Gepost op

Dossier Abel de Jong – Had het anders gekund? – 28 oktober 2019

Download de PDF van dit artikel

Dossier Abel de Jong – Had het anders gekund?

Van wie is de oorlog?

Menige nacht heb ik wakker gelegen over sommige boeken die ik heb uitgegeven. Dat heeft niet alleen betrekking op de vaak gruwelijke inhoud, maar heeft ook te maken met de historische betrouwbaarheid van de manuscripten. Ik garandeer niet dat alles klopt wat er in memoires of herinneringen staat. Naar eer en geweten toets ik op consistentie, hoewel ik niet alles kan controleren. Van huis uit ben ik historicus, althans ik heb geschiedenis gestudeerd in Groningen, en heb geleerd dat getuigenissen niet altijd betrouwbaar zijn. Er zijn ook deskundigen die menen dat er geen slechte bronnen bestaan, maar alleen slechte historici die hun bronnenmateriaal niet goed wegen.1

Memoires, dagboeken en herinneringen over de oorlog, en dus ook over de Holocaust, worden niet vanzelfsprekend beter en accurater naarmate de tijd vordert. Persoonlijke feiten en omstandigheden vermengen zich gemakkelijk met de op dat moment dominante geschiedopvatting. Herinneringen moeten bij voorkeur voldoen aan het traditionele beeld. ‘Op de Rampe van Birkenau dirigeert Mengele de voor arbeid geschikten naar links en de anderen naar rechts, naar de gaskamer.’ Dat kwam regelmatig voor, maar niet bij elk transport. Toch wil men soms graag aan een dergelijk beeld voldoen. Dat maakt alles herkenbaarder. Het leed wordt soms ietwat aangedikt, maar soms ook juist niet. Sommigen hebben het ‘bekende beeld’ onbewust opgenomen in hun herinneringen. Onschuldig misschien, maar historisch onjuist.

De memoires die 75 jaar na de oorlog zijn opgeschreven worden vanwege deze vervorming minder geraadpleegd als historisch betrouwbare bron dan het dagboek dat in de oorlog naar waarheid en authentiek werd opgetekend. Ik weet zeker dat ik boeken heb uitgegeven met informatie over de Holocaust die inaccuraat of zelfs wel aantoonbaar onjuist zijn. In een paar gevallen heb ik onjuistheden ontdekt en deze in overleg met de auteur altijd gecorrigeerd. Maar ik steek mijn hand er niet voor in het vuur dat alle details de toets der wetenschappelijke kritiek altijd helemaal glansrijk kunnen doorstaan. De affaire over Oorlogsouders. Een familiekroniek over goed en fout in twee adellijke families van Isabel van Boetzelaer (Just Publishers, Meppel, 2017) staat ons nog vers in het geheugen. De auteur heeft een valse voorstelling van zaken over haar vader Willem baron van Boetzelaer opgenomen in haar boek. Ook andere auteurs worstelen met dit probleem. Zo werd Sytze van der Zee geïnterviewd in de Volkskrant over zijn nieuwe boek Wij overleefden. De laatste ooggetuigen van de Duitse bezetting. ‘Soms moet je in discussie over herinneringen,’ luidt de kop boven dit interview. ‘Hoe kan hij hun hoogst persoonlijke herinneringen verifiëren?’

Vraag: ‘Wat deed u als u vermoedde dat bepaalde details in die verhalen niet klopten?’ Antwoord: ‘Dan moet je, hoe pijnlijk dat ook is, met de mensen in discussie gaan over hun eigen herinneringen. Ik ben tenslotte geen postkantoor waar je zomaar alles kunt deponeren. Maar als je aan het vijlen en herschikken slaat, vraag je je weleens af: Is dit nog wel oral history?’

De affaire Van Boetzelaer is een voorbeeld van een omvangrijker historisch fenomeen; het toe-eigenen van (een deel van) de oorlog. Van wie is de oorlog? Van de overwinnaars, de slachtoffers, hun nabestaanden, het verzet, de politiek of de ambtelijke herdenkingselite? Het antwoord is natuurlijk een open deur: de oorlog is van de waarheid. De cynicus zal direct repliceren: welke waarheid, wiens waarheid?

Afgelopen zomer heb ik veel tijd en energie gestoken in het boek van Abel de Jong, de oudste zoon van Sally de Jong, tweelingbroer van Loe de Jong. De kwestie heb ik inmiddels herdoopt in ‘Dossier Abel de Jong’. Tot publicatie van dit problematische manuscript is het helaas niet gekomen. Wat was er aan de hand?

In mei 2017 publiceerde ik het boek De oorlog bestond niet van Sophia van Heeks. Rond de datum van de boekpresentatie waren we ook bezig met de heruitgave van alle passages over de Holocaust uit Het Koninkrijk van Loe de Jong. Deze tweedelige serie is inmiddels bij Verbum verschenen onder de titel Jodenvervolging in Nederland 1940-1945. Bij de presentatie van Sophia’s herinneringen bij Boekhandel Jimmink in Amsterdam, kwam na afloop een oudere, fysiek kwetsbare man naar mij toe. Per e-mail hadden we vooraf contact gehad. Het was Abel de Jong, de oudste zoon van Sally de Jong. Hij had een belangrijk manuscript van zijn vader bij zich dat hij wilde laten uitgeven. Enkele weken daarvoor, tijdens een bijeenkomst bij het niod over het boek van Loe de Jong sprak ik diens biograaf Boudewijn Smits. Hij wees mij toen ook al op het manuscript dat in het archief van het niod lag: De ondergang van het Nederlandse Jodendom van Sally de Jong, geschreven in 1943 in Brussel. Het was dus toevallig dat Abel de Jong zich meldde met een manuscript waarover ik kort daarvoor door Boudewijn Smits was getipt.

Ik heb Abel verteld dat ik samen met Boudewijn Smits en hem dit essay van zijn vader graag zou willen uitgeven. Boudewijn zou een wetenschappelijk verantwoorde biografische inleiding schrijven bij het rapport en Abel zou een nawoord schrijven over zijn door de nazi’s vermoorde vader en moeder. We hebben gedrieën meerdere gesprekken gevoerd in Abels pied-à-terre in Ammerstol. We hebben inhoudelijke afspraken gemaakt en taken afgestemd en afgebakend, we hebben foto’s en illustraties verzameld en laten scannen, een cover laten ontwerpen, een catalogustekst opgemaakt en gepubliceerd en ons project in wording bezegeld met een lunch in restaurant Belvédère in Schoonhoven. Abel trakteerde.

Gaandeweg werden de verhoudingen stroever. Abel wilde niet langer ‘alleen’ een kort nawoord schrijven. Hij wilde zijn bijdrage uitbreiden met een omvangrijk verhaal over zijn ouders. Zijn bijdrage moest veel groter worden en niet ondersneeuwen bij het verhaal van Boudewijn Smits. Het omgekeerde was geen probleem. Het was zelfs beter als de bijdrage van Boudewijn ondergeschikt zou zijn aan zijn tekst.

We hadden eerder al besloten dat er passages zouden worden opgenomen uit een briefwisseling tussen zijn vader en moeder. Hij kon daar beter over schrijven dan Boudewijn. Zijn vader heeft een tijd in Westerbork gewerkt als gedetacheerd arts van de Joodse Raad. Zijn moeder bleef thuis met de jonge Abel en later ook zijn jongere broertje Daan. Ik ben met Abel naar Herinneringscentrum Kamp Westerbork (13 juni 2018) gegaan om met de directeur en de curator te overleggen hoe deze brieven het beste ‘bewaard’ konden worden en welke mogelijkheden er waren voor een kleine tijdelijke tentoonstelling.

Het hoge woord kwam er daarna al snel uit. Abel vond, zoals gezegd, zijn bijdrage onredelijk bescheiden en de samenwerking met Boudewijn moest beëindigd worden. Het boek moest bestaan uit zijn verhaal over zijn ouders aangevuld met passages uit de Westerbork-brieven. Het essay van zijn vader zou integraal opgenomen worden. Boudewijn heeft zich hierin geschikt en als gentleman een stap terug gezet uit respect voor de familie en het geraadpleegde dossier netjes geretourneerd aan Abel. Natuurlijk hadden we ten aanzien van de oorspronkelijke planning veel tijd verloren, maar dat moest dan maar.

Boudewijn was dus exit (Abel was hier later tijdens een bespreking in Gorinchem erg content over). Abel ging aan de slag. Zijn eerste versies waren zodanig geschreven dat ik er niet mee uit de voeten kon. Abel heeft toen twee familieleden die Neerlandicus zijn de tekst onder handen laten nemen. Dat leverde in ieder geval een betere basistekst op. Maar nog steeds was er veel werk aan de winkel en moest het manuscript ingrijpend geredigeerd worden. Dat komt vaker voor en met geduld kom je vaak een heel eind.

Op 22 mei 2019 hadden Abel en ik een afspraak om het uitgeefproces door te nemen en spijkers met koppen te slaan. We spraken af in Gorinchem. Hun huis in Ammerstol stond destijds te koop. Bij het gesprek waren ook aanwezig: echtgenote Ruth de Jong-Hotze en Abels schoondochter Sanderien de Jong. Tijdens deze bijeenkomst maakten we afspraken over de cover, het voorwoord van opperrabbijn Binyomin Jacobs, de publicatiedatum en de boekpresentatie. Ook lichtte ik toe hoe de boekbezorging verder tot stand zou komen. Ik zou het door de twee nichten gecorrigeerde manuscript zorgvuldig lezen, redigeren en corrigeren. Dit zouden we gedurende de zomermaanden ter hand nemen zodat we in augustus 2019 een definitief manuscript gereed zouden hebben. In oktober zou Abel naar Nederland komen voor de boekpresentatie. Boekhandel Jimmink zou hiervoor een goede gelegenheid bieden.

