. Zouden er nog meer filmbeelden zijn van de Sjoa?

Eigenlijk hadden deze filmbeelden slechts zijdelings betrekking op het onderwerp van de tentoonstelling, maar interessant was het wel. Dat brengt mij maar gelijk op het tweede punt dat opviel. En dat is dat het onderwerp roof en restitutie van Nederlandse kunstbezit zo omringd is door een treurige, ambtelijke, onbarmhartige en juridische spruitjeslucht met een zweem van bureaucratisch antisemitisme. We kopen natuurlijk ook de catalogus (Roof & Restitutie. De uittocht en gedeeltelijke terugkeer van Nederlands kunstbezit tijdens en na de Tweede Wereldoorlog door de samenstellers van de tentoonstelling Rudi Ekkart en Eelke Muller, Deventer, 2017) en lezen wat we natuurlijk allang weten en nog steeds pijn doet. ‘…, werd de Jodenvervolging in Nederland doorgevoerd als een stapsgewijs, zorgvuldig geregisseerd proces waarvan het fundament bestond uit juridische en ambtelijke regelingen. De roof van eigendommen van Joodse verzamelaars verliep als een bureaucratisch proces.’ Stelselmatig en stap voor stap werden de Joden dus uitgekleed en vermoord. Ook de kunst van Joden was soms gedwongen verkocht, soms ongedwongen maar wel door de oorlogsomstandigheden ingegeven. Maar de Nederlandse overheid heeft grotendeels andere motieven bij de kunstrecuperatie dan het bieden van hulp en rechtvaardigheid aan onredelijk hard getroffen oorlogsslachtoffers. Met de recuperatie konden de kunstwerken weer getoond worden aan het publiek (versterking van het nationale kunstpatrimonium). Maar daarnaast speelde er nog een belang, en wel een financieel belang van de overheid. Ik citeer: ‘De kunstvoorraad zou bij verkoop een vermogen van ettelijke miljoenen guldens opleveren, een bedrag dat de deerlijk gehavende rijksschatkist kon aanvullen. De belangen van de individuele beroofde burgers leken in de eerste naoorlogse jaren bijna een bijzaak.’

Na een reorganisatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) in 1948 kreeg het restitutieproces meer vaart, maar de belangrijkste problemen werden niet verholpen. ‘Voor teruggave moest vast staan dat een werk het eigendom van de verzoeker was geweest en dat het onvrijwillig uit zijn bezit was geraakt. Een eventueel ontvangen tegenprestatie moest worden ingeleverd en daarnaast moest een onkostenvergoeding worden betaald. Voor oorlogsslachtoffers die alles waren kwijtgeraakt, konden deze eisen een onneembare horde zijn.’ Je was alles kwijtgeraakt en afgepakt, kwam berooid terug uit de kampen of uit de onderduik. Wat kon je allemaal aantonen? Waar haalde je het geld vandaan? Het geld dat je soms ontvangen had, was in veel gevallen weer afgepakt. Je moest dus geld terugbetalen dat ook al weer van je gestolen was, terwijl de kunstmarkt direct na de oorlog in een dip zat. Het was dan soms goedkoper om de veiling van je eigendommen af te wachten en ze op de veiling terug te kopen.

Het aantonen van onvrijwilligheid van de transactie (indien deze al had plaatsgehad) zal in veel gevallen ook moeilijk zijn geweest. Als je ervanuit ging dat vroeg of laat Nederland het Duitse voorbeeld zou volgen ten aanzien van de onteigening van Joods bezit en vermogen, dan kon je maar beter snel verkopen en met dit ‘zwarte geld’ je onderduik of vlucht te financieren. Is dit een vrijwillige verkoop? Je kan echt alle kanten op redeneren. En dat zullen partijen dan ook driftig hebben gedaan.

Ondanks dit restrictieve teruggavebeleid zijn er kort na de oorlog duizenden kunstwerken teruggeven aan de voormalige eigenaren. ‘In het begin van de jaren vijftig was de Nederlandse Rijksoverheid van mening dat de boeken konden worden gesloten. De overgebleven kunstwerken kwamen in beheer van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, om in bruikleen te worden gegeven aan musea of ter aankleding van openbare gebouwen. Deze werken vormen de huidige NK-collectie (Nederlands Kunstbezit-collectie). Vandaag de dag bestaat deze collectie nog uit ruim 4000 objecten.’ Later bleek het aantal 4800 te zijn, nadat al duizenden kunstwerken als niet-restitueerbaar waren verklaard en geveild waren (opbrengst: rekening Rijk).

Later, onder druk van de publieke opinie en de groeiende belangstelling van het publiek voor de nog steeds geldende naoorlogse onrechtvaardige behandeling van Joodse slachtoffers van het naziregime, is de politiek (niet de bureaucratie) tot het inzicht gekomen dat er een humaner restitutiebeleid moest worden ontwikkeld. Overigens wordt de term ‘humaner’ gebruikt in de tentoonstelling terwijl de catalogus spreekt van een ‘nieuw’ restitutiebeleid. Lees hiervoor het veel geraadpleegde handboek over de Nederlandse recuperatie en restitutie van door de nazi’s geroofde kunst: Betwist bezit van Eelke Muller en Helen Schretlen uit 2002.

Er wordt natuurlijk voorzien in een projectbureau, een commissie (Herkomst Gezocht) en een gefaseerde beleidsimplementatie. De eerste reeks van aanbevelingen in 2001 karakteriseerde het naoorlogse restitutiebeleid als ‘formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos’.

Een van de aanbevelingen was ook dat alle verkopen van Joodse particulieren vanaf 10 mei 1940 zou moeten worden beschouwd als onvrijwillig, tenzij het tegendeel bewezen kon worden. Omkering van de bewijslast dus. Dat gold later ook voor de kunstrestitutie van de handel. Over het terugbetalen aan de Nederlandse staat van de verkoopopbrengst, werd nu aanbevolen dat dit alleen van toepassing was indien de verkoper of de erven het geld ter vrije beschikking hadden gekregen. Na deze aanbevelingen werd de commissie Polak (Adviescommissie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog) op 1 januari 2002 ingesteld.

Er is ook een berekening gemaakt van de waarde van het niet-restitueerbare deel van alle gerecupereerde kunst. Dit bedrag zou aan een Joodse culturele instelling worden geschonken. Voorts hebben ook de musea onderzoek gedaan naar problematische gevallen van roofkunst. In 2007 werd er in de Hollandse Schouwburg een zoveelste tentoonstelling gehouden onder de titel Geroofd, maar van wie? om de rechtmatige eigenaren van de kunstwerken te achterhalen.

Het humanere restitutiebeleid heeft ertoe geleid dat de Restitutiecommissie vele kunstwerken heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Bekend zijn de zaken van Gutmann en Goudstikker. Maar opvallend is dat het gevoerde beleid erin heeft geresulteerd dat zeventig jaar na de oorlog de staat der Nederlanden een royale kunstverzameling heeft die niet van haar was. Ruim 4000 kunstwerken is de ‘ opbrengst’ van dit beleid ten behoeve van het algemeen belang en de Collectie Nederland. Dat heeft de overheid dus goed gedaan! Of niet? Eerst ontkennen, dan ontmoedigen, dan juridisch haast onmogelijk maken en ongeveer zestig jaar na de oorlog een humaner beleid ontwikkelen… Cynisch?

Er zijn veel boeken over geschreven, want deze houding jegens de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust beperkte zich niet tot kunstvoorwerpen. Het gaat ook over al het andere geroofde bezit van de Joden, zoals het huizenbezit, de onteigende bedrijven, de verzekeringen, de erfpachtkwestie en de onzinnige belastingaanslagen. Op al deze fronten heeft de staat der Nederlanden inmiddels een ‘humaner’ beleid ontwikkeld en daar waar nodig schadevergoeding betaald, maar trots kunnen we er niet op zijn. De juridische spruitjeslucht was ziekmakend, maar werd gedoogd door de Nederlandse bevolking. Immers, wij, het volk, kiezen onze politieke vertegenwoordigers en bestuurders. Wij hebben als volk jarenlang goed gevonden dat onze overheid de berooide Joden zo in de kou heeft laten staan op basis van legalistische drogredeneringen. Waarom hebben we niet vanaf 1945 royaal en loyaal de slachtoffers het voordeel van de twijfel gegeven? Waarom hebben we niet direct alle geroofde Joodse kunst aan de Joodse gemeenschap teruggegeven. De commissie Van Kemenade heeft (een halve eeuw na het einde van de oorlog) een gedeeltelijk gevoel van rechtvaardigheid en rechtsherstel opgeleverd, maar het kwam wel heel erg laat en er moest wel heel erg om gevochten worden. Joodse hoogleraren als Klein en Lipschits, die gedocumenteerd op de hoogte waren van de dossiers en betrokken zijn geweest bij de onderzoeken, hebben geschat dat het uiteindelijke bedrag aan schadevergoeding ongeveer een vijfde was van de werkelijke schade. Royaal of karig?

En wij hebben met zijn allen onze (zuinige) overheid zijn gang laten gaan om regels te verzinnen waar de slachtoffers in praktische zin nooit of slechts mondjesmaat aan konden voldoen. In dit kader werd er in de naoorlogse Holocaustliteratuur vaak gesproken over naoorlogs antisemitisme. Ies Lipschits heeft er een boek over geschreven: De kleine Sjoa. En dat is precies zoals de Joden het gevoeld moeten hebben. Maar er zijn veel meer boeken over dit onderwerp (het oplevende antisemitisme kort na de oorlog) geschreven zoals Terugkeer van Nienke Hondius.

Eigenlijk had de titel van de tentoonstelling niet Roof moeten zijn, maar Dubbele roof. Dat was waarschijnlijk voor de mensen die de tentoonstelling organiseerden net te ongemakkelijk. Allemaal nette mensen die geen man en paard durven te noemen? En ja, nog zoiets, het verspreiden van desinformatie is gewoon liegen.