Dit is het vertrekpunt van ‘Dossier Abel de Jong’ en de gevoerde e-mailcorrespondentie. Cruciaal was mijn e-mail van 11 juli 2019. Toen ging het mis en brak Abel met mij. Voor deze datum hebben Abel en ik meer dan 50 e-mails uitgewisseld met een doorgaans wederzijds vriendelijke en soms, van zijn kant, licht dwingende toon. Boudewijn had al eerder voorspeld dat Abel ook met mij als uitgever zou breken. Het bleek een vooruitziende blik. Abel had al eerder een vergelijkbare stap gezet bij de opnames van de documentaire Het zwijgen van Loe de Jong dat zijn nichtje Simonka de Jong in 2011 regisseerde.2 Hij is tijdens de opnames weggelopen.

Ik geef zonder commentaar de e-mailwisseling integraal weer vanaf 11 juli 2019. De lezer oordele zelf.

Gerton van Boom, uitgever

 

1 In de kantlijn van het interview met Sytze van der Zee in de Volkskrant van 9 oktober 2019, ‘Soms moet je in discussie over herinneringen’, geeft Holocaust-deskundige prof. dr. J.T.M. (Johannes) Houwink ten Cate zijn visie op het gebruik van dergelijke herinneringen als historische bron.

Zie de bespreking in De Groene Amsterdammer van 9 maart 2011. https://www.groene.nl/artikel/het-verhaal-van-een-zoon. In dit artikel wordt ook al betwijfeld of de Mengele-associatie klopt.

 


 

E-mailwisseling Abel de Jong en Gerton van Boom (Uitgeverij Verbum)

Hilversum, 11 juli 2019

Beste Abel,

Afgelopen weken heb ik je manuscript zorgvuldig gelezen en daar waar nodig (mijn oordeel) voorzien van correcties en opmerkingen.

Er zijn drie zaken waar we dringend een aanpassing in moeten maken:

  1. Calmeyer-dossier. Enkele maanden geleden heb ik Petra van den Boomgaard, die gespecialiseerd is in het Calmeyer-archief en daar onlangs op gepromoveerd is, gevraagd of zij het dossier van jouw moeder zou willen bekijken. Dat heeft ze gedaan (samen met Boudewijn Smits) en ze kwam heel snel tot de conclusie dat jouw moeder gegarandeerd zou zijn afgewezen als haar aanvraag/verzoek in behandeling zou zijn genomen. Jij schrijft op meerdere plekken in je manuscript dat de Calmeyer-aanvraag een escape of uitkomst had geboden of had kunnen bieden. Dat wordt door Petra stelling ontkend. Misschien dat jouw moeder dat idee zelf ook wel had, waardoor ze de documenten niet meegenomen heeft op de vlucht. Jouw visie ten aanzien van dit onderwerp is helaas evenwel niet meer houdbaar, zodat het manuscript hierop aangepast moet worden.
  2. Werken voor Mengele. Ik heb een goede relatie met Franciszek Piper, voormalig hoofd research van het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau. Ik heb hem gevraagd of hij in het archief van Auschwitz of elders ondersteuning kan vinden voor de getuigenis van kolonel Van Velzen dat jouw vader werkzaamheden en/of onderzoek heeft moeten doen voor Mengele. Hoewel ongeveer 90% van het SS-archief voor de bevrijding van het kamp vernietigd is, kan er geen ondersteunend bewijs worden gevonden voor een link tussen Sally en Mengele. Hij heeft ook navraag gedaan bij een bevriende Mengele-expert. Deze kwam met de stellige mededeling dat de link met Mengele niet vastgesteld kan worden. Sally is wel arts-verpleger geweest in het Zigeunerlager van Birkenau en zat dus wel dicht bij het vuur, maar er is nooit een getuige geweest die Sally linkt aan de verwerpelijke onderzoeken van Mengele. Met andere woorden, Piper en de deskundige komen tot de conclusie dat Sally de Jong niet voor Mengele heeft gewerkt. Dit betekent dat de koppeling met Mengele sterk afgezwakt moet worden in het manuscript. Dat leidt tot herschrijven van door mij gemarkeerde passages.
  3. Uit het archief van Auschwitz blijkt ook dat Sally arts is geweest in Auschwitz-Monowitz, Buna dus. Ik denk dat je dit ook moet vermelden in je boek.

Verder denk ik dat mijn correcties voor zich spreken en niet inhoudelijk van aard zijn.

Gezien de inhoud van het manuscript denk ik dat de coverfoto van de tweeling het sterkste is. De relatie tussen de broers is een rode draad in het boek. De andere coverfoto heeft alleen, op zijn best, een indirecte link met het boek en ervaar ik als veel zwakker voor op de cover.

Ik realiseer mij dat deze e-mail inhoudelijk lastig voor je is, maar ik vertrouw erop dat je mijn onderzoekingen gunstig beschouwt. Althans, ze zijn slechts positief bedoeld met de opzet het boek beter te maken.

Laat het eerst maar even rustig bezinken.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

Bij de vorige e-mail zaten vier bijlagen, die we hieronder integraal opnemen.

 


 

Bijlage 1

E-mailcorrespondentie met Petra van den Boomgaard inzake de Calmeyer-lijst

Hallo Petra,

Je hebt met Boudewijn Smits het Calmeyer-archief bekeken en het dossier van Liesje van Male, de vrouw van Sally de Jong bekeken.

Ik ben nu met het manuscript van Abel de Jong, de zoon van Sally en Liesje, bezig en hij schrijft hierover het volgende:

‘Deze Calmeyer was, kort gezegd, door de Duitsers belast met het nemen van een beslissing in twijfelgevallen of iemand al dan niet Joods was. Hoewel de personen die een beroep deden op Calmeyer zich in 1941 als vol-Joods hebben laten registreren, was er kennelijk ruimte om aan de eigen interpretatie te twijfelen. Calmeyer heeft enige duizenden Joden, vaak van Portugees-Joodse afkomst op die lijst gezet. De Duitsers hebben zijn lijst gerespecteerd en ongeveer twee derde van de erop voorkomende personen zijn van deportatie gevrijwaard gebleven. Mijn moeder, die door geboorte half-Joods, maar door huwelijk vol-Joods was heeft zich met succes laten registreren bij Calmeyer. Ze schijnt als bijkomende reden opgegeven te hebben dat ze christelijk was opgevoed. Merkwaardig is dat Sally en Liesje niet meer vertrouwen gesteld hebben in die Calmeyer-lijst. De hele tocht naar Zwitserland is niet nodig geweest. Tijdens die tocht is het bewijs van registratie op de lijst-Calmeyer, nog steeds in mijn bezit, in Nederland achtergelaten.

Als Liesje voor de oorlog niet met Sally getrouwd was, zou ze half-Joods zijn omdat haar vader Jannis Jacob van Male, Zeeuwse boerenzoon, zondermeer Arisch was. Door haar huwelijk met een vol-Jood werd Liesje ook als vol-Jood aangemerkt. Het blijft onbekend welke argumenten ze gehanteerd heeft. Sefardische Joden waren overigens een afzonderlijk groep, waarvan het Joodzijn aan twijfel onderhevig was. Ongeveer twee derde van de vier- tot vijfduizend Joden op de Calmeyer-lijst werden aldus gered. Sally had in zoverre gelijk dat Liesje een goede kans maakte. Niet alleen zij maar ook de twee kinderen. Sally zou dan als gemengd gehuwd eveneens tot een andere categorie gaan behoren. Het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Het had overigens ook anders gekund. Op de vlucht heeft Liesje het Calmeyer-certificaat niet meegenomen en haar ouders waren te laat om het reddende papier alsnog te bezorgen toen ze eenmaal in Frankrijk gearresteerd was.’

Abel schrijft dat zijn ouders meer hadden moeten en mogen vertrouwen op de Calmeyer-lijst, maar ik begreep van Boudewijn dat hun aanvraag gegarandeerd afgewezen zou zijn. Kan jij op bovenstaande commentaar geven?

Alvast bedankt!

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Reactie Petra van den Boomgaard dd 9 juli 2019

Gerton, het is inderdaad zoals Boudewijn het heeft uitgelegd. Ze zouden gegarandeerd zijn afgewezen omdat ze buiten het beslissingskader vielen waarover ik heb geschreven. Zoals het hier staat klopt het in ieder geval niet.

 


 

Bijlage 2

E-mailcorrespondentie met Franciszek Piper

Dear mister Piper,

We are working on a book about Sally de Jong. He was the twin brother of Loe de Jong, the famous Dutch Jewish historian who wrote about The Netherlands during the Second World War. Loe de Jong is one of the acclaimed experts on the Dutch Holocaust.

It is said that Sally was a doctor in Auschwitz or better said in Birkenau. There are witnesses who saw him as a doctor in the Zigeunerlager in Birkenau. Another witness told that he was a right hand of Mengele and that Sally had to participate in twin treatments on behalf of Mengele. We don’t know if this is true. Can you help us investigating these testimonies?

The author of the book is Boudewijn Smits, the biographer of Loe de Jong. Sally’s son Abel is also writing a book about his father and mother.

What we do know is that Sally left Auschwitz during the death marches on the 29th of January 1945. That he was interned in Dora-Mittelbau. The last trace was a sub camp of Dora Mittelbau, Ellrich. His camp number there was 107287. Sally probably died in Ellrich. Enclosed you will find a letter from the Red Cross.

Sallys camp number in Auschwitz was 169834.

His wife, Elizabeth de Jong-Van Male (Deventer, May 7th 1915) died earlier in Auschwitz.