Maar is dit dan helemaal afgesloten anno 2017? Nee, onlangs heeft Salo Muller zich nog boos moeten maken over de Nederlandse Spoorwegen (15 juli 2017, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2183326-nabestaande-holocaust-eist-schadevergoeding-ns.html). Hij eist een schadevergoeding. In landen als Frankrijk is dit, hoewel na commerciële dwang, al geregeld, maar in Nederland wordt gewacht. Schadebeperking zal dat heten. Salo Muller eist overigens ook het geld van de treinkaartjes terug die gedeporteerde Joden aan de spoorwegen hadden betaald om naar Vught of Westerbork vervoerd te mogen worden. Meewarig kijken de bestuurders naar deze pijnlijk roepende in de woestijn. En krijgt Salo Muller een afwijzing van de ‘klantenservice’, alsof hij tas in de trein vergeten was…

Gerton van Boom

16 augustus 2017

Gepost op

Eberhard van der Laan in Zomergasten – 30 juli 2017

Natuurlijk zaten we in huize Van Boom ook klaar om naar onze bestuurlijke held te kijken. De enige politicus die we oprecht konden geloven en vertrouwen. Wat een geweldige bestuurder en mens is Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, de stad waar veel Van Boompjes geboren zijn en sommige nog leven. Mijn moeder haalde in de jaren zeventig altijd tompoucen in huis als Ajax een Europacupwedstrijd moest spelen. We gingen er met het hele gezin en de buren lekker voor zitten. Zo’n avond was het…

Maar de avond bracht mij ergernis en boosheid. Wat deed onze rechtschapen mensenmens? Hij wil in alles nuanceren en de redelijke ‘oud-advocaat’ zijn die alle voors en tegens in een juiste balans wil krijgen. Ik heb het over het onderwerp Jodenvervolging dat hem zo aan het hart gaat. Hij wil iets aantonen en rechtzetten wat hem al lang dwars zit: de te gemakkelijke beschuldiging dat we in de oorlog slappelingen waren en onze onverschilligheid de ondergang van de Joodse medemens heeft betekent of beter gezegd, ernstig heeft bevorderd. Hij vindt dat deze beschuldiging (beter) onderbouwd moet worden, zoals in een dagvaarding of tenlastelegging. Op irritante wijze wil hij ons meermalen duidelijk maken dat hij ‘oud-advocaat’ is en de zaken graag als juridische procedures wil beschouwen. Maar wat hij hiermee realiseert ten aanzien van de Jodenvervolging in Nederland is waarschijnlijk alleen het tegenovergestelde.

Hij beschouwt de oorlog en de Sjoa als een moreel kompas, terwijl hij feitelijk geneigd is de waarheid deels te negeren. Ik zal dat straks allemaal netjes uitleggen. Spontaan riep ik: geschiedvervalsing! Te grote woorden? Ongepaste kritiek? Misschien, maar wat ik te zeggen heb, moet toch gezegd worden. Anders kan ik beter direct stoppen met het uitgeven van boeken over de Holocaust.

Evelien Gans schreef in het NRC op donderdag 3 augustus al een artikel over Van der Laan en zijn opvattingen over de Holocaust (‘Van der Laan te positief over verzet tegen de Jodenvervolging’ – de tekst heb ik voor de geïnteresseerde lezer hieronder integraal opgenomen). Alles wat ze schrijft kan ik onderschrijven, maar ze is te lief voor de aimabele burgervader. Tijdens de uitzending nog heb ik historicus Rob Bakker geappt en mijn verontwaardiging uitgesproken. Hij is de auteur van het binnenkort (januari 2018) te verschijnen boek De boekhouders van de Holocaust. Die boekhouders waren natuurlijk de ambtenaren die, ja laten we het maar gewoon zeggen, zwaar gecollaboreerd hebben en zodoende argeloos de Nederlandse Joden kansloos in de afgrond hebben laten storten. Daarbij hebben velen ook zelf vuile handen gemaakt. Hij adviseerde mij het te laten gaan. ‘Van der Laan is heiligverklaard en kritiek zal van hem afglijden.’ Maar ook voor mij is de Holocaust een moreel kompas waar we op moeten varen en dus iets van moeten leren, maar mijn conclusie zijn anders en ongemakkelijker. Alleen op deze manier kan je proberen in de toekomst een andere koers te varen op dit kompas. Op de manier van Eberhard van der Laan kan er makkelijk een wig gedreven worden in lespakket dat de Endlösung representeert.

In aanvulling op Evelien Gans wil ik twee onderwerpen uit Zomergasten met Van der Laan bespreken. Hij brengt de Amsterdamse Jood Dolf Aronson in beeld die van mening was dat er onterecht veel ‘poeha’ gemaakt wordt van de Februaristaking en de geroemde solidariteit. Na de Februaristaking was de solidariteit opeens grotendeels verdwenen, met alle gevolgen van dien. Hoe dat kon?, was door Aronson niet te beantwoorden. Van der Laan vindt dit ook een goede vraag en beantwoordde hem ook niet. Dat is merkwaardig omdat hij er blijk van geeft redelijk op de hoogte te zijn van de recente Nederlandse Holocaust-historiografie. Zo moet hij o.a. de dissertatie kennen van Pim Griffioen en Ron Zeller (Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945. Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Uitgeverij Boom, 2011, 1045 pagina’s). Hij geeft cijfers en de belangrijkste resultaten van de objectieve verschillen tussen Nederland, Frankrijk en België. Maar deze vraag beantwoorden is hem niet gegeven, terwijl hij zelf een boek over het onderwerp Jodenvervolging had willen schrijven. Maar als hij gewoon de bijbel van de geschiedschrijving van de Jodenvervolging in Nederland had gelezen, hadden hij en Aronson het antwoord geweten. Of in ieder geval de theorie van Loe de Jong – de auteur van deze bijbel – hierover kunnen citeren. Ik heb het natuurlijk over het hooggebergte van de Nederlandse bezettingsgeschiedschrijving: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945. Loe de Jong schrijft in deel 5 of 6, daar wil ik even vanaf zijn, over het schrijnende gebrek aan solidariteit binnen de Joodse gemeenschap en binnen de Nederlandse samenleving als geheel waardoor terreur (of de angst voor terreur) in een simpel spel van verdeel en heers door de kleine Duitse bezettingsmacht bestaande uit overwegend fanatieke SS’ers een geweldig rendement voor de moordenaars heeft kunnen opleveren. Een voor de Nederlandse samenleving, tot de dag vandaag, beschamend rendement. Beschamend te meer als de oorzaken ervan genuanceerd moeten worden tot een ja-maar-verhaal (ja-maar in de zin van: ze hebben weliswaar iets slechts gedaan maar ook iets goeds gedaan).

Wat schrijft Loe de Jong? Vrij geparafraseerd komt het erop neer dat de Joodse gemeenschap nooit akkoord had moeten gaan met de oprichting, rol en functioneren van de Joodse Raad zoals voorgesteld of voorgeschreven (of afgedwongen) door de bezetter. De Joodse Raad heeft zich laten gebruiken als handlanger, als uitvoerder of wegbereider van de desastreuze en criminele Duitse genocidale maatregelen. Principieel hadden de Joden moeten weigeren. Dan hadden de boeven impopulairdere maatregelen moeten nemen waardoor het gevoel van noodzakelijke solidariteit blijvend gevoed had kunnen (en moeten) worden. Maar nu is de Joodse Raad opgericht die het Joodse verzet moest ontwapenen en het standpunt innam om maar aan de harde Duitse maatregelen te voldoen, ‘om erger te voorkomen’. Maar men had onderschat welk signaal hiervan uitging richting Nederlandse samenleving. Als de Joden zelf al geen verzet meer aantekenden en dat de vooruitgeschoven leiders en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap zich al neerlegden bij gedwongen deportatie, waarom moesten argelozen (arische) buren dan hun leven in de waagschaal stellen voor de Joodse medeburgers? In deze situatie was het nu al te gemakkelijk om een andere kant op te kijken, als men het al had gezien of had willen zien wat er met de Joden stond te gebeuren. En wat stond er dan wel te gebeuren? Industriële vergassing is als onomstreden feitelijke kennis pas van na de oorlog.

Dus het antwoord op de vraag is lafheid en daardoor ontstond een makkelijk te rechtvaardigen gebrek aan solidariteit. ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’ was, zeker achteraf gezien, de slechtste optie. De ontslagen Joodse voorzitter van Hoge Raad mr. L.E. Visser was en bleef een roepende in de woestijn. Hij pleitte voor principiële non-coöperatie.

Daarnaast moet hier melding gemaakt worden van een andere desastreuze ontwikkeling. Binnen veertien dagen heeft de ambtelijke top (de secretarissen-generaal van de verschillende departementen) zich neergelegd bij het feit dat de nazi’s het land zouden regeren. Ook op dit vlak zou men voorlopig meewerken. Dat was de instructie: onderwerping aan de bezetter. Dit beleid is gevolgd door een uitspraak van de Hoge Raad, die niet protesteerde toen haar Joodse roerganger (de reeds genoemde mr. L.E. Visser) ontslagen werd, dat alle Duitse maatregelen kracht van wet in Nederland hadden. Voorts heeft het gehele bestuurlijke apparaat meegewerkt ‘als beste jongetje van de klas’. De bestuurlijk collaborerende werking die toen over de Joodse medemens is ‘uitgerold’ is uniek en moet de Duitsers in hun vuistje hebben doen gniffelen. Wat waren die Nederlanders (Joden en niet-Joden gelijk) naïef? Een mep in het gezicht, een dreigementje en af en toe een klein botje toewerpen en ze waren gelukkig en ervan overtuigd dat meebuigen de scherpe kantjes van de vervolgingen af zouden halen. De nazi’s hoefden zodoende niet veel te doen. De makke Nederlanders hielpen goed mee. Rijksambtenaren, gemeenteambtenaren, politie, advocaten, notarissen, spoorweg- en trampersoneel en diverse semioverheidsinstellingen – bijna iedereen werkte braaf mee. Ja, anders zou je je baan kunnen verliezen en je hebt ook een gezin te onderhouden, nietwaar? Dit alles werd dus gelegitimeerd door de hoogste (ambtelijke) bazen. Een hele lichte vorm van antisemitisme, hebzucht en vooral angst voor het eigen hachje deden de rest. Het is daarom opvallend dat veel Joden hebben kunnen onderduiken, hoewel dat in de meeste gevallen alleen tegen betaling geschiedde.

Wat in dit kader zorgwekkend is, dat is niet de angst, maar het feit dat we ook nog eens het braafste jongetje van de klas wilden zijn. Een goed voorbeeld is de ambtenaar Jacob Lentz, het Nederlandse equivalent van een radertje als Adolf Eichmann (banaliteit van het kwaad). Hij is zelfs naar Berlijn afgereisd om zijn zelf ontwikkelde (onvervalsbaar geachte) persoonsbewijs te promoten en zodoende een wit voetje te halen. Dit was een belangrijk onderdrukkingsmiddel van de Duitsers en waarom zou je als Nederlandse ambtenaar je zo je best hiervoor doen? De Duitsers zullen zich over deze vergevorderde vorm van hielenlikkerij verbaasd hebben. Met een ongekende accuratesse hebben de ambtenaren ‘zwarte ruiters’ aangebracht op de kaarten van Joden in de gemeentelijke basisadministraties. Het aantal ambtelijke weigeraars was op één hand te tellen.

Het lijkt erop dat dit karaktertrekje nog steeds met enige regelmaat de kop opsteekt. We willen de baas graag tutoyeren en onafhankelijk en tegen de heersende hiërarchie en autoriteit ingaan, maar als het eropaan komt willen wij de regels altijd iets strenger maken dan we (internationaal) hebben afgesproken. Deze karaktertrek zou eens onderzocht moeten worden.

Het tweede punt uit Zomergasten over de Holocaust dat ik wil adresseren is het volgende. Van der Laan stelt dat de beschuldiging van de ‘slappe Nederlanders’ slecht of niet onderbouwd is. Nou, dat is een gotspe! Hoeveel bewijs wilt u hebben, burgemeester? U – ik richt me maar direct tot u – kunt gewoon, wederom, Loe de Jong (of Presser, Herzberg of de duizend andere monografieën over de Jodenvervolging) erop naslaan en het staat er allemaal in, gedetailleerd tot in het onzinnige, onomstreden en wetenschappelijk verantwoord. Ook de rol van de overheid en het ambtelijke apparaat na de oorlog heeft hemeltergend kwetsend en discriminerend voor de Joden gewerkt. Ik ga het allemaal niet herhalen. De bewijslast dat u (als ‘oud-advocaat’) wenst is overweldigend en, nogmaals, onomstreden. ‘I rest my case, your honor.’ Het is niet te bevatten dat u deze kritiek uit! Wat kan daar achter zitten? Ik snap het niet. Het is geen ‘makkelijk verwijt’ zoals u stelt. Het is wel een ongemakkelijke werkelijkheid. Het lijkt erop dat u de geschiedschrijving wilt corrigeren. Dat kan niet, dat mag niet. Dat zou het morele kompas helemaal in de war sturen. Wat doet u nu? Mijn eerste reactie was dat dit ook een vorm van collaboratie is, maar dat gaat natuurlijk te ver. Dat is veel te emotioneel. Maar wat doet u dit zeggen?

U begon de uitzending met de uitspraak: ‘Ik ben geen politicus. Ik ben een burger die zich een tijdje afgeeft met bestuur en dat is politiek.’ Maar na de uitzending geloofde ik deze uitspraak niet meer. U bent een heel gewiekste politicus. De gewiekste politicus die ik ken. Wat is mijn theorie?

U heeft een groot deel van uw werkzame leven als ‘oud-advocaat’ de publieke zaak gediend. U bent bestuurder en heeft ‘het besturen’ nooit alleen kunnen doen. U hebt altijd gewerkt met ambtenaren die u waarschijnlijk overwegend loyaal gediend hebben. Zonder hen was u nooit geworden wat u nu bent: ‘een unieke en terecht heiligverklaarde bestuurder’. U bent een sympathieke man die het vervelend vindt dat de door u zo geliefde collega’s postuum (met de kennis van nu, zonder rekening te houden met de moeilijke en onduidelijke omstandigheden) en virulent door het slijk gehaald worden voor wat hun ambtelijke voorouders hebben misdaan. Immers, het was toen geen gemakkelijke tijd… U wilt uw collega tegemoet komen en een beetje helpen om al deze kritiek tegen te gaan of tot redelijke en behapbare proporties terug te dringen. Daarvoor kan de waarheid best een beetje opschuiven. U bent immers geen onverschillig mens. Ja, een ander antwoord kan ik niet verzinnen. Uit medemenselijkheid en collegialiteit wilt u nu ook een beetje solidair zijn met uw ambtenaren, terwijl deze ambtenaren (bijna zonder uitzondering) nooit solidair zijn geweest met onze kwetsbare Joodse minderheid.

Wat mij ronduit stoorde is uw gekoketteer met uw status als ‘oud-advocaat’. Dat moet u nooit meer doen. Advocaten reageren meestal verongelijkt op zaken. Voor hen is de wet vaak ‘leidend’, terwijl de wet ook maar een gemaakte afspraak is die niet rechtvaardig hoeft te zijn. Een wet kan daardoor ook ‘lijdend’ zijn. Een wet kan morgen aangepast worden waardoor er opeens een nieuwe werkelijkheid zou ontstaan? Nee dus. De discussie over het morele kompas ten aanzien van de Jodenvervolging hoort en mag derhalve geen juridische discussie te zijn. Het dient een moreel-ethische discussie te zijn waarbij j’accuse-achtige oordelen uitgesproken kunnen worden. Dit betekent m.i. dat u zich nooit meer zou moeten afficheren als ‘oud-advocaat’. U bent primair een gedreven politicus die kan en moet oordelen en zich moet uitspreken over maatschappelijk ethische kwesties. U dient verre verwijderd te blijven van de ambtelijk legalistische spruitjeslucht die het morele oordeel over de Jodenvervolging als decennialang achtervolgt.

Ik realiseer me dat mijn betoog emotioneel is en u bekritiseert, terwijl we ongetwijfeld aan dezelfde kant staan. Het zijn misschien accentverschillen, maar naar mijn mening wel met mogelijk grote gevolgen. Ik hoop niet dat u door mijn kritiek geschokt zult zijn. U heeft het nooit zo bedoeld of zo gezegd. Ik wil mijn opmerkingen ook direct relativeren met het roemen voor al hetgeen u heeft gedaan en nog zal doen voor de goede zaak van het levendig houden van de herinnering en les van de Holocaust. Met name ook uw bijdrage aan de totstandkoming van het Holocaust Namenmonument – het initiatief van het Nederlands Auschwitz Comité.

Alles overziend vind ik u, ook na de uitglijder in Zomergasten, nog steeds de beste burgemeester van Amsterdam die ik ken. Ik kom graag een keer een kopje thee drinken om een en ander nader toe te lichten. Ik zal dan enkele boeken over dit onderwerp voor u meenemen. Het ga u goed!

Gerton van Boom

Uitgever Verbum Holocaust Bibliotheek

5 augustus 2017

Van der Laan te positief over verzet tegen Jodenvervolging

In Zomergasten probeerde Eberhard van der Laan het beeld dat Nederland zich niet genoeg verzette recht te zetten. Daarin schoot hij door, vindt Evelien Gans.

Met gemengde gevoelens keek en luisterde ik zondag naar een indrukwekkende gast bij Zomergasten. Alle respect voor Eberhard van der Laan, als burgemeester en als mens en hoe hij omgaat met zijn ongeneeslijke ziekte. Alle respect ook voor zijn ouders, en al die andere Nederlanders, die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het verzet deelnamen, en onder meer Joden onderdak boden. Het moge duidelijk zijn dat het verzetsmilieu Van der Laan heeft getekend: persoonlijk, en politiek. Dat heeft geleid tot een grote betrokkenheid bij ‘de oorlog’ – en oorlog en onderdrukking in het algemeen – maar soms ook tot blikvernauwing. Over dat laatste gaat het mij nu.

De Jodenvervolging in Nederland is een uitgesproken pijnpunt voor Van der Laan. Dat bleek al eerder tijdens zijn toespraken op de Dam op 4 mei en bij Auschwitzherdenkingen. Terecht en begrijpelijk. Maar precies wat dit thema betreft, valt er wel wat af te dingen op zijn uitspraken tijdens Zomergasten, en op de filmfragmenten waarmee hij deze illustreerde. Van der Laan stelde dat Amsterdam in een spagaat verkeert: trots op de Februaristaking, schaamte over het relatief en absoluut gezien zeer hoge aantal gedeporteerde en vermoorde Joden. Als een van de belangrijkste – en in de geschiedschrijving algemeen aanvaarde – oorzaken noemt hij het ideologisch gemotiveerde, virulent antisemitische SS-regime in Nederland. Terwijl in België en Frankrijk Duitse militairen aan de macht waren. Er zijn inderdaad meer objectieve factoren: het moeilijk weg kunnen komen uit Nederland; de bevolkingsdichtheid, enzovoorts. Toch vormt dit soort verklaringen niet het hele antwoord.

In het fragment over de Februaristaking dat op Van der Laans verzoek werd vertoond, zegt de Joodse Dolf Aronson de staking weliswaar ‘geweldig’ te hebben gevonden, maar dat men niks gedaan had ‘na 1942 toen ze echt de mensen begonnen weg te halen. Niemand heeft wat gedaan. Integendeel, ze hebben meegeholpen’. In die zin vindt Aronson al die aandacht voor de staking maar ‘poeha’. Daar gaat Van der Laan niet op in – integendeel. Zijn eerder geuite nuancerende opmerking dat er helaas minder moedige Nederlanders zijn geweest dan wenselijk was, maar ook minder ‘slechte’ dan sommigen beweren, is juist. Maar ook erg generaliserend en in die zin onbevredigend. Hij legt, mijns inziens, disproportioneel veel nadruk op het verzet dat – ook dat is genoegzaam aangetoond – pas goed op gang kwam toen de Joden al grotendeels waren gedeporteerd. De meeste Nederlandse ambtenaren hadden op dat punt plichtsgetrouw hun werk gedaan.

Door het uiterst karikaturale fragment uit de film van Ate de Jong In de schaduw van de overwinning (1986) te laten zien – een echtpaar wil hun twee verdwenen fietsen inruilen voor informatie over de vindplaats van twee ondergedoken Joden – bagatelliseert Van der Laan in feite het zeer reële verschijnsel ‘verraad’. Van de 28.000 ondergedoken Joden is een derde ontdekt, verraden en alsnog gedeporteerd. Afgezien van het ‘speurwerk’ van NSB’ers, SS’ers en aanverwanten, waren er heel wat Nederlanders die, zonder dat er een fiets op het spel stond, Joden verraadden. Voor hen ging het om de 7,50 gulden ‘kopgeld’.

Tegenover verzet stond dus collaboratie en verraad. En er was wel degelijk onverschilligheid. Van der Laan zet zich af tegen het verwijt dat de meeste Nederlanders ‘slappelingen’ waren. Daarin heeft hij volstrekt gelijk. Maar hij slaat de plank mis wanneer hij in één adem betoogt dat ze „hartstikke anti-Duits” én „hartstikke” tegen de Jodenvervolging waren. Hij ondersteunt deze stelling met een filmfragment van een lezing door de historicus Bart van der Boom. Diens boek Wij wisten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust (2012) is controversieel, zowel inhoudelijk – hij reduceert bijvoorbeeld de Holocaust tot ‘directe moord na aankomst’ – als methodiek: zo neemt hij alles letterlijk wat in dagboeken staat, behalve als er ‘vernietiging’ van de Joden staat. Uit ‘hartstikke’ anti-Duits volgde bepaald niet automatisch ‘hartstikke’ anti-Jodenvervolging.