Can you help us with our investigations on Sally in Auschwitz-Birkenau? When this is helpfull, Boudewijn and I can come to Oswiecim. I hope to hear from you.

With kind regards,

Gerton van Boom

 

Reactie van Franciszek Piper dd 26 juni 2019

Dear Mr van Boom,

I confirm receipt of your e-mail from June 24 regarding Sally de Jong.

I am going back to Oswiecim today and I will have the ability to check archival materials on the subject.

Sincerely,

Franciszek Piper

 

Reactie van Verbum dd 27 juni 2019

Dear mister Piper,

Thank you very much for your assistance. Please let me know if there are costs involved.

With kind regards,

Gerton van Boom

 

Reactie van Franciszek Piper dd 28 juni 2019

Dear Mr. van Boom,

Today I have found that in the files of the Auschwitz Museum, there are several documents regarding Sally de Jong.

It follows from them that Sally de Jong was brought to Auschwitz from the Drancy camp, he was among others in a hospital in the Auschwitz Buna filial camp, as a doctor he was the nurse (Arzt-Pfleger) in the Gypsy camp (Zigeunerlager).

If you or someone interested would like to receive an official letter from the Museum in this matter and copies of documents, please write directly to the Auschwitz Museum:

Panstwowe Muzeum Auschwitz-Birkenau

ul. Wiezniow Oswiecimia 20

32-600 Oswiecim

Poland

Sincerely,

Franciszek Piper

PS In 1995 and 2018 information about Sally de Jong was received from the Museum by Ruth and Abel de Jong.

 

Reactie van Verbum dd 1 juli 2019

Dear mister Piper,

Thank you very much for your inquiry. I have a few question concerning your reaction:

You write ‘amongs others’. That means there is more informations?

Is there proof in the documents that Sally de Jong worked for/with dr. Mengele? There is one eyewitness/survivor who claims this to be true. We can’t seem to find more confirmation on this point. Can we somewhere (in what archive) find out more?

Is there more to be investigated in Auschwitz-Birkenau or is this file (documents on Sally de Jong) all there is?

Is it useful for us to come to Auschwitz-Birkenau? Can you be of further assistence?

During or after the death marches Sally received another camp number (MITTELBAU HÄFTLINGSNUMMER: 197287). Can this be relevant for the Auschwitz archives?

There are more persons who are related to Sally de Jong who can be investigated, like his wife Elisabeth de Jong-van Male

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/185185/elisabeth-de-jong-van-male

Born Deventer, 7 mei 1915 died in Auschwitz, 1 Maart 1944. She reached the age of 28 years. We don’t know her camp number.

With kind regards,

Gerton van Boom

 


 

Bijlage 3

Reactie van Franciszek Piper dd 9 juli 2019

Dear Mr van Boom,

There are no documents in the Auschwitz Museum records that would suggest that Sally de Jong did collaborate with Dr. Mengele in connection with his experiments on twins.

The Auschwitz Museum archives contain the following information about Sally de Jong:

– The name of Sally de Jong appears on a transport register drawn up in France during the war (The original of the register is in the Center for Contemporary Jews in France, the Museum only has a copy and was published by Serge Klarsfeld).

– The Sally de Jong number (without a surname) appears in the illegally made by prisoners of a partial copy of the surname list of newcomers. The copy contains only the date of arrival of the transport, from where, and numbers which were marked by the given transport who were able to work. Incapacitated for work killed immediately after importing in the gas chamber numbers were not allocated.

– The Sally de Jong number (without a surname) is in the Nummernbuch camp document. At the numbers, various information was written about a given prisoner, eg death, transfer to another camp. In the case of Sally de Jong, there is no annotation at his number.

– According to camp documents, Sally de Jong was in a hospital in the Buna Monowitz branch camp.

– The name Sally de Jong is in the Prämienschein document, from which it appears that Sally de Jong worked in 1944 as a physician – a nurse in a Gypsy camp.

I consulted with an expert on experiments on twins, Helena Kubica, who will inform me if there is any information about Sally de Jong’s cooperation with Dr. Mengele. After receiving her answer, I will provide you with the information I have been given.

I would like to explain that during the liquidation of the camp, the Germans burned the majority (probably about 90%) of the camp files, hence the lack of much information on the history of the camp and data on individual persons deported to the camp.

To obtain the confirmation of the above information, please contact the Auschwitz Museum, special department that informs about the fate of Auschwitz prisoners.

I have been retired for 11 years and usually live with my daughter in Krakow. I’m leaving for the sea in a few days for two weeks.

Greetings,

Franciszek Piper

 


 

Bijlage 4

Reactie van Franciszek Piper dd 10 juli 2019

Dear Mr van Boom,

Today, my friend Helena Kubica told me that she had not only examined the camp documents related to Mengele’s experiments, but also many of the former prisoners’ accounts, memories and trial statements.

No source has information that Sally de Jong has been involved in Mengele’s medical experiments.

Mrs. Kubica has mentioned an article about a hospital in a Gypsy camp, where Mengele carried out his experiments.

The article was written by three former prisoners of Szymański, Szymańska and Śnieżka. (Przegląd Lekarski – Medical Review – 1965, page 98) who were employed in a hospital in a Gypsy camp. They also do not mention the relationship between Sally de Jong and Mengele experiments. They knew Dr. de Jong and put his name and prisoner number on the list hospital staff. Dr. de Jong is called a prison doctor.

I think all these data definitely exclude Dr. de Jong’s participation in Mengele’s experiments.

Sincerely,

Franciszek Piper

 


 

Bijlage 5

Manuscript ‘Had het anders gekund’

Dit document is door Verbum gecorrigeerd en voorzien van diverse redactionele vragen en opmerkingen.

Peki’in, Israël, 11 juli 2019

Beste Gerton,

Het meest doet ons in je commentaar pijn dat je achter mijn rug om “deskundigen”, waaronder die stront-vervelende plak-Boudewijn, die ik dacht afgeschud te hebben, hebt benaderd. Niet kosher zeggen we hier. Het laat ook wel een beetje zien hoe jij in elkaar steekt. Navrant dat je niet naar mijn gezondheid informeert trouwens.

Ik neem het boek hierbij terug en bezin mij op andere manieren om tot uitgave te geraken. Ik voel er niets voor de inhoud naar de zin van de door jou benaderde derden aan te passen. Alles is zo goed mogelijk gedocumenteerd en verschil van inzicht zal altijd wel blijven bestaan. Het Calmeyer verhaal van die Petra bijv. is ten enen male onjuist. Ik ga geen discussie meer met jou of met wie dan ook aan.

Stuur de in jouw bezit zijnde papieren maar naar mijn zoon David: … [adres verwijderd].

Het beste verder,

Groeten,

Abel & Ruth

Hilversum, 11 juli 2019

 


 

Beste Abel,

Ik heb natuurlijk wel verwacht dat je kwaadaardig zou kunnen reageren, maar nogmaals mijn intenties zijn goed geweest. Ik had evenwel niet verwacht dat je op deze manier zou reageren. Het is jammer dat je de inhoud niet even hebt laten bezinken.

Wat betreft die stront-vervelende plak-Boudewijn zoals jij hem noemt het volgende. Het is alweer heel lang geleden dat ik Petra van den Boomgaard met Boudewijn in contact heb gebracht en dat ze het dossier van je moeder hebben ingezien. Dat was op een moment dat het met ons gezamenlijke project nog iets zou kunnen worden. Dus toen heb ik daar geen kwaad in gezien. We hadden, toen zeker en nu ook nog, een gezamenlijk belang.

Voorts nog het volgende. Ik ben in verleden vaker benaderd met manuscripten waarin mensen zeiden oog in oog met Mengele te hebben gestaan. Daarmee moet ik voorzichtig zijn. En daar waar twijfel is, en dat is t.a.v. jouw manuscript mogelijk het geval, moet ik nader onderzoek doen. In dit geval was dat makkelijk omdat ik de heer F. Piper ken en zaken met hem doe. Als er twijfel is moet je m.i. beide kanten belichten en wellicht minder stellig zijn. Ik kan het mij niet permitteren geheel onzorgvuldig te zijn.

Nogmaals, het was bedoeld om het boek beter te maken, met de beste intenties.

Nu is het ook zo dat ik inmiddels heel veel werk in je manuscript en boek heb gestoken. Dat heb ik niet voor niets gedaan. Ten eerste omdat ik geloof in het boek en tweede omdat ik van mening was dat jouw verhaal wereldkundig gemaakt moet worden. Vandaar dat ik je wil vragen om e.e.a. rustig te overpeinzen en je standpunt te herzien.

Ik hoor graag van je.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

PS: Natuurlijk hoop ik ook dat het goed gaat met je gezondheid!

 


 

Peki’in, Israël, 12 juli 2019

Beste Gerton,

Ik ben niet van gedachten veranderd. Mijn reactie was niet onbekookt. Jij gaat veel te ver met je inhoudelijke bemoeizucht. Dat alles zonder overleg vooraf. En dan nog weer die Boudewijn erbij betrekken. De limit!

De nadere informatie over Mengele en Calmeyer heeft mij niet kunnen overtuigen het boek op deze punten bij te stellen. Bovendien heb ik in de inleiding gezegd niet te pretenderen een wetenschappelijk werk te schrijven met literatuurlijsten, tientallen voetnoten etc.

Ik ga de inhoud van mijn boek niet wijzigen en zoek een andere uitgever.

Wees zo goed om de documentatie die je van mij gekregen hebt t.b.v. illustraties etc. aan mijn zoon David in Dodewaard te doen toekomen.

Met groet,

Abel

 


 

Hilversum, 12 juli 2019

Beste Abel,

Helaas, zou ik zeggen. Het is jammer voor alle partijen, omdat we er allemaal al zoveel tijd en energie in hebben gestoken. En op geheel onverwachte wijze trek jij de stekker eruit. Dat heb je natuurlijk veel vaker gedaan en daarmee heb je meer mensen schade berokkend. Ik had dus gewaarschuwd moeten zijn. Maar vooral, isoleer je jezelf ermee en dat is spijtig. En dat patroon zie je ook terug in het manuscript en hoe jij ermee om gaat. Het klopt dat je niet gepretendeerd hebt een wetenschappelijk werk te schrijven. Maar dat is toch wat anders dan een werk met aantoonbaar onjuiste informatie of, beter gezegd, aantoonbaar twijfelachtige informatie. Het feit dat je in het geheel geen oog hebt voor feitenmateriaal en opinies van deskundigen zorgt ervoor dat ik er vrede mee kan hebben dan ons project niet doorgaat. Ik kan het me niet veroorloven een boek uit te geven met onjuiste of onzorgvuldige historische informatie. Jouw onwelwillendheid om deze feiten op eigen merites te beoordelen, te wegen en te verwerken zodat een correct geschiedkundig beeld ontstaat is natuurlijk zorgwekkend. Waarom wil je met alle geweld dit beeld in tact houden? Waarom klamp je je zo graag vast aan een mogelijke associatie van je vader met Mengele, op basis van een getuigenis die niet geheel smetteloos is, terwijl de archieven niets zeggen en er geen echte getuigendeskundige zijn die de getuigenis van Van Velzen onderschrijven. Eén getuige is geen getuige! Sterker nog, dezelfde echte (onderkende) getuigen (die voor Mengele hebben moeten werken) geven aan dat Sally arts-verpleger was in het Zigeunerlager en niet tot het artsenteam van Mengele behoorde. Maakt deze informatie jouw beeld van jouw vader minder waardevol? Is een nagedachtenis aan jouw vader beter als hij wel gedwongen zou zijn geweest om voor Mengele dubieuze praktijken te hebben moeten verrichten? Of past het beeld van je vader je niet waarin hij ‘slechts’ arts-verpleger was terwijl hij voorbestemd was om op een Nobelprijs af te steven? Moet het beeld gecreëerd of in stand gehouden worden dat jouw vader terecht alleen in de medisch-wetenschappelijk top actief behoorde te zijn?

Het zijn natuurlijk harde vragen die je wellicht zo niet hoort voor te leggen aan een slachtoffer van de Holocaust die schrijft over zijn vermoorde ouders. Daarvoor bied ik mijn excuses aan, maar deze vragen raken evenwel aan de kern van jouw aandrang om het geschiedbeeld van je vader en moeder op mogelijk onjuiste bronnen te monopoliseren. Daar heb ik vrede mee, maar niet als er concrete informatie voorhanden is die wellicht een ander, historisch evenwichtiger beeld zou construeren.

Kortom, ik kan me erin schikken dat al mijn werk (op aanvechtbare gronden) terzijde wordt geschoven en teniet wordt gedaan. Ik heb er dan ook vrede mee dat ik niet een boek hoef uit te geven dat niet helemaal (of helemaal niet) juist is en waarin dus bepaalde mythes (door jou gecreëerd) in stand worden gehouden of zelfs wel worden uitvergroot. Zoals je weet schrijf ik regelmatig blogs over mijn ervaringen. Dit onderwerp en onze e-mailwisseling zou zich goed lenen voor een dergelijke blog. Ik vind ook dat ik ertoe verplicht ben opperrabbijn B. Jacobs te informeren over onze correspondentie.

Nogmaals betreur ik de gang van zaken. Ik ben evenwel niet rancuneus en indien je van gedachten bent veranderd, bereid de handschoen weer op te rapen, omdat ik van mening blijf dat jouw verhaal en dat van jouw vader en moeder wereldkundig gemaakt moeten worden. Daarnaast hoop ik dat het heel goed gaat met je gezondheid en dat je de publicatie van je boek lang mag overleven.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

Peki’in, Israël, 14 juli 2019

 


 

Beste Gerton,

Helaas is ons gezamenlijk project op de klippen gelopen. Ik beraad me nog wat ik verder met het boek zal doen.

Nu heb jij de afbeeldingen die we zouden opnemen nog in je bezit.

Beseffend dat jij door het stoppen van het project schade hebt geleden wil ik tot een afronding met jou komen voor een zekere schadeloosstelling. Ik had gedacht aan 750 Euro. Als jij dan als tegenprestatie het illustratiemateriaal aan mijn zoon David in Dodewaard [adres weggelaten] zou willen doen toekomen. Graag je bankgegevens.

Met vriendelijke groet,

Abel de Jong

Peki’in, Israël, 16 juli 2019

 


 

Beste Gerton,

Je blijft zwijgen. Wat is hier aan de hand? Mij laten spartelen?

Ik hoor graag op de kortst mogelijke termijn van je.

Met groet,

Abel de Jong

Hilversum, 17 juli 2019

 


 

Beste Abel,

Ik ben niet zoals Boudewijn.

Ik wil me beraden op de situatie. We hebben duidelijke afspraken gemaakt over het uitgeven en in Gorinchem daarover gezamenlijke afspraken gemaakt. Een van de afspraken was dat ik je manuscript zou gaan lezen en eventueel met opmerkingen zou komen. Dus dat zou geen verassing mogen zijn. Ik wil daarom overleggen met mijn advocaat hierover. Hij is evenwel op vakantie.

Ik heb daarom de voorbereidingen voorlopig gewoon door laten gaan.

In beginsel ben ik van mening dat we al veel te ver in het uitgeefproces zitten om zonder al te grote kleerscheuren van elkaar af te komen. Gezien de ellende die hieruit zou voortvloeien is het daarom, wat mij betreft, beter het manuscript aan te passen en het uitgeefproces netjes af te ronden. Wat mij betreft kan dat zonder ‘hard feelings’.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 17 juli 2019

Beste Gerton,

Ik wil graag de strijdbijl begraven en met je verder gaan op de ingeslagen weg hoewel zich intussen een paar grote uitgevers geïnteresseerd hebben getoond. Er is zelfs al een uitgever bij ons op bezoek geweest in Israel. Dat laat ik even voor wat het is. Ik stel wel een paar voorwaarden:

  1. Geen derden achter mijn rug om raadplegen. De adviezen die je reeds gevraagd hebt wil ik liever niet in de teksten verwerken. Het boek is opgesteld a.d.h.v. documentatie die ikzelf heb. Dat geldt met name de Calmeyer registratie. Het lezend publiek is m.i. weinig deskundig.
  2. Afgezien van kleinere correcties wil ik de tekst zoals die nu luidt handhaven.
  3. Jij vertelt mij waar de meegegeven documentatie is. Je moet weten dat ik de laatste tijd in toenemende mate aan geheugenverlies lijd. Ik weet dus niet of je de spullen in Gorcum hebt achtergelaten. Met name wil ik weten waar het handgeschreven boekje van mijn ouders is. Het zat in een witte doos en heeft een blauwe kaft. Je kent het wel.

Dit even voor nu.

Graag je reactie.

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Peki’in, Israël, 18 juli 2019

Beste Gerton,

Bij mij draait alles om de vraag waar het handgeschreven boekje dat mijn ouders in Brussel hebben gemaakt en dat zich in drie of vier ingebonden schriftjes is opgetekend, zich bevindt.

Als je mij daarover geen uitsluitsel verschaft wordt samenwerking problematisch ook al schakel je twintig advocaten in. Je vermijdt steeds op deze cruciale vraag antwoord te geven.

Ik hoop dat e.e.a. goed bij je landt!

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Hilversum, 18 juli 2019

Beste Abel,

Dit is geen cruciale vraag. Ik heb alle documenten en foto’s en tekeningen in Gorinchem bij onze laatste bespreking afgegeven. De tekening van je vader was verzakt in de lijst tijdens de autorit. Weet je dat nog? De ingebonden schriftjes zitten erbij!

Ik heb nu alleen nog drie foto’s in mijn bezit die jullie mij na de laatste bespreking hebben toegestuurd. Deze foto’s stuur ik natuurlijk terug, ongeacht waar onze samenwerking op uit draait!

Gaat het goed met je gezondheid?

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 18 juli 2019

Beste Gerton,

Eindelijk duidelijkheid over die ingebonden schriftjes. Bedankt hiervoor!

Blijft nog de vraag hoe we met de teksten omgaan. Verandervoorstellen van mij onbekende derden vallen niet lekker bij mij. Hiervoor vraag ik begrip. Het boek is gemaakt op basis van bij mij aanwezige kennis en documenten. Of dat de absolute waarheid belichaamt, ach ik weet het niet en vind het ook niet cruciaal. E.e.a. staat ook in het voorwoord.

Graag nog even een laatste reactie en dan kunnen we voorwaarts.

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Hilversum, 19 juli 2019

Beste Abel,

Hoe gaat het met je gezondheid, Abel? Ik hoop goed.

Ik vind het heel prettig te horen dat je de strijdbijl wilt begraven en dat we weer verder kunnen. Dat is voor jou en voor mij het beste, denk ik.

In het rood zal ik onderstaand reageren op de drie punten.