Het antisemitisme nam toe tijdens de bezetting, en lang niet alleen vanwege nazipropaganda. Het zou veel moeilijker blijken Joden dan niet-Joden aan een onderduikadres te helpen. En: natuurlijk wist bijna niemand van de gaskamers. Hoe kon dat, en hoe zou het te bevatten zijn geweest, al waren er geruchten? Maar de anti-Joodse maatregelen die eraan voorafgingen waren onheilspellend genoeg. Waarom zouden immers de ouders van Van der Laan Joden hebben laten onderduiken? Anders dan Van der Boom, die het begrip ‘verdringen’ verwerpt, heeft hij het wel degelijk, en met reden, over het fenomeen ‘wegduwen’. Nu doet hij – zoals velen – iets te veel aan wishful thinking. De meeste Nederlanders gingen ervan uit dat de Joden niet terug zouden komen. Er moest soms politie (en niet degenen die de Duitsers terzijde hadden gestaan) aan te pas komen om Joodse eigendommen bij zogenaamde ‘bewariërs’ terug te halen – in het bij Van der Laan, en ook bij mij, zo geliefde Amsterdam.

Evelien Gans is emeritus hoogleraar moderne Joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van donderdag 3 augustus 2017 op pagina 16-17.

Gepost op

Naked Among Wolves – 31 december 2016

Naked Among Wolves

31 december 2016

Dinsdag 20 december. Ik heb een afspraak met Rob Fransman voor onze jaarlijkse lunch. We zitten in restaurant Het Bosch aan het Jollenpad in Amsterdam-Zuid. We kijken uit over de Nieuwe Meer. Volgens de website wanen we ons aan het Como meer, maar dat valt tegen. Het is koud en mistig. Maar binnen genieten we van een heerlijke lunch.

Enkele jaren geleden heb ik een boek van Rob uitgegeven met columns over het Demjanjuk-proces. Sindsdien houden we contact, waarvoor, moet ik eerlijk zeggen, Rob meer loyaliteit aan de dag legt aan onze vriendschap dan ik. Maar goed, hij is met pensioen en ik ben nog druk.

We praten over de kinderen, zijn broer, zijn nieuwe Mercedes, en natuurlijk over de oorlog. Onlangs hebben we nog gemaild over de Berg-Stichting in Laren, waar Rob als kind na de oorlog lang gewoond heeft als wees en niet altijd naar genoegen. Hij praat over zijn broer die de oorlog in een kast heeft doorgebracht en altijd heeft gedaan alsof de oorlog niet bestond. Het fijne aan Rob is zijn humeur en zijn zelfspot. Als hij glunderend vertelt over zijn vele zakelijke mislukkingen in de mode, werkt dat heel aanstekelijk en drempelverlagend.

Ik heb hem aangeraden zijn memoires op papier te zetten. Dat heeft hij voor een deel al gedaan. Hij heeft op zijn website al verschillende artikelen staan. Ik heb hem aangeraden deze artikelen aan elkaar te schrijven zodat er een samenhangend verhaal ontstaat. Als hij door krijgt dat ik nog niet al zijn artikelen gelezen heb, is hij gemaakt boos met een glimlach. Rob is fijn gezelschap.

Als ik 130 euro afreken voor onze heerlijke lunch (slik!), stoot hij me nog even aan. Ik moet op Netflix kijken naar Naked Among Wolves. Een aanrader. Ik beloof het te doen. Op de parkeerplaats nemen we afscheid en rijdt hij nog steeds glunderend en blij weg in zijn nieuwe (tweedehands) Mercedes, dik in de zeventig. Een liefhebber van het leven.

De kerstvakantie lijkt daarvoor een goede gelegenheid. Op Tweede Kerstdag zetten we de film van Duitse makelij op.

‘In 1958 publiceerde de Oost-Duitse schrijver Bruno Apitz (1900-1979) een rauwe roman die zou uitgroeien tot de ultieme bestseller in de DDR. Naked Among Wolves is gebaseerd op persoonlijke herinneringen van de auteur zelf. De communist Apitz werd al in 1937 door de nazi’s naar concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd en zat daar gevangen tot de bevrijding in 1945. Net als de roman begint deze aangrijpende verfilming in maart 1945, als de Pool Zacharias Jankowski een driejarig Joods jongetje Buchenwald binnensmokkelt in een koffer. Jankowski hoopt zijn beschermeling verborgen te kunnen houden voor de SS. Dat lukt niet: al gauw wordt het kind ontdekt door Pippig, een politiek gevangene die in het kamp te werk is gesteld. Pippig heeft medelijden met het jongetje en besluit hem op zijn beurt te verstoppen. Pippigs leidinggevende André Höfel, tevens lid van het communistische verzet in Buchenwald, is echter doodsbang dat de SS ontdekt wat er gaande is. Hij bezweert Pippig dat het kind op de eerstvolgende trein naar het kamp Bergen-Belsen moet worden gezet. Maar Pippig is vastbesloten op het jongetje te passen en besluit hem bij zich te houden.’ Aldus de beschrijving op internet.

We kijken naar een remake van de Oost-Duitse film Nackt unter Wölfen uit 1963. Het boek is enkele jaren geleden door Uitgeverij Cossee in de Nederlandse vertaling uitgebracht. Het boek was in de DDR een daverend succes. Er zijn meer dan twee miljoen exemplaren van het boek verkocht in Oost-Duitsland. Logisch, communisten trotseren het fascisme. Dat heet de ‘politiek van herinnering’. Het nawoord van Susanne Hantke in het boek is uitermate boeiend. Het verhaal is op waarheid gebeurd; het Buchenwald-kind heeft echt bestaan. Later is Stefan Jerzy Zweig in Israël gevonden. Hij was te klein om zich veel te herinneren, maar het staat vast dat de moed van zijn vader hem door de oorlog heeft geleid. Het staat niet vast dat Bruno Apitz in Buchenwald in contact is geweest met Stefan Jerzy Zweig.

In het artikel van Susanne Hantke wordt zorgvuldig de ontstaan- en drukgeschiedenis van de roman Nackt unter Wölfen beschreven. Daaruit volgt dat de auteur de partijlijn moest volgen en zich verschillende vormen van censuur heeft moeten laten welgevallen. Dit is eigenlijk wel informatie die de kijker van de film moet weten. Het wordt daardoor ook duidelijk dat het meer een film is over het verzet tegen de nazi’s dan een film over de Holocaust. Het kind is wel Pools-Joods, maar het verhaal staat geheel in het teken van verzet en strijd tegen het fascisme.

Maar de vraag is nu. Is het een goede film? En welke criteria moeten we daarvoor aanleggen? Wanneer is een film over nazi’s en slachtoffers in een concentratiekamp geslaagd? Dat is een lastige vraag. Ik zou zeggen als het een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld geeft van het kampleven. Voor zover ik kan beoordelen is dat hier wel het geval, maar er moet een maar volgen, vrees ik. De belangrijkste (of populairste) kampfilms zijn films waar kinderen een prominente rol spelen. La vita è bella, Boy in the Striped Pyjamas en Son of Saul zijn veelbekeken en geroemde films waarin kinderen een rol spelen in het kampleven. Het lijkt alsof het harde en wrede leven in een concentratiekamp alleen niet meer genoeg is. We hebben daar nog aanvullend kinderen bij nodig om verder geschokt te raken, zo lijkt het. Anders kan ik het niet verklaren waarom al deze films (mede) om kinderen draaien. En daarmee laten de filmmakers het vermoeden op zich te streven naar (overbodig) effectbejag.

Naked Among Wolves is een harde film. Meerdere keren hebben we onze blik moeten afwenden. Ook Rob Fransman heeft de film in eerste instantie niet uit gekeken. Hij heeft later weer moed verzameld en de film afgekeken. ‘Zeldzaam echt naar mijn smaak. Zo moet het geweest zijn. De wreedheid… Enfin…,’ aldus Rob. Ja, misschien heeft hij daarin gelijk, maar voor mij mag iets meer aan de verbeelding worden overgelaten. Iets subtieler en verfijnder, graag. We hoeven misschien niet alles te zien. Niet zoveel bloedspatten tijdens de martelingen; meer uitleg waarom de nazi’s zo hardvochtig waren. De nazi’s waren niet alleen onmenselijk wreed omdat het criminelen en sadisten waren (dat waren velen ook), maar omdat het KZ-systeem dat vereiste. Als je de gevangen ontmenselijkt is het ook makkelijker ze te vermoorden. Dat was een bewust systeem waarop getraind werd. Dat was succesvol, hoe belachelijk dat ook klinkt. Dat is volgens mij ook de reden waarom er maar weinig nazi’s na de oorlog berouw hebben getoond. Men streed een gerechtvaardigde oorlog (ook tegen de Joden) Het gespuis moest als een vorm van lijfsbehoud en voor de toekomst van het land uit de weg geruimd worden, nadat de laatste energie middels arbeid uit de gevangenen was geperst. Als dit soort informatie op een informatief-didactische manier toegevoegd zou zijn, dan krijgt de film een meerwaarde ten opzichte van de huidige gruwelijke versie.

Ook moest ik denken aan de Delftse TU-student Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank. Hij was geen vechter en geen held, maar sprak zich wel uit tegen het ontslag van Joodse docenten en hoogleraren, waaronder de Joodse hoogleraar rechten Carel Josephus Jitta. Hij wilde volgens zijn geweten handelen. Na zijn toespraak werd spontaan besloten te staken. De Duitsers sloten de universiteit. In de zomer van 1941 wordt Frans van Hasselt opgepakt. Via het Oranjehotel werd hij overgebracht naar Buchenwald waar hij op 10 september 1942 overleed. Van Hasselt was een van de eersten die zijn stem liet horen. ‘Zijn morele moed kan inspiratie dienen in het huidige tijdsgewricht,’ aldus Onno Sinke in Cogiscope (december 2016).

In Buchenwald zaten veel meer politieke gevangenen met een dergelijke achtergrond. Als dit ook aandacht zou krijgen in de film, naast het expliciete geweld, dan zou dat een meerwaarde hebben opgeleverd.