Als we verder gaan wil ik ook graag een uitgeefovereenkomst met je aangaan.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

  1. Geen derden achter mijn rug om raadplegen. De adviezen die je reeds gevraagd hebt wil ik liever niet in de teksten verwerken. Het boek is opgesteld a.d.h.v. documentatie die ikzelf heb. Dat geldt met name de Calmeyer registratie. Het lezend publiek is m.i. weinig deskundig. Verbum: Ik heb het nooit zo ervaren, dat ik achter je rug om wil gaan. Het zijn immers openbare bronnen die iedereen kan raadplegen of had kunnen raadplegen. Als uitgever van boeken over de Holocaust heb ik een verantwoordelijkheid. Ik kan het niet maken om boeken uit te geven waarin onjuiste informatie is opgenomen. Ten aanzien van Calmeyer: Ik kan Petra vragen een nadere toelichting te geven. Dat moet voor jou toch interessant zijn? Jij hebt dit dossier toch niet zelf ingezien of wel? Petra is hierop gepromoveerd en de expert op het gebied van aanvragen bij Calmeyer. Haar overtuigende en deskundige opinie zegt toch wel iets? Ten aanzien van Mengele is het sowieso ‘gevoelige’ informatie. Ook voor jou. Als topdeskundigen van mening zijn dat jouw vader niet voor Mengele gewerkt kan hebben, dan is dat een gegeven dat je niet zomaar kan wegpoetsen. Je moet er in ieder geval melding van maken en je stelligheid afzwakken. Ik wil/moet graag historisch verantwoorde boeken uitgeven. Ik ga niet verder graven, maar vind dus wel dat de gemelde bevindingen op een nette manier verwerkt moeten worden. Ik snap dat je gezond veel van je energie opslokt. Ik wil daarom voorstellen dat ik een voorstel doe voor deze noodzakelijke aanpassingen. Ik beloof daarbij dat ik jouw verhaal en aanpak zoveel mogelijk in tact hou.
  2. Afgezien van kleinere correcties wil ik de tekst zoals die nu luidt handhaven. Verbum: ik neem aan dat je akkoord bent met de door aangebrachte tekstuele, niet-inhoudelijke correcties.
  3. Jij vertelt mij waar de meegegeven documentatie is. Je moet weten dat ik de laatste tijd in toenemende mate aan geheugenverlies lijd. Ik weet dus niet of je de spullen in Gorcum hebt achtergelaten. Met name wil ik weten waar het handgeschreven boekje van mijn ouders is. Het zat in een witte doos en heeft een blauwe kaft. Je kent het wel. Verbum: Deze vraag heb ik al separaat per e-mail beantwoord. Ik zal nooit foto’s en documenten als drukmiddel, zo ik dat al zou willen, achterhouden.

 


 

Peki’in, Israël, 21 juli 2019

Beste Gerton,

Ik begrijp dat jij je verantwoordelijk voelt voor de juistheid van te publiceren historisch boeken. Ik sta evenwel in voor de correctheid van hetgeen ik opgeschreven heb. Het had eleganter geweest als jij mij op die Petra had geattendeerd. Dan had ik zelf met haar in contact getreden.

De Calmeyer registratie is onaantastbaar. Zie bijv. pag. 67.

Dat Sally als wetenschapsman met Mengele zelf – wellicht vluchtige – contacten heeft gehad lijkt mij ook boven alle twijfel verheven. Zie bijv. het citaat van Anton van Velsen op blz. 117. Van Velsen was een militair van het oude stempel en 100% betrouwbaar.

Echt, Gerton, ik ga deze passages niet wijzigen omdat ene Petra of hoe die vrouwen ook mogen heten het beter denkt te weten. Zo is absoluut zeker dat Sally nooit op de Buna fabriek gewerkt heeft. Ies Spetter wel. Archiefgegevens zijn ook niet altijd betrouwbaar. Zo kwam mij nichtje vorig jaar met de ontdekking dat Sally “tot eingeliefert” was in Buchenwald. Bleek op een foutieve interpretatie van een lijst te berusten.

Als jij blijft bij je stellingname moeten we daar de consequenties maar van nemen en uit elkaar gaan. Jij hebt veel tijd in mij en ik in jou gestoken. Jammer, maar we hebben geen enkele contractuele band. Dit zijn allemaal voorfasen tot het echte werk. Een paar andere uitgevers die eveneens kennis genomen hebben van het concept staan te trappelen om het stokje over te nemen. Ik begrijp je vasthoudendheid om deze kip met wellicht gouden eieren niet te slachten, maar ik heb het gevoel met jou uitgepraat te zijn. We hebben dan wel de vredespijp gerookt, maar je blijft maar corrigeren (in rood nota bene: de schooljongen maakt fouten…). Ik ben als jurist echt niet bang voor advocaten. Ik woon in Israel. Lastig procederen lijkt mij.

Hartelijke groet,

Abel

 


 

Peki’in, Israël, 21 juli 2019

Beste Gerton,

Ik heb eerlijk gezegd mijn buik vol van topdeskundigen. Mijn informatie is uit de eerste hand en die laat ik niet zomaar door welke Petra dan ook wegpoetsen. Daarmee heb je bij mij op de verkeerde knoppen gedrukt. Ik ben, evenals jij, vasthoudend.

We zijn echt op elkaar uitgekeken en ik ga een punt zetten achter onze contacten. Het neemt teveel van mijn kostbare energie in beslag. Ik wil met positief ingestelde mensen graag verder gaan. We kissebissen al veel te lang.

Het ga je goed.

Hartelijke groet,

Abel

 


 

Tot slot

Hilversum, 23 oktober 2019

Beste Abel,

Ik heb mijn gedachten ten aanzien van jouw manuscript en onze discussie daarover op papier gezet. Voordat ik dit document op mijn website plaats leek het mij gepast je vooraf hierover te informeren. Je commentaar is welkom.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 24 oktober 2019

Beste Gerton,

Als je dit echt nodig vind houd ik je niet tegen. Ik vind het wel kinderachtig om hier steeds op terug te komen. Heb je geen corrigerende partner naast je? Mijn vrouw stopt zulke mailtjes voor ze uitgaan. Het lange stuk is trouwens slaapverwekkend. Ach, zie maar wat je doet.

Toch een hartelijke groet,

Abel

 


 

Op zaterdag 26 oktober 2019 verscheen een groot artikel in De Telegraaf van Bert Dijkstra over het boek van Abel de Jong dat uit kwam bij Uitgeverij Van Praag.

 


 

Flaptekst

Sally de Jong, de tweelingbroer van Loe de Jong, de gelauwerde chroniqueur van de geschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, was de eerste die geschreven heeft over de Jodenvervolging in Nederland. Zijn essay heette De ondergang van het Nederlandse Jodendom. Hij schreef het in Brussel tijdens zijn vlucht uit Nederland om aan de deportatie en vervolging te ontkomen. Het document bereikte medio 1943 de Nederlandse regering in ballingschap in Londen en werd ter kennis gebracht van koningin Wilhelmina. Loe de Jong, werkzaam op het Bureau Inlichtingen in Londen, maakte zich van het manuscript meester en hield het tot kort voor zijn overlijden in 2005 onder zich.

Sally heeft een half jaar in het ziekenhuis van Westerbork gewerkt en nauwgezet beschrijft hij in brieven aan zijn vrouw wat hij waarnam, tot hij uiteindelijk ontdekte dat zijn werk er alleen maar toe diende de Joden in het doorgangskamp gezond te maken voor transport naar het onheilspellende oosten. Samen met zijn vrouw Liesje van Male en een bevriend echtpaar heeft Sally getracht het neutrale Zwitserland te bereiken. Dat mislukte. Een tweede poging moest hun naar Spanje leiden. Ook deze poging strandde. De desperate tocht werd een aaneenschakeling van dramatische gebeurtenissen. Het net sloot zich rond het onfortuinlijke viertal. Het lot dat meer dan 100.000 Nederlandse Joden zou treffen strekte zijn klauwen nu ook naar Sally en Liesje uit. De bestemming werd Auschwitz.

De twee kleine kinderen overleefden de Holocaust in onderduikgezinnen. De oudste van de twee, Abel, reconstrueerde het hoopvolle en veelbelovende leven van zijn ouders aan de hand van documenten die hij meer dan zestig jaar in huis had en nooit had bestudeerd.

Abel de Jong werd op 31 december 1940 geboren als oudste zoon van Sally de Jong en Liesje van Male, beiden Joods, in Amsterdam aan de Nieuwe Prinsengracht 31. Zijn Joodse ouders probeerden naar Zwitserland en later naar Spanje te vluchten. Beide pogingen mislukten op het allerlaatste moment bij de grens. De beide zoons, Abel en Daniël (1942 – 2014) waren op onderduikadressen ondergebracht. Beiden zijn, toen hun eigen ouders na de oorlog niet meer terugkeerden, opgevoed door deze pleegouders. Abel bezocht in Leiden het gymnasium en studeerde in 1967 aan de Universiteit van Leiden af als jurist. Hij begon zijn carrière bij een adviesbureau in de ruimtelijke ordening en leidde later een eigen adviespraktijk waarbij hoofdzakelijk gemeenten als opdrachtgever had. Hij is in 1968 met Ruth Hotze getrouwd. Het paar heeft vier kinderen. In 2007 zijn ze in Israël gaan wonen, maar hun binding met Nederland bleef in tact. Na zijn pensionering in 2006 is Abel gaan schrijven.

Gebonden, 250 bladzijden

Prijs: € 24,50

E-book: € 7,95

ISBN: 9789493028135

Verwachte verschijningsdatum: 24 oktober 2019

Gepost op

1942. Het jaar van de stilte – 14 oktober 2019

1942. Het jaar van de stilte

Er is weer een overvloed aan Holocaust-gerelateerde onderwerpen: het vonnis over het Holocaust Namenmonument, de schadevergoeding door de NS, het turbulente afscheid van Dirk Mulder, directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork (en met name de commotie en de beschuldigingen aan zijn adres over de vluchtelingen-wandeling), bijna wekelijks maakte de Jodenmoord zijn opwachting in de kranten en overige media, een mer à boire. Ik heb evenwel gekozen voor een minder in het oog springend onderwerp.

De afgelopen maanden ben ik samen met auteur Rob Bakker druk doende geweest om zijn begin 2020 verschijnende kolossale studie over de omvangrijke Nederlandse ambtelijke collaboratie af te ronden: Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie. Tijdens deze werkzaamheden werd de aandacht mede opgeëist door het nieuwe boek van Herman Van Goethem, Belgisch historicus en jurist, rector van de Universiteit Antwerpen en directeur en mede-initiator van Kazerne Dossin, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten in Mechelen, het Belgische Westerbork zullen we maar zeggen.

Het boek gaat over het jaar 1942, het jaar van de stilte, volgens Van Goethem. ‘Hij analyseert onder meer het geleidelijke afglijden naar extreem geweld bij de politie, alsook de schijnbaar voortschrijdende acceptatie vanuit de Joodse gemeenschap. In deze studie over collaboratie en verzet komen niet enkel de extremen aan bod, maar wordt vooral ook ingegaan op de complexiteit van een door de oorlog ontregelde samenleving waarin de toekomst onzeker en onduidelijk is. 1942 is wat dat betreft een scharnierjaar,’ aldus de website van de Universiteit Antwerpen.

In 1942 valt de Duitse Wehrmacht de Sovjet-Unie binnen en dringt nazi-generaal Rommel de Engelsen aanvankelijk terug in Noord-Afrika. Wie gaat er winnen? Op welk paard moet gewed worden? In de periode 1940-1942 lijken de nazi’s aan de winnende hand. Eind 1942 slaat de onoverwinnelijk lijkende Duitse oorlogsroes om in verliezen bij El Alamein en Stalingrad. Is het hitlerisme toch te verslaan? De gemiddelde mens is voorzichtig (en zwak) en kiest graag eieren voor zijn geld. Als de Duitsers Europa blijvend overheersen of als er een uitonderhandelde compromisvrede komt waarbij de kleine landen als Nederland en België onder de Duitse invloedssfeer vallen, is het verstandig een beetje met de nazi’s mee te werken. Maar als de geallieerden aan de winnende hand zijn, is er opeens volop ruimte voor verzet en kunnen we maar beter een draai maken en rekening houden met de unconditional surrender die Roosevelt en Churchill nu eisen. De burgers van de bezette gebieden wegen in 1942 in meerderheid angstvallig de oorlogskansen van de strijdende partijen af. Deze internationale ontwikkelingen bepalen tot in hoge mate de lokale seismografische verhoudingen. Dit is de centrale leeswijzer die Van Goethem biedt. Plaats de ontwikkelingen in de tijd en veel wordt opeens duidelijk(er). Immers, ‘Je kan pas lezen als je weet wat er staat’, aldus zijn graag geuite Cruijffisme. Een geweldige open deur natuurlijk, maar daarom niet minder waar.

In 1942. Het jaar van de stilte onderzoekt Van Goethem de Jodenrazzia’s in zijn Antwerpen. Wat was de rol van de lokale overheid hierin? Met name de rol van de politie wordt in een diepgravend onderzoek dat 14 jaar duurde geanalyseerd. Hij concludeert dat tot eind 1942 veel burgers en ambtenaren kozen voor collaboratie. Vanaf eind 1942, begin 1943 gaat het roer om en wordt men dapperder en gokt men op de geallieerden.

Het interessante van het boek is dat de auteur drie verhaallijnen door elkaar weeft: de rol van de lokale Antwerpse overheid (met name de politie), het dagboek van Max Gevers en ten slotte Van Goethems eigen familiegeschiedenis, waarbij hij eerlijk schrijft over zijn extreemrechtse (en ter dood veroordeelde maar niet ter dood gebrachte) opa.

In de Nederlandse pers is niet veel aandacht besteed aan dit, door de aanpak van de auteur, baanbrekende boek. Ik ken alleen een recensie van Chris van der Heijden in De Groene Amsterdammer (11 april 2019, pagina 66). Hij concludeert: ‘Dit engagement [drie verhaallijnen en zijn persoonlijke invalshoek van de auteur] maakt 1942 veel meer dan een geschiedenisboek. Het is een aanklacht tegen het leven.’ Wat Van der Heijden schrijft is allemaal waar, u moet het maar nalezen, maar mij vielen geheel andere onderwerpen in het boek op. Als je een boek leest over de Jodenvervolging in België ontkom je niet aan de neiging om te vergelijken met de Nederlandse situatie. Dat is natuurlijk in het verleden veelvuldig gepoogd, maar lang niet altijd bevredigend. Argumenten voor het verklaren van de Nederlandse collaboratie met de nazibezetter lijken opeens anders door de kracht van de argumenten van onze zuiderburen. Zij pakten het soms anders aan en tonen het ongelijk van de nog altijd aangehangen Nederlandse argumenten.

Wat is dus de waarde van de argumenten om de Nederlandse paradox te verklaren? Deze paradox moet een verheldering bieden waarom in Nederland 75% van de Joden is gedeporteerd en vermoord terwijl dat percentage in België veel lager was (circa 45%) en Frankrijk een nog aanzienlijk lager percentage kende. Vergelijken we de Nederlandse met de Belgische Jodenvervolging dan lijkt na kennisneming van het boek van Van Goethem een herijking van de gegeven verklaringen voor de ‘succesvollere’ Nederlandse Jodenvervolging noodzakelijk.

Op dinsdag 24 maart 1942 (pagina 87-88) oordeelde een rechtbank in Luik dat de wetgevende macht van de secretarissen-generaal, bij afwezigheid van de wettige regering, ongeldig is. ‘Dit vonnis haalt niet alleen de juridische positie van de secretarissen-generaal onderuit, het ondergraaft ook het systeem van welwillende overheidscollaboratie met de bezetter. (…) Dit [vonnis] is het begin van een krachtmeting tussen de Belgische overheid en bezetter.’ Van Goethem schrijft gedreven verder: ‘De Conventie van Den Haag uit 1907 garandeert de Belgische overheid een grote autonomie en geeft ze een stevige onderhandelingsmarge. Ambtenaren en magistraten kunnen perfect “legaal verzet” plegen en bij een twijfelachtige Duitse vraag argumenteren dat ze onbevoegd zijn.’ Maar hij gaat verder en nu komt het belangrijke punt: ‘Publiek protest door gezagsdragers van stand is belangrijk vanwege de impact op de publieke opinie. Het goede voorbeeld inspireert en werkt aanstekelijk; het is een tegengif tegen defaitisme.’ Verzet tegen de Jodenvervolging is door een groot deel van de bestuurlijke top in gang gezet door het goede voorbeeld te geven. Dat was geen massaal verzet, maar het was een begin, een goede intentie.

Als we dit afzetten tegen de Nederlandse verhoudingen gedurende de oorlogsjaren dan kan de opstelling van de Nederlandse ambtenaar, met name aan de top, gekarakteriseerd worden als de houding van de schurftige hond.1 In Nederland was de situatie in grote lijnen vergelijkbaar met België. De secretarissen-generaal, als hoogste ambtenaren, kregen door afwezigheid van de rechtmatige en democratisch gekozen regering de bestuurlijke macht in handen. Onder Duits bevel natuurlijk, maar de besluiten die de SG’s namen hadden kracht van wet, die op geen enkele wijze gecontroleerd of aan banden gelegd werd. Ook de Nederlandse regering in Londen heeft nooit ingegrepen en voor zover dit getracht is, werd niet naar het wettig gezag op afstand geluisterd.

De Conventie van Den Haag resulteerde in 1907 in het Landoorlogreglement dat ook in Nederland van toepassing was. De ambtenaren hebben dit document nooit een rol laten spelen. Aanvullend hierop hebben we in Nederland de zogenaamde Aanwijzingen gehad waarin het functioneren van de ambtenarij onder vreemde heerschappij was geregeld. Daar stond onder andere letterlijk in dat nooit door ambtenaren meegewerkt mocht worden aan de deportatie van een bevolkingsgroep. In de oorlog heeft de regering in Londen in mei 1943 ook nog een Commentaar op de Aanwijzingen opgesteld waarin expliciet gewaarschuwd werd om niet mee te werken aan de Jodenvervolging en -deportaties. De Aanwijzingen en het Commentaar erop zijn op alle punten ten aanzien van de rechtsbescherming van de Joden flagrant met voeten getreden. In het Nederlandse debat over de Holocaust zijn het Landoorlogreglement, de Aanwijzingen en het Commentaar erop bijna nooit een onderwerp van belang. In België speelt het Landoorlogreglement wel een grote rol in het debat. En wat mij aanspreekt is het benadrukken van het belang van het ‘publiek protest door gezagsdragers van stand’. In Nederland is altijd beargumenteerd dat ambtenaren, waaronder burgemeesters, maar beter op hun post konden blijven en mee moesten werken om erger te voorkomen, om te beletten dat NSB’ers aangesteld zouden worden en het leed van de Joden nog veel groter zou zijn. Maar het tegenovergestelde is dus aantoonbaar juist. In België zijn er bestuurders en magistraten opgestaan die zich verzet hebben tegen de Jodenvervolging. Zij vervulden een voorbeeldfunctie die defaitisme tegenging. In Nederland heeft de ambtelijke collaboratie zich als een verstikkend net om de Joden gesloten: de regering in Londen was voorstander van medewerking, de secretarissen-generaal zagen hun positie opgewaardeerd worden en reikten de bezetter in ruil daarvoor de Joden op een presenteerblaadje aan de Duitse bezetter aan. Zo heeft de Hoge Raad zonder protest zijn Joodse president laten afzetten en heeft het met het schandalige Toetsingsbesluit de legitimiteit van Duitse misdaden trachten te onderschrijven. Wat moest in deze constellatie de lagere ambtenaar doen? Hij werd, voor zover hij verzet had willen plegen, op geen enkele wijze gesteund door zijn meerdere. Integendeel! Hij werd gesommeerd te collaboreren.