Holocaust in het nieuws

Nieuwsbrief Kazerne Dossin, de Belgische tegenhanger van Kamp Westerbork, 20 december 2016. ‘De geschiedenis van morgen maken we vandaag. Hoe willen we herinnerd worden? Kazerne Dossin wenst u voor 2017 de moed om hiernaar te handelen.’

Camp Rivesaltes, G-geschiedenis, 21 december 2016. Een doorgangskamp in het zuiden van Frankrijk. Via Drancy werden de Joden naar Auschwitz gedeporteerd.

NOS Journaal, 23 december 2016. Voor de oorlog geëmigreerde Duitse Joden verhuizen in grote getalen van Groot-Brittannië naar Duitsland in verband met de Brexit. Voormalig Duitse Joden kunnen nationaliteit terugkrijgen en doen dit nu in toenemender mate. Door de Brexit verhuizen veel Joden van Londen naar Berlijn.

‘Woedend Israël bouwt door ondanks VN-resolutie’, de Volkskrant, 28 december 2016. VN-Veiligheidsraad neemt een resolutie aan waarin Israël gesommeerd wordt de bouw van nieuwe nederzetting onmiddellijk en volledig te staken. De resolutie wordt mogelijk gemaakt doordat de VS geen veto uitspreekt over de resolutie. ‘Minister van Defensie Avigdor Lieberman sprak op voorhand over een ‘anti-Israëltribunaal’. Hij maakte zelfs een vergelijking met de rechtszaak tegen de Joods-Franse officier Dreyfus, die rond 1900 ten onrechte werd veroordeeld wegens spionage.’ Commentaar: Het huidige beleid in Israël blijft wringen. Na de Holocaust is de vorming van de staat Israël door de Verenigde Naties mogelijk gemaakt. Nu eist Israël blijvende steun voor een politiek die breed wordt ontraden, namelijk het verder koloniseren van Palestijns grondgebied om straks bij een tweestatenoplossing, indien deze er komt, een stevige onderhandelingspositie te hebben. Je zou verwachten dat een land die zijn bestaansrecht geschonken heeft gekregen van de VN, zich iets gelegen laat liggen al de talloze VN-resoluties.

‘Morele moed. Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank’, Cogiscope, december 2016, door Onno Sinke.

Gerton van Boom

Gepost op

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog – 20 december 2016

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog

De geschiedschrijving van de Holocaust in Nederland begint, zo zou je kunnen zeggen, met de monografie van Abel J. Herzberg (Kroniek der Jodenvervolging). Later gevolgd door de studie van J. Presser (Ondergang) en Loe de Jong in verschillende delen van Het Koninkrijk. In vergelijking met het buitenland heeft de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging relatief snel plaatsgevonden. Daarna is het stil geworden ten aanzien van de geschiedschrijving van de Nederlandse Sjoa als totaalgeschiedenis. Natuurlijk zijn er veel memoires gepubliceerd, maar die worden in de geschiedschrijving soms argwanend bekeken. Na de hoge heren van de Holocaust (Herzberg, Presser en De Jong) was het de tijd voor verdieping en wetenschappelijk onderzoek. Er verschenen gedetailleerde studies naar het openbaar bestuur tijdens de bezetting (Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd), het functioneren van de politie (Guus Meershoek, Dienaren van het gezag en Geschiedenis van de Nederlandse politie en Frank van Riet, Handhaven onder de Nieuwe Orde: de politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog), de Nederlandse advocatuur (Joggli Meihuizen, Smalle marges. De Nederlandse advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog), de rechtspraak (Derk Venema, Rechters in oorlogstijd, Cojo Jansen m.m.v. Derk Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog en Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van de bezetting en wederopbouw), belastingen (Peter Essers, Belast verleden). Er verschenen ook belangrijke vergelijkende studies waarvan Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945 van Pim Griffioen en Ron Zeller de belangrijkste is. Gerard Aalders schreef een blijvend belangwekkend boek over de ontvreemding van Joods bezit (Roof) en Chris van Heijden heeft een imponerend proefschrift geschreven (Dat nooit meer) over de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog in ons nationaal bewustzijn en media. Deze werd op een gegeven moment gekaapt door de regelmatig terugkerende commotie en verontwaardiging over de Holocaust. Tot slot moet het geruchtmakende boek van Bart van der Boom genoemd worden: Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Voor het gemak vergeten we vele andere boeken die ook een bijdrage aan de historiografie van de Nederlandse Holocaust hebben geleverd zoals ‘Gif laten wij niet voortbestaan’ Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in Nederlandse gemeenten, 1940-1945 van Marnix Croes en Peter Tammes en Jodenjacht: de onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog van Ad van Liempt en Jan Kompagnie.

In de traditie van wetenschappelijk verantwoorde deelstudies past ook de nieuwe loot aan de stam: Kille mist van Raymund Schütz. Een kloeke dissertatie die er wezen mag. Maar het probleem van boeken als Kille mist is dat je van tevoren het resultaat al weet. Het is algemeen bekend, op basis van bovengenoemde studies, dat het Nederlandse bestuur al binnen veertien dagen na de capitulatie, dus eind mei 1940, overeenstemming had met de bezetter over een vergaande vorm van samenwerking. Bestuurlijke continuïteit heette het. Dus waarom zou dat voor het notariaat anders zijn? De ontrechting is in Nederland succesvol geweest en het Joods bezit is snel in andere handen over gegaan en daar heb je notarissen voor nodig, die overigens onderdeel uitmaakten van het openbaar bestuur. ‘Binnen de onzekere bestuurlijke context van mei 1940 was het enige wat de notaris kon doen: op zijn post blijven, het werk zo goed mogelijk blijven doen en hopen dat de functie van het notariaat zou blijven gehandhaafd. Met die houding volgde men de gedragslijn van alle andere functionarissen in het openbaar bestuur.’ Daarmee is de conclusie verteld. Dat wisten we al wel, maar nu ligt er een dikke pil op tafel waar niemand aan voorbij kan gaan. Het belang van het boek is dus het feit dat deze studie er nu is. Dat ook de notarissen zich schuldig hebben gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een gebrekkig ethisch normbesef, angstige, laffe, calculerende en bureaucratische spruitjesmentaliteit, ja, dat wisten we al. Het bewijs is onomstotelijk, voor wie het nog niet wist of nog niet wilde weten.

Is dit een diskwalificatie? Nee, geenszins. Integendeel zou ik willen zeggen. Een hoogtepunt in de historiografie van de Nederlandse Holocaust. Eens in de zoveel jaar verschijnt zo’n dissertatie en dat lezen we met belangstelling en plaatsen een dergelijk werk na gelezen te hebben netjes in de kast, naast de andere doorwrochte studies. Als ik dat zo schrijf, lijkt het toch dat ik een soort voorbehoud maakt, alsof er een ‘maar’ achteraan komt en dat is ook zo. Een maar die niets met het boek te maken heeft, maar met de geschiedschrijving. Boeken als Kille mist wekken in mij een verlangen op naar een goed leesbare synthese van de Nederlandse Jodenvervolging, waarin de studies van Presser en De Jong opnieuw beschreven worden met de kennis van nu. Daar zijn we hard aan toe. Maar wie durft deze handschoen op te pakken? Het is veiliger om jarenlang de diepte in te duiken, dan het werk van de grote meesters opnieuw te doen. De Nederlandse wetenschappelijke afrekencultuur zal daar misschien debet aan zijn, maar heel jammer is dat wel.

Terug naar de notarissen. De onderzoeker Raymund Schütz kan natuurlijk niet verweten worden dat hij voor dit specifieke onderwerp gekozen heeft en niet getracht heeft een plekje te bevechten naast de grote drie.

Kille mist is de publieksuitgave van een dissertatie. Zeshonderd pagina’s, een grote bladspiegel en methodologisch verantwoord. En hoewel de auteur geen groot literator is, leest het boek goed en redelijk makkelijk, zeker als je het onderwerp in aanmerking neemt.

Enkele citaten:

‘Volgens Zygmunt Bauman is de Sjoa niet een toevallig incident, maar komt deze voort uit de organisatiestructuur van modern bestuur. De rationalisering heeft geleid tot een extreme arbeidsverdeling, degenen die het beleid uitvoeren zijn voor een klein deel verantwoordelijk. Het resultaat onttrekt zich aan hun perceptie. De beroepsethiek van beambten wordt bepaald door normen van efficiëntie en de continuïteit van het proces. Een moderne bureaucratie kan met beperkte maatregelen worden getransformeerd in een systeem dat classificeert, selecteert en mensen uitsluit van het recht. Iedere bij het proces betrokken beambte kan zijn eigen aansprakelijkheid ontkennen en functioneren als een bureaucratische robot. De notariële variant van die ontkenning is gebaseerd op de lijdelijkheid en de ministerieplicht.’ p. 73.

‘…, want het Dagelijks Bestuur riep de notarissen in feite op hun persoonlijke geweten bij de ambtsuitoefening niet mee te laten wegen. De overheidsdienaar moest de maatregelen trouw uitvoeren. Indien daarvan werd afgeweken, zou er bij de bezetter twijfel ontstaan over de betrouwbaarheid van de beroepsgroep en dan kwam de bestuurlijke positie van het notariaat in gevaar.’ p. 156

‘De loyaliteit aan de bezetter was een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van de beroepsgroep.’ … ‘Men hoopte op meer werk voor de notaris en dus meer inkomsten, maar de vraag was of die loyale houding inderdaad extra inkomsten opleverden.’ p. 157

‘De kanteling van de afwachtende houding naar een proactieve, faciliterende opstelling vond plaats in februari 1941. De belangrijkste drijfveer voor het Hoofdbestuur was toen de versterking van de bestuurlijke en financiële positie van de beroepsgroep.’ p. 158

‘De Hoge Raad wijdde twee vergaderingen aan deze zeer ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hoogste rechtscollege ging na stemming akkoord met de maatregel [ariërverklaring], omdat men zich kon indenken dat de bezetter de Joodse ambtenaren wantrouwde en hen als tegenstander beschouwde. De nazi’s hadden de Joden immers zo slecht behandeld, dat er geen basis kon zijn voor samenwerking. Corjo Jansen, de geschiedschrijver van de Hoge Raad in de bezettingstijd, concludeert dat het rechtscollege zelden een cynischer redengeving heeft opgesteld dan in deze kwestie.’ p. 161

Het notariaat liep moeiteloos mee ‘in de bredere bestuurlijke context, want de Nederlandse overheid richtte zich tijdens de bezetting op de handhaving van de continuïteit van het openbare leven’. De onafhankelijke positie van het notariaat werd verlaten door de slaafse opvolging van de verordeningen van de Duitse bezette. In coöperatieve opstelling was ook ingegeven door de hoop op meer inkomsten voor de notarissen, hetgeen niet is gelukt. ‘Toen het notariaat werd geconfronteerd met de arisering van het Joodse vermogen, eigendommen en onroerend goed heeft het Hoofdbestuur niet beseft dat medewerking aan dergelijke maatregelen een ethisch dilemma vormde.’ p. 187

Alle notariële kerncompetenties, zoals het bewaken van de rechtszekerheid, de rechtsongelijkheid, de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en geheimhoudingsplicht werden moeiteloos geschonden.