We kunnen gerust concluderen dat het aangevoerde Nederlandse argument om massaal ambtelijk te collaboreren ‘om erger te voorkomen’ onjuist is als het gaat om de Jodenvervolging. Feit blijft ook dat Nederland een veel hoger percentage slachtoffers heeft dan België. Er zal zeker hiervoor een keur aan verklaringen gegeven kunnen worden; de ambtelijke collaboratie is niet de enige verklaringsgrond van de Nederlandse paradox, maar wel een belangrijke, of althans veel belangrijkere dan we tot op heden hebben ingezien.

Maar wat ook telt is het gevoel van eigenwaarde dat altijd in het geding is geweest. Doordat de Nederlandse Joden door bijna iedereen in de steek werden gelaten en de Joden middels de Joodse Raad zelf ook meewerkten aan deportatie en de anti-Joodse Duitse maatregelen, moet een sfeer ontstaan zijn van defaitisme. Je moest wel van heel goeden huize komen om in Nederland Joden te helpen… De schurftige hond kroop liever tegen de Duitse moordenaar aan in de hoop een afgekloven botje toegeworpen te krijgen. Dat was het Nederlandse beleid. Het is niet fraai en ik zeg het niet graag. We hebben geen grijze maar een gitzwarte geschiedenis te verwerken. Alle hulde dus aan de dappere houding van de Brusselse gemeentebesturen: ‘Eerst weigerden de gemeentelijke overheden (op Jette na) de Jodenster uit te reiken. En in september 1942 werkte het politiekorps niet mee aan de grote Jodenrazzia in Brussel.’ Zij wel!

Ondanks alle terechte loftuitingen voor Van Goethems boek, valt het lezen soms zwaar. Het is een lange aaneenschakeling van schokkende, maar vaak voorspelbare verhalen gedecoreerd met foto’s van de slachtoffers. Het boek moet aansluiten bij de benadrukking van persoonlijke verhalen in de Holocaustgeschiedschrijving; de slachtoffers moeten een naam en een gezicht krijgen en uit de anonimiteit treden. Een gevoel van déjà vu maakt zich wel meester van deze lezer. Het lijkt te passen in de trend van modern effectbejag die furore maakt in de herdenkingscentra.

In België zijn over het algemeen de door de nazi’s vereiste quota in aantallen Joden ook gehaald en dus is er op grote schaal natuurlijk ook door de politie en gemeentebestuurders meegewerkt aan de Jodendeportatie. Op pagina 228 en 229 schrijft Van Goethem het volgende: ‘Maar wie zijn wij om een oordeel te vellen over die agenten in Deurne? Ze bevonden zich niet enkel in een heel lastige situatie, maar werden ook fel opgejaagd door commissaris Hendrickx, die onwilligen aan de Duitsers dreigde te verklikken. Dat de herinnering na de oorlog ging verglijden is niet helemaal onbegrijpelijk. In een zwart-witte naoorlogse analyse kun je niet accepteren dat agenten die in het verzet zaten en daardoor in Duitse kampen zijn beland voordien ook effectief meewerkten aan een grootscheepse razzia. Augustus-september 1942 is echter een heel ander tijdvak dan de periode na de Grote Ommekeer, vanaf november 1942, toen alles anders werd.’

Tja, nu doemt de vraag op of we in Nederland ook een Grote Ommekeer hebben gezien? Ten aanzien van het verzet tegen de Arbeidsinzet, de spoorwegstakingen en dergelijke is er wel een kentering zichtbaar. Maar van een Grote Ommekeer ten aanzien van de (hulp aan de) vervolgde Joden is wat mij betreft duidelijk geen sprake geweest in Nederland. De deportaties gingen onverminderd door. De ambtelijke opsporingscollaboratie ten aanzien van de Joden verscherpte en verdiepte zich eerder. Ook dit punt draagt wellicht bij aan het herzien van de conclusies over de Nederlandse paradox. Terwijl elders in Europa de bereidwilligheid afnam naarmate de tijd verstreek, nam deze in Nederland toe.

Op pagina 269 stipt Van Goethem een andere saillante zaak aan. ‘Dit is de compromitterende collaboratie ten voeten uit: wie meent deals met de Duitsers te kunnen sluiten, werkt hoe dan ook mee aan de Jodenvervolging. Ook als dat niet de bedoeling is.’ Het ging over de Joodse kinderen van een tehuis in Wezembeek die vrijgesteld werden van transport, maar waarvoor zieken uit het Sint-Erasmusziekenhuis in de plaats moesten komen. Maar Van Goethem formuleert in algemene zin en dus bedoelt hij deze uitspraak generiek. Wat hij aan de kaak stelt is precies hetgeen in Nederland op grote schaal en met volle overtuiging heeft plaatsgevonden. Onderhandelen, zo zijn wij immers gewend, is iets weggeven in de hoop er iets voor terug te krijgen. Er moest aan de Duitsers veel gegeven worden. Per saldo was er winst omdat een andere houding niets zou hebben opgeleverd. Ja, u hoort uzelf al zo redeneren. Dit is dus, zoals we eerder aanhaalden, de diplomatie van de schurftige hond. Vergeten daarbij wordt dat met een dergelijke vorm van collaboratie veel meer wordt weggegeven dan beoogd. We hebben daarmee onze waardigheid en trots ook verkwanseld. In Nederland is dat vol overtuiging en massaal gebeurd. In België soms ook, maar er zaten bij onze zuiderburen meer remmen op. Wat Van Goethem betoogt is mij uit het hart gegrepen. Hij is een historicus die de bronnen centraal stelt en feiten aandraagt met empathie, moraliteit en besef dat we iets moeten leren van onze rol in de Holocaust. Dat ontbreekt er ook vaak aan in het Nederlandse debat, dat veelal gevoerd wordt door historici die de emotie uit het debat willen halen en zich concentreren op louter kille feiten.2 Die benadering kan bij de Holocaust niet. De feiten zijn er om lering uit te trekken. De feiten moeten verbonden worden aan het uit alle macht willen voorkomen van een nieuwe genocide. Van Goethem doet dat moeiteloos en dat is in de Nederlandse verhoudingen onzichtbaar. Katja Happe schreef in haar boek Veel valse hoop over de Nederlandse volksaard die van invloed zou zijn geweest op de Jodenvervolging in Nederland. Maar geen enkele Nederlandse historicus kan daar iets mee, ‘de Nederlandse volksaard’. Geen enkele historicus wil er zelfs een poging toe wagen. Dat is natuurlijk ook drijfzand, en onherroepelijk komen we dan uit bij de houding van de schurftige hond.

Van Goethem stapt evenwel moeiteloos over al dergelijke bezwaren heen. Bijna achteloos. Vanzelfsprekend. Een historicus met een hart.

Gerton van Boom, uitgever

 

1 Deze term heb ik ontleend aan een column van Max Pam in de Volkskrant van 2 juli 2019. Hij hanteert de term overigens voor het vaak laffe Nederlandse buitenlandbeleid en diplomatie.

2 Ik heb deze blog vooraf aan de heer Van Goethem voorgelegd. Hier plaats hij de volgende voetnoot:

‘Tussendoor in dit verband iets over wat u hogerop schreef i.v.m. déjà vu en effectbejag: wil ook u niet op zijn Hollands de emotie uit het debat halen?

Precies om wat u hièr schrijft laat ik ook slachtoffers zo zien, de ene na de andere, zoals inderdaad ook de herinneringscultuur wil doen. Ik denk dat dit een noodzakelijke component is in de analyse van extreem massageweld (al kan het blijkbaar dus gaan vervelen en storen). Maar je kunt niet volstaan met een kille analyse van de mechanismen (die ik dus meer bloot leg dan men in Nederland doet). Je moet tevens de slachtoffers laten zien, want ook dat is noodzakelijk ‘om lering uit te trekken’: door te laten zien dat elk van hen een mens van vlees en bloed is, met elk van hen een eigen verhaal met hoop en verwachtingen.

Het eindeloze defilé van slachtoffers mag niet gaan vervelen. Maar dat was wat net wel gebeurde (b.v. gewenning bij de politieagenten) en nog steeds gebeurt. Laat het dan maar vervelen, zo vind ik. Ik wil vervelend zijn, zeker en vast.

Wat dat déjà vu betreft ook dit: anders dan in Nederland is in België dit soort verhalen over Joodse slachtoffers uit het eigen land weinig bekend. Verklaring: 80% van de Joden had de Nederlandse nationaliteit en was ingeburgerd; er waren dus na de oorlog vele Nederlanders die dan toch maar belangstelling opbrachten en de verhalen gingen traceren in hun dorp, hun wijk, hun straat. In België ging het vooral om vreemdelingen, arme paupers, ‘vuile Joden’. Nadien werden ze helemaal vergeten en uitgewist. Nou, ik zit helemaal in een debat. Ik hou op. Groet!’

 

 

Meer lezen? Hierna is een artikel opgenomen van Herman Van Goethem over de administratieve collaboratie in België. Interessant is ook de podcast op www.deburen.eu van vrijdag 7 juni 2019. Op YouTube is ook een aardige lezing van de auteur te zien, Boekvoorstelling ‘1942. Het jaar van de stilte’ van Herman Van Goethem en LangZullenWeLezen Herman Van Goethem in De afspraak 11 02.