‘De pragmatische houding ten aanzien van de Duitse ariseringsmaatregelen van de Broederschap staat in schril contrast met de opstelling van de Belgische notarissen. Zij kozen, binnen de weerbare Belgische bestuurlijke context, eerst voor de vertragingstactiek en uiteindelijke voor weigering van medewerking aan de Duitse ariseringsmaatregelen. Maar in de Nederlandse bestuurlijke en juridische context was geen plaats voor ethische argumenten en evenmin voor toetsing aan de grondwet of aan het volkerenrecht. Het Hoofdbestuur riep de notarissen op om hun geweten uit te schakelen en om de verordeningen naar de letter en de geest van de wet uit te voeren. Morele overwegingen mochten volgens het Hoofdbestuur daarbij geen rol spelen, maar ondanks dat namen sommige individuele notarissen wel degelijk een ethisch standpunt in.’ p. 188

Een voorbeeld daarvan is notaris Kruisinga uit Vriezenveen.

Na de oorlog rest de zuivering van de beroepsgroep en het rechtsherstel. En u voelt het al aankomen. Op last van de regering in ballingschap moest het openbaar bestuur op zijn plaats blijven en bestuurlijke chaos en erger voorkomen. De notarissen hebben zich hieraan (vrijwillig en met hart voor de zaak) gecommitteerd. De verordeningen van de bezetter moesten nauwgezet gevolgd worden. En nu bij de noodzakelijke zuivering was samenwerking eerder een vorm van collaboratie! Daarnaast hadden de notarissen geld verdiend aan onder andere de gedwongen overdracht van Joods onroerend goed. De notaris was lijdelijk en conformeerde zich aan het accomoderende beleid van het openbaar bestuur en wordt nu door de minister van Justitie aangesproken op haar ‘foute’ rol en houding tijdens de oorlog. Deze schoen wringt natuurlijk. Veel notarissen, in ieder geval aanvankelijk de Broederschap, keerden zich tegen het gedwongen terugbetalen van vergoedingen die tijdens de oorlog aan Joods vastgoed zijn verdiend. Het terugbetalen betekende immers een schuldbekentenis en de ontrechting was niet de schuld van de notarissen maar van de Duitse verordeningen en het honorarium van de notaris was betaald door de koper, niet door de onteigende Joden. De ring Amsterdam keerde zich fel tegen het Hoofdbestuur. Veel andere notarissen waren ook van mening dat het passeren van deze akten principieel onjuist was geweest. En ook hier wringt weer de schoen. Want waarom hebben deze notarissen hun stem en protest niet eerder laten horen? Was men niet een beetje laf of schijnheilig? Uiteindelijk moest de Broederschap bakzeil halen. In ruil voor het restitutiebesluit kregen de notarissen immuniteit voor verdere rechtsvervolging. Hiermee heeft de minister van Justitie persoonlijk rechtstreeks ingegrepen in de rechtsgang en de vervolging van notarissen gestopt dan wel voorkomen.

‘In 1947 verzuchtte de Amsterdamse Ring van Notarissen in het jaarverslag: ‘Als een kille mist hangt in en over de kantoren klamme rechtsonzekerheid. Welke notaris vermag van na 1942 overgedragen onroerende goederen een rechtsgeldige titel te garanderen?’ p. 316

Dit betekent dat de titel van het proefschrift gaat over de rechtsonzekerheid en is dus niet zozeer een directe kwalificatie van de rol die notarissen hebben gespeeld. Dat maakt de titel enigszins onbruikbaar. Lafhartigheid en gebrek aan ethisch besef, was een betere titel geweest, maar deze titel houdt meer een moreel oordeel in.

Na de zuivering en rechtsherstel was het tijd de ethische principes van het ambt van notaris te herijken. De Eindhovense notaris mr. L.J.M. Claessens schreef hierover dat de formalisering van onrecht het grootste notariële vergrijp is, omdat de notaris de sociale plicht heeft de rechtszekerheid te bewaken. ‘Nadat Cleassens de lijdelijkheid een fabel noemde, konden notarissen zich in ethisch en juridisch opzicht niet langer daarachter verschuilen.’ De lijdelijkheid was een versteend dogma en in strijd met het moderne notarisambt. p. 431

Wat moeten we nu met de uitkomsten van de studie van Raymund Schütz? Het doel van het onderzoek was hoe het gedrag van de notarissen tijdens de bezetting zich verhield tot de eigen beroepsopvatting en het eigen ethische kader. Hierboven zijn de conclusies al genoemd: spilfunctie bij Jodentransporten, pragmatische houding, bestuurlijke continuïteit, bredere bestuurlijke context, accommodatie, lijdelijkheid, facilitering, conformisme, onmisbaarheid van het notariaat, slaafse acceptatie van arisering van de beroepsgroep, formaliseren van onrecht, meegaande houding, ontbreken van een erecode, gebrekkige beroepsethiek, opportunisme, gebrek aan empathie met Joden, grootschalige medewerking aan de ontrechting van de Joden, kille en technocratische houding, gesneuveld gelijkheidsbeginsel, robotisme, ontbreken maatschappelijk fatsoen, gebrek aan reflectie op rechtsbeginselen en beroepsethiek, kostenefficiëntie. Het staat er allemaal, en ja het is terecht, beslissingen moesten genomen worden in een repressieve omgeving. Maar welke conclusie wordt hieraan verbonden? Schütz sluit af: ‘Als de rechtstaat geweld wordt aangedaan, terwijl iedereen wegkijkt, blijft er achter de kille mist van het geformaliseerde onrecht alleen nog maar chaos over.’ Een terechte conclusie op basis van het onderzoek. Maar een gemiste kans voor open doel. Als je onderzoek doet waarbij ethisch normbesef onderwerp van het onderzoek is, mag je wat mij betreft ook een morele conclusie vellen en een aanbeveling doen voor de toekomst. Het beleid van de notarissen (en de overheid in zijn algemeen en het bedrijfsleven in het bijzonder) is mogelijk gemaakt door een principieel verkeerde beslissing en inschatting van de Nederlandse overheid. Door mee te werken met de vijand (om erger te voorkomen) is het allemaal veel erger geworden, is er meer onrecht gedaan en zitten we opgescheept met een situatie dat we momenteel al meer dan zeventig jaar met enige felheid discussiëren over de Duitse bezetting en Jodenmoord, terwijl dit anders was geweest als iedereen samenwerking met de vijand om principiële redenen zou hebben afgewezen. Een categorisch en principieel nee tegen een bezetter en onrecht zou de leidraad moeten zijn voor alle overheidsdienaren en het bedrijfsleven. Dit moet in een wet vastgelegd worden en van de daken worden geschreeuwd. Is dit een oordeel of conclusie die een historicus mag formuleren? Van mij wel. Ja, laten we het maar ronduit zeggen: door lafheid is veel ellende ontstaan. We hadden onszelf moeten dwingen dapper te zijn. Dat had de slotconclusie van het boek moeten zijn. En daarmee zijn we weer bij Loe de Jong.

Raymund Schütz doet dus bijna alles goed, maar kopt de bal krachteloos net naast het doel.

Holocaust in het nieuws

Het is merkbaar dat Holocaust Memorial Day eraan komt (27 januari). De belangstelling voor de Sjoa leeft hierdoor op. We doen een willekeurige greep uit de media.

Poort van Dachau is teruggevonden, de Volkskrant, 3 december 2016. ‘De gestolen deur van voormalig concentratiekamp Dachau is teruggevonden in Noorwegen. De politie van Bergen trof na een anonieme tip de 100 kilo zware ijzeren hekpoort aan met de beruchte tekst ‘Arbeit Macht Frei’. De deur werd in de nacht van 2 november 2014 bij de ingang van het herdenkingscentrum Dachau uit de hengsels gelicht.’

De kanarie in de kolenmijn, NPO2, Eerste aflevering zondag 4 december 2016. Hanneke Groenteman gaat op zoek naar het antisemitisme in Nederland en komt tot een schokkende conclusie. De kolenmijn is allang vergiftigd.

De claim, NPO1, maandag 5 december 2016. Een documentaire over de Restitutiecommissie die moet oordelen over de eigendomsvraag van geroofde kunst van met name Joden uit de Tweede Wereldoorlog. Een aanvrager moet aannemelijk maken dat de kunst toebehoorde aan zijn familie. Lion Tokkie slaagt daar niet in omdat hij zich als kind niet alle details met zekerheid kan herinneren en er 62 schilderijen van Isaac Israël zijn met ezeltjes. Mevrouw Hamburger uit Zwitserland was succesvoller met het terughalen van twee schilderijen van Ferdinand Bol uit het gemeentemuseum uit Roosendaal.

In de ban van sport, RTL7, maandag 5 december 2016, ex-Feyenoorder Jan Boskamp is bezeten van de Tweede Wereldoorlog. In deze reportage brengt hij onder andere een bezoek aan Yad Vashem, het graf van Oskar Schindler in Jeruzalem, het Joods Museum en het Holocaustmonument in Berlijn.

We moeten het echt over de Holodomor hebben, NRC Handelsblad, woensdag 7 december 2016. Een artikel van slavist Tobias Wals over het uitroeien door verhongering van de bevolking van Oekraïne door de Sovjet-Unie tijdens het Interbellum, een vorm van genocide waar de Amerikaanse historicus Timothy Snyder een belangwekkend boek over heeft geschreven.

Nieuwsbrief Verzetsmuseum, donderdag 8 december 2016, activiteiten in de kerstvakantie en aankondiging vijfdelige lezingenserie ‘Helden en schurken 2017’ in samenwerking met het Historisch Nieuwsblad, NTR/VPRO/NPO Geschiedenis en NIOD.

Nieuwsbrief Herinneringscentrum Kamp Westerbork, donderdag 8 december 2016. ‘Op zondag 18 december aanstaande vertelt Bertien Minco, directeur van het Jeugdcultuurfonds, over haar autobiografische boek Liever niet op reis in het museum van Kamp Westerbork. Minco’s grootmoeder Bertha Henriette Denneboom overleefde als enige van haar Joodse gezin de oorlog, maar sprak daar nooit over. Sinds een aantal jaren doet Minco onderzoek naar haar familiegeschiedenis. Liever niet op reis is haar debuutroman.’

Den Haag wil foute behandeling Joden na WOII rechtzetten, Den Haag Centraal, donderdag 8 december 2016. ‘De weinige Haagse Joden die de kampen overleefden vonden bij terugkeer gemeentelijke aanslagen voor erfpacht en straatbelasting op hun deurmat. Uiteindelijk is er mogelijk zo’n 100.000 gulden geïnd. De stad zal dat geld,  omgerekend naar de huidige waarde zo’n één miljoen euro, waarschijnlijk aan Joodse doelen schenken.’

Aangiften roofkunst online, de Volkskrant, 8 december 2016 van Michiel Kruijt. ‘Veertienduizend formulieren waarin Joodse Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog aangifte hebben gedaan van roof van goederen door de Duitse bezetter, zijn vanaf vrijdag te raadplegen op internet. Op de website herkomstgezocht.nl kunnen erfgenamen nagaan of hun voorouders kunst en cultuurgoederen als vermist hebben opgegeven.’

Auschwitz Bulletin, december 2016, kwartaalblad van het Nederlands Auschwitz Comité met onder andere een interview met professor Timothy Snyder die de ‘Nooit Meer Auschwitz Lezing 2017’ zal houden (‘De Holocaust is levende geschiedenis’), Zoni Weisz: ‘Met kleindochter naar Auschwitz’ en het eerste deel van een drieluik over Juda en Hansje Swaab.

Laren richt een monument op voor de 46 vermoorde Joodse kinderen van de Berg-Stichting, Larense zaken, december 2016. In dit artikel van burgemeester Elbert Roest wordt de oprichting van het monument aangekondigd en tevens wordt een oproep gedaan aan voormalige bewoners van de Berg-Stichting zich te melden zodat zij geïnterviewd kunnen worden voor het boek De slag om de Berg-Stichting.

Life writing, Fictie/non-fictie: een kritiek, de Nederlandse Boekengids, jaargang 1, nummer 6. Een artikel van Maarten Asscher. ‘Hoewel het begrip life writing een zeker nut heeft, verhult het als we niet uitkijken meer dan het verheldert. Over het contract met de lezer en over moraal op de dunne lijn tussen fictie en non-fictie, aan de hand van Anne Frank en Christophe Boltanski’ (De schuilplaats).

Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset, documentaire EO op NPO2, 14 december 2016 van regisseur In-Soo Radstake. Een dag later wordt deze documentaire besproken in NRC Handelsblad door Hans Beerekamp (‘Bittere familiestrijd tweede generatie’). ‘ Kinderen van oorlogsslachtoffers, de zogeheten ‘tweede generatie’, hebben vaak te maken met rivaliteit in verdriet. Hun eigen problemen kunnen nooit opwegen tegen wat hun ouders hebben meegemaakt, in Auschwitz, het Jappenkamp of een onderduikadres. Als ze pech hebben krijgen de affectief verwaarloosde broertjes en zusjes ook nog eens onderling heibel, voor zover ze al niet tegen elkaar worden opgezet. Het is een bekend gegeven, maar zelden werd het zo pijnlijk geïllustreerd als in de documentaire Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset (2DOC/EO) van regisseur In-Soo Radstake. De film is het antwoord op – en bijna een wraakoefening wegens de eerdere documentaire Verlies Niet de Moed (2DOC/VPRO) uit 2014. Daarin voerde kunstenares Hella de Jonge-Asser moeilijke gesprekken met haar vader, tekstschrijver en journalist Eli Asser, over diens zwijgen na de oorlog. Hella’s oudere zus en broer werden in die film niet of nauwelijks genoemd. Choreograaf Joosje en advocaat David Asser vertellen in de nieuwe film interviewer Frénk van der Linden hun visie, hoe hun zus alle aandacht naar zich toe heeft getrokken en zonder hun toestemming het hele familiearchief tentoonstelde in herinneringscentrum.’

Nieuwsbrief Nederlands Auschwitz Comité, 16 december 2016. ‘Het Nederlands Auschwitz Comité presenteert het nieuwe ontwerp van het Holocaust Namenmonument Nederland. Ontworpen door de wereldberoemde architect Daniel Libeskind. Het Nederlandse Auschwitz Comité heeft samen met de Pools-Joodse architect Daniel Libeskind op 16 december 2016 het nieuwe ontwerp voor het Holocaust Namenmonument Nederland gepresenteerd. Dit nationale monument komt – meer dan 70 jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog! – in het hart van het Joods Kwartier in Amsterdam, daar waar het zich heeft afgespeeld.’

Nieuwsbrief Anne Frank Stichting, 16 december 2016. ‘Onderzoek Anne Frank Stichting geeft ander perspectief. Nieuwe invalshoek arrestatie Anne Frank. Niet de bekende vraag ‘Wie heeft Anne Frank verraden?’ stond in het onderzoek centraal, maar de vragen ‘Waarom vond de inval in het Achterhuis plaats, en op grond van welke informatie?’. Het onderzoek biedt nieuwe inzichten: mogelijk heeft illegale arbeid en bonnenfraude een rol gespeeld bij de inval in het pand aan de Prinsengracht 263 en geleid tot de ontdekking en arrestatie van Anne Frank.’ Een dag later bericht de Volkskrant erover met een voorpublicatie van het bericht (‘Werd Anne wel verraden?’).

‘Identiek aan zijn regime.’ Recensie in de Volkskrant, 17 december 2016, over de nieuw vertaalde biografie van Hitler door Peter Longerich. ‘In zijn nieuwe biografie van Adolf Hitler buigt Peter Longerich zich over de vraag in hoeverre de nazileider verantwoordelijk was voor de uitvoering van zijn beleid.’

Onderzoek uitgelicht. Over herdenken, vieren en herinneren, uitgave van Nationaal Comité 4 en 5 mei. Jaargang 5, nr. 2. Themanummer Indonesië.

Getekend nieuws, uitgave van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 25e jaargang (2016), nummer 2. Onderwerpen: Herinneringscentrum breidt uit, Kinderen met een ster (tentoonstelling en boek van Martine Letterie), bespreking boek De bewakers van Westerbork, Potocari Memorial Centre.

Gerton van Boom

Gepost op

Joden op drift – 27 november 2016

Joden op drift

Afgelopen weken was er weer veel aandacht voor de Holocaust. Op 23 november 2016 werd de eerste aflevering vertoond van de miniserie De Zaak Menten naar het onderzoek en boek van Hans Knoop. Ook werd op deze dag een poëziealbum-gedicht van Anne Frank uit 1943 geveild voor € 140.000. Eerder besteedde De Volkskrant aandacht aan de nieuwe geannoteerde versie van Mein Kampf van Adolf Hitler (‘Van Mein Kampf kun je leren wat de kracht van onzin is’). Een belangrijk werk, want zonder Hitler geen Holocaust.

We werden opgeschrikt door het smakeloze bericht van Holocaust on Ice. IceAge, een programma dat te vergelijken is met Sterren dansen op het ijs. Gekleed in een streepjeskostuum met gele davidster voerden olympisch kunstschaatskampioen Tatiana Navka en acteur Andrei Burkovsky een routine uit waarin zij gevangenen uit een concentratiekamp voorstellen. In het begin van de kuur kijkt het paar elkaar serieus aan, maar al snel breekt een lach door en worden de kenmerkende draaien en sprongen uitgevoerd. Ook zien we hoe Navka en Burkovsky elkaar zogenaamd neerschieten met een geweer. De kuur was gebaseerd op de film La Vita e Belle. Verontwaardiging alom, maar het is toch intrigerend wat de makers in gedachte hadden toen ze dit ballet bedachten? Nu is het wel bekend dat de Holocaust niet heel veel aandacht heeft gekregen in de Sovjet-Unie, maar iedereen kan aanvoelen dat er een dergelijke vermaak zich moeilijk laat combineren met een tafereel uit het concentratiekamp.

Daarnaast verschenen er vier nieuwe boeken die vermeldenswaard zijn: The Holocaust, Israel and ‘the Jew’. Histories in Postwar Dutch Society, een uitgave van het NIOD (Remco Ensel en Evelien Gans red.), Lenteloos voorjaar. Oorlogsdagboek 1940-1941 van Hanny Michaelis, De bewakers van Westerbork van Frank van Riet en Joden op drift van Joseph Roth. En dat laatste boek zullen we hier bespreken.

Jospeph Roth is een belangwekkend Joods-Oostenrijks auteur van boeken als Radetzkymars en Job. Zijn essaybundel Juden auf Wunderschaft uit 1927 werd in 1937 aangevuld met een tweede aanvulling. Het boek is nu voor het eerst vertaald in het Nederlands voorzien van een voorwoord van Geert Mak, tekeningen van Paul van der Steen en een nawoord van vertaalster Els Snick. Als een boek van een dergelijk bekend auteur nooit eerder uitgegeven kan dat twee dingen betekenen: het is een verloren pareltje of het was niet de moeite waard. We gaan op onderzoek uit…

Geert Mak opent zijn inleiding met: ‘Joden op drift is een zeldzaam juweel uit een verloren tijd.’ Ja, dat zet de toon natuurlijk. Volgens mij is Geert Mak wel een verdienstelijk auteur van geschiedkundige werken, maar geen erkend deskundige op het gebied van de geschiedenis van het Joodse volk, de Jodenvervolging en wat daarmee samenhangt. De inleiding ademt daardoor de sfeer van een vriendendienst uit. Aan het einde van zijn inleiding schrijft Mak: ‘In de kern is dit kleine juweel een liefdesverklaring aan het “armenhuis” waaruit Roth zelf voortkwam, aan die schimmige Oost-Europese joden die we enkel nog kennen als een handvol foto’s, als een enkel beeld op een vergeten film.’ In vijf opstellen wil Roth de niet-joden en de joden uit West-Europa begrip bijbrengen voor het ellendige bestaan van de Oost-Europese joden. Hij doet dat op een animerende maar generaliserende manier. Dat maakt het wel tot vermoeiende lectuur op een gegeven moment. De jood bestaat natuurlijk niet.

In 1937 schrijft Roth het tweede voorwoord bij zijn boek en dit epistel is het meest boeiende van de bundel geworden. Hij is erg duidelijk, als je in 1937 het gevaar nog niet ziet… Hij windt zich op over de Duitse joden het trekken verleerd zijn. Ze voelen zich in de eerste plaats Duits. Het ware joodse karakter hebben ze afgelegd. ‘Het zijn als slakken met twee huizen op hun rug.’ … ‘Hij trekt – of nee, hij wankelt eerder, in de ijdele hoop dat het allemaal zo erg niet zal worden – een hoop die niets anders is dan moreel verderf. Hij beschuldigt de Duitse joden ervan dat ze bereid zijn tot een compromis waarbij ze als minderwaardig worden behandeld. Hij is bozen op ze omdat ze zwijgen over alle vernederingen die ze moeten ondergaan. ‘Hun vermogen die vernedering te verdragen is hun grootste geluk.’

‘Miljoenen proleten hebben dringend een paar honderdduizend  joodse stakkers nodig om – zwart-op-wit – hun superioriteit te bewijzen.’ De tirade gaat door en is terecht. Maar wat is de oplossing? Joseph Roth geeft eerlijk toe dat hij geen toverstokje heeft. ‘Tot volledige gelijkberechtiging en waardigheid die nodig is om vrij te leven, kunnen joden pas komen als hun ‘gastheervolkeren’ zelf vrije mensen zijn geworden met een waardigheid die hun toestaat begrip te hebben voor menselijk leed. Het is nauwelijks aan te nemen dat de ‘gastheervolkeren’ de weg naar deze vrijheid en deze waardigheid zullen inslaan. Gelovige joden blijft de hemelse troost. De anderen het ‘vae victis’. We schrijven 1937.

Een juweel is Joden op drift niet. Wel is het een eerlijk en onbarmhartig boek van iemand die zijn broeders niet de hand boven hun hoofd hield. Een keiharde spiegel en een les voor de toekomst.

Gepost op

Austerlitz – 18 november 2016

Austerlitz

Op IDFA 2016 worden ongeveer 300 documentaires getoond. Vier ervan hebben betrekking op de Holocaust. We hebben gekozen voor de film die de meeste aandacht kreeg: Austerlitz van de Oekraïense cineast Sergei Loznitsa. Na afloop was er ook een extended Q&A met moderator Max van Weezel en Joël J. Cahen, directeur van het Nationaal Holocaust Museum.

En ja, laat ik maar met de deur in huis vallen: dat viel allemaal niet mee!

Een zwart-wit documentaire van negentig minuten waarin niet gesproken wordt. De camera werd geplaatst in (hoofdzakelijk) Sachsenhausen en Dachau en de bezoekers werden vanuit verschillende posities commentaarloos geobserveerd. De Volkskrant noemde het in een artikel van 11 november 2016 crowdfilming. Op zomerse dagen is gefilmd. De bezoekers komen in T-shirt en korte broek naar de kampen.

Je verwacht een film waarin bezoekers van een concentratiekamp zich niet weten te gedragen en dat we daarover verbolgen kunnen zijn. Vooraf moest ik denken aan een bezoek aan Birkenau. Een VMBO-klas rende door Birkenau alsof het een speeltuin was. Ik was er samen met Rob Cohen, kampoverlevende en auteur van zijn autobiografie Niet klein gekregen. We wilden de SS-uitkijkpost boven de ingang van het kamp bezoeken. Maar daarvoor moesten kaartjes gekocht worden die uitverkocht waren. Rob werd boos en liet met veel gebaar zijn kampnummer zien. De vrouw achter het loket schrok zich rot en liet ons spoorslags en beschaamd door. Ik was ook een beetje ontdaan door het ongegeneerde gebruik van zijn tatoeage. In ieder geval werkte het wel. Rob: ‘Auschwitz is van ons, niet van hen.’

We konden doorlopen. En boven in de toren kwamen we een klas tegen. Schelden, tieren en ontevreden schreeuwden de leerlingen door het gebouw: ‘Wat een kutzooi, hier!’ Ik schaamde me diep om Nederlander te zijn. Wat een ongepast gedrag van deze blanke, ‘welopgevoede’ pubers. Ik vroeg aan een docent, die er schaapachtig bij stond en niet ingreep, waar ze vandaan kwamen. Uit Den Haag zei hij verontschuldigend, terwijl hij zich niet moest verontschuldigen dat ze uit Den Haag kwamen maar voor het gedrag van zijn leerlingen. Rob keek er niet van op. Hij gaf veel gastlessen op vooral multiculturele ROC’s. Op deze scholen waren de kinderen respectvoller dan de ontevreden blanke Hageneesjes.

Ik dacht dat Austerlitz het ongepaste en ongemakkelijke gedrag van de bezoekers zou vastleggen. Maar dat viel reuze mee. De meeste mensen gedroegen zich serieus en respectvol. En ja, velen maakten selfies bij het Arbeit Macht Frei-hek. Is dat verwerpelijk? Is dat een onethische vorm van herdenken? Sensatiebelust? Nee, dat valt reuze mee. Mensen willen thuis laten zien waar ze geweest zijn. Daar is niet zoveel op tegen. Kortom, er was dus helemaal niets boeiends te zien. Negentig minuten lang hebben we gekeken naar mensen die op een normale manier een concentratiekamp bezoeken. En hoe doe je dat op een normale manier? Geïnteresseerd, rustig en met respect. Dat was dus precies wat er grosso modo te zien is.

Het concept van de film was (te) eenvoudig. Op een vaste plek werd de camera geplaatst en draaide ongeveer tien minuten. Na tien minuten een andere locatie. Een kind kon de was doen. Je zou verwachten dat een dergelijk simpel concept op een gegeven moment de kijker dwingt tot bepaalde overpeinzingen en gewaarwordingen. Dat klopt! Als eerste kwam bij mij de vraag boven: Waar zitten we naar te kijken? Als de filmer hetzelfde concept zou hebben gehanteerd op een andere plaats, zou dat ongeveer hetzelfde resultaat opleveren, maar iedereen zou de documentaire afdoen als oninteressant. Nu het over bezoekers van een concentratiekamp gaat, moet er haast wel een intellectuelere laag in zitten. Maar deze laag weigert boven te komen drijven. Is er misschien niet. Een manier om een culturele subsidie los te krijgen? Hiermee exploiteert de filmmaker de Holocaust eigenlijk voor zijn intellectueel nietszeggende experiment. Een niet geslaagd en te pretentieus project dus.

De tweede gedachte die bij mij boven kwam was dat alle bezoekers blank zijn. Geen moslim gezien. Dit betekent dat de kampen alleen bezocht worden de nazaten van de overlevenden van de Tweede Wereldoorlog. Dat is goed, maar waarschijnlijk zijn deze bezoekers al overtuigd van het feit dat de Endlösung zich niet mag herhalen. De multiculturele medemens lijkt niet geïnteresseerd en misschien is dat juist de doelgroep die deze musea (of zijn het herdenkingsoorden?) moet bezichtigen. Waar is de moslim in de herinneringscentra? Waarom komt de gekleurde medemens niet een kijkje nemen in het crematorium? Waarom blijven de Aziaten massaal weg, terwijl ze elders als zwermen de toeristische bezienswaardigheden overlopen? Ja, het zijn vragen die niet beantwoord worden. Je kan zeggen dat dit de kwaliteit is van Austerlitz. Omdat je je verveelt en wanhopig zoekt naar de dieperliggende intellectuele laag onder de film die er niet is en je zelf dus een laag verzint…

Even over de titel. Austerlitz verwijst, volgens de documentarist, naar een roman van W.G. Sebald. Jacques Austerlitz is een jonge Joodse vluchteling die in 1939 Engeland bereikt met een kindertransport. Op latere leeftijd gaat hij op zoek naar zijn wortels. Zijn ouders hebben de oorlog niet overleefd maar echte sporen weet Austerlitz niet te vinden.

Het blijft onduidelijk wat de link is tussen de documentaire en de roman van Sebald. In het artikel in De Volkskrant wordt het uitgelegd. Loznitsa zou geïnteresseerd zijn in het systeem achter de nazi-gruweldaden. In het boek van Sebald schenkt de auteur veel aandacht aan de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. Nu wil ik veel geloven maar de film ging niet over de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. De film gaat over mensen die zo’n oord bezoeken.

In de Q&A vermeldt de filmmaker ook nog even dat Austerlitz ook een (thans Tsjechisch) plaatsje is waar in december 1805 de Driekeizerslag heeft plaatsgevonden, die door de Franse keizer Napoleon op miraculeuze wijze gewonnen werd terwijl de tegenstanders in overtal waren. Het zou in Tolstojs Oorlog en Vrede genoemd worden. Ook deze verwijzing blijft in nevelen gehuld.

Nu zijn we inmiddels bij de extended Q&A aangekomen. De samenvatting van dit onderdeel is heel eenvoudig: pijnlijk op alle fronten. De deelnemers moesten allemaal Engels spreken en dat ging ze zichtbaar moeilijk af (‘It’s still question…’). De Q&A was ook pijnlijk en schaamteverwekking doordat de moderator Max van Weezel zich niet serieus voorbereid had. Hij is politiek commentator van Vrij Nederland en heeft een Joodse achtergrond. Het gesprek met Sergei Loznitsa verliep heel moeizaam, ook doordat Van Weezel de film niet begrepen had. Van Weezel: Is de film een aanklacht tegen leeghoofden? Loznitsa: Nee. Van Weezel: Veroordeel je de selfies? Loznitsa: Nee, we weten niet hoe we ons moeten gedragen. De filmmaker heeft een film zonder waarden willen maken, maar de moderator wil zingeving en dieperliggende lagen naar boven halen en die krijgt hij niet van de filmer. Dit is het. Het wordt verwarrender als je in De Volkskrant leest dat de filmmaker de absurditeit van de situatie goed wilde vastleggen en zodoende ringtones en foto-klikgeluiden heeft toegevoegd. Van Weezel vraagt er niet naar.

Dan maar vragen uit het publiek. De antwoorden laten het volgende samensmeltende beeld achter: ‘Mensen interviewen heeft geen zin, mensen zijn moeilijk en niet eerlijk. Daarom kunnen we beter naar de mensen kijken. Er hoeven geen regels te komen. Hij pleit voor waardenvrijheid van de ziel. Only education can help. It’s family thing. School? I don’t know.’

We worden uit ons lijden verlost door het afsluitende compliment van Joël J. Cahen aan Sergei Loznitsa: ‘Congratulations with your impressive documentary.’ Ja, je moet er iets van maken en het positief afsluiten. Maar we hadden medelijden met Cahen; het was ongetwijfeld een van zijn moeilijkste en meest ongeloofwaardige complimenten uit zijn leven, vrees ik.

Gerton van Boom