 

De meanders van de administratieve collaboratie in België tijdens WO II

Herman Van Goethem

De collaboratie in België tijdens WOII wordt sterk geassocieerd met Oostfrontstrijders, met rechtse politieke groeperingen (Rex, VNV, Verdinaso…) en met oorlogsburgemeesters afkomstig uit die partijen. Het is ook mogelijk om de collaboratie vanuit een andere hoek te bekijken, met name die van het dagdagelijkse overheidsbestuur (administratie en gerecht), zoals dat overal ten lande werd gevoerd, van Aarlen tot Oostende.

Zulke niet-politieke analyse legt niet enkel andere klemtonen maar komt ook tot andere vaststellingen.

Dé moeilijkste dossiers waren wel de bestrijding van het verzet en de Jodenvervolging. Met het eerste kregen alle arrondissementen en vele steden en gemeenten wel te maken, het andere beperkte zich vooral tot Antwerpen-Brussel-Luik-Charleroi en in mindere mate ook Gent, Oostende enz. In welke mate mocht/moest het Belgische bestuur meewerken? We zullen deze dossiers bespreken vanuit de hiernavolgende gegevens.

De reglementen van de Haagse Conventie uit 1907 zetten regels uit voor het bestuur van een bezet gebied. Het uitgangspunt is de permanentie van de nationale instellingen, die een samenwerking tussen het bezettingsleger en de nationale overheden noodzakelijk maakt op twee domeinen: de ordehandhaving en het ‘herstel van het publieke leven’. In 1914-1918 ontwikkelde zich in bezet België een praktijk van verregaande institutionele samenwerking met de bezetter, waarbij ook van Belgische zijde de Haagse Conventie zeer ruim werd geïnterpreteerd. Het ging daarbij vooral om niet-politieke zaken, zoals het bestrijden van criminaliteit of het herstel van de publieke infrastructuur. Het Belgische staatsapparaat werkte zo mee aan de uitvoering van Duitse bevelen en verordeningen, ook wanneer ze op ingrijpende wijze tegen de Belgische wetgeving ingingen. Het Hof van Cassatie aanvaardde zulks zelfs expliciet in een arrest uit mei 1916! Vanaf februari 1918 kwam het echter tot een clash: uit protest tegen de Duitse Flamenpolitik legde de Belgische magistratuur collectief het werk neer. Dat leidde in de daaropvolgende maanden tot een grote desorganisatie van het land.

In de jaren 1930 was het de Belgische regeringen duidelijk dat men lessen moest trekken uit het verleden. De ruime interpretatie van de Conventie van Den Haag uit 1914-1918 werd bevestigd, onder meer in het Mobilisatieboekje (1936) dat elke ambtenaar in bezettingstijd meekreeg. Daarin stond onder meer aangaande ambtenaren: ‘Indien zij door den inval worden verrast, mogen zij den overweldiger generlei weerstand bieden. (…) Indien de bezetter zulks vereist, mogen zij, bij geschrifte, uitdrukkelijk de verbintenis aangaan hun ambt nauwgezet en trouw te blijven uitoefenen en niets te doen en alles te laten dat schadelijk zou zijn voor het vijandelijk bestuur in het bezet gedeelte van het Belgisch grondgebied.’ Een wet van 10 mei 1940 bepaalde uitdrukkelijk welke ambtenaren bij een bezetting ter plaatse moesten blijven om het staatsapparaat (administratie, gerecht) in stand te houden.

Wat echter indien de bezetter het spel niet correct speelde? Een collectieve staking zoals die van de magistratuur tussen februari en november 1918 was klaarblijkelijk geen optie meer. Het Mobilisatieboekje legde de verantwoordelijkheid nu bij de individuele ambtenaren. Vroeg de bezetter iets wat strijdig was ‘met de plicht tot getrouwheid jegens het Vaderland’, dan moest de betrokken ambtenaar zijn medewerking weigeren. In geval van twijfel diende hij schriftelijk het advies van zijn hiërarchische overste vragen en dan moest hij zich schikken naar dat advies. De praktijk echter zou uitwijzen dat de ambtenaren overal op elk niveau deze geïndividualiseerde verantwoordelijkheid trachtten te ontlopen. Zo kwam het tijdens de bezetting frequent voor dat hogere ambtenaren gewoon niet antwoordden op de schriftelijke vragen om advies. Het werd uiteindelijk een ‘eenieder voor zich’, waarbij de uiteindelijke beslissing ook duidelijk verschoof naar het lokale niveau (de procureurs des konings, de burgemeesters), dat veel aan macht en invloed won. Het dient daarbij benadrukt dat de bezetter zelf de Belgische ambtenaren erg veel ruimte gaf om administratieve medewerking te weigeren op grond van de Conventie van Den Haag.

In heel België begon dus vanaf mei 1940 een intense administratieve samenwerking tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter, vooral op het vlak van de ordehandhaving. Ze betekende onder meer dat Belgische politie en rijkswacht overal ook op verzoek van de bezetter overging tot het opleiden en aanhouden van personen en deze aan hen overleverde. Het betrof, zoals in 1914-1918, vooral apolitieke medewerking, inzake kleine en grote criminaliteit. Gaandeweg begon echter duidelijk te worden dat de bezetter ook politieke oogmerken nastreefde. Wat bijvoorbeeld indien de bezetter de medewerking van het Belgische gerecht vroeg bij het opsporen van verzetslui die aanslagen gepleegd hadden? Dit was een uitermate moeilijk probleem.

Tegelijk speelde het volgende mee. De Belgische medewerking was niet enkel op gang gekomen in het kader van de ruime interpretatie van de Conventie van Den Haag uit WOI. Doordat men rekening hield met een Duits overwicht in Europa na de oorlog, tolereerde de Belgische administratie ook op al zijn niveaus, met instemming van de secretarissen-generaal en dit tenminste tot diep in 1941, Duitse maatregelen die de Conventie manifest schonden.

Het eerste grote dossier van een overal ingeburgerde doch manifest illegale medewerking met de bezetter, betrof de anti-Joodse verordeningen. Een nauwkeurige lectuur van teksten en adviezen uit het najaar van 1940 toont aan dat de medewerking daaraan toen de principiële en expliciete instemming kreeg van de hoogste Belgische autoriteiten (secretarissen-generaal, Raad van Wetgeving). In gans het land werkten de lokale overheden dus ‘loyaal’ mee (Antwerpen, Brussel, Luik, Charleroi, of bijvoorbeeld ook Jette en Philippeville); niet zelden gingen ze daarbij ook verder dan wat de Duitsers vroegen. Voor zover thans geweten, was er tot aan de Jodendeportaties (augustus-september 1942) geen wezenlijk verschil in de houding van de diverse gemeentelijke overheden in België tegenover de manifest illegale Jodenverordeningen.

De andere grote illegaliteit betrof een verordening uit maart 1941 van de VNV’er Romsée over de pensionering op 60 jaar. Daarmee deed de Nieuwe Orde een greep naar de macht. Belangrijk is dat de Belgische hoogste overheden niét protesteerden tegen deze manifest illegale maatregel die ook niet door de Haagse Conventie kon worden verantwoord. Men verleende er integendeel overal expliciet zijn medewerking aan.

De enige uitzondering betreft Brussel, waar burgemeester Van de Meulebroeck als protest tegen deze ‘ouderdomsverordening’ einde juni 1941 op spectaculaire wijze ontslag nam. Daarmee begon in dat arrondissement langzaam het tij te keren. In juli begon de Brusselse procureur des konings moeilijk te doen bij ‘aanhoudingen’ op vraag van de Duitsers. Vermoedelijk groeide er vanaf de zomer van 1941 in het arrondissement Brussel onder de ambtenaren en magistraten meer en meer een anti-Duits klimaat. In de loop van 1942 was het in dat arrondissement niet meer ‘normaal’ om op vraag van de bezetter individuen aan te houden, zeker niet wanneer het om collectieve arrestaties ging.

In het najaar van 1942 keerde overal het tij: het Reich voerde de verplichte tewerkstelling in Duitsland in, wat zowat overal in België grote ‘administratieve onwil’ uitlokte, zoals ook gewapend clandestien verzet. Bovendien keerden de Duitse oorlogskansen vanaf de herfst van 1942 (El Alamein oktober 1942, Stalingrad december 1942-januari 1943).

Het Belgische overheidsapparaat werkte globaal genomen niet meer mee, de enige ambtenaren die nog, nu meer dan ooit, de Duitsers bleven dienen waren de Nieuwe-Ordegezinden. Ze kozen voor een verdere samenwerking, enerzijds uit overtuiging, anderzijds ook omdat er voor hen, door hun openlijke politieke engagementen, geen weg terug meer was.

Ook de Belgische regering in Londen bekende nu openlijk kleur door een strenge repressiewetgeving die – de chronologie is geen toeval – pas in december 1942 werd uitgevaardigd, waardoor enerzijds de bestuurlijke collaboratie tot dan toe werd toegedekt, anderzijds die samenwerking naar de toekomst toe onmogelijk werd gemaakt (‘willens’ meewerken werd vervangen door ‘wetens’ meewerken met de vijand).

Literatuur

Van Goethem, H., “La Convention de La Haye, la collaboration administrative en Belgique te la persécution des Juifs à Anvers, 1940-1942“ in: Cahiers d’Histoire contemporaine – Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 2006, p. 117-197.

Van Goethem, H. (eds.), Local Government and Collaboration in Occupied Europe, 1939/1940-1945, Gent, Academia Press, 2006.

Gepost op

Holocaust is hot! – 18 december 2018

Holocaust is hot!

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 21 januari 2019

September en oktober 2018 hebben een rijke oogst aan interessante Holocaustboeken opgeleverd. De media hebben er op grote schaal aandacht aan besteed. Bart van Es, hoogleraar Engelse literatuur in Oxford, schreef Ver-geet-mij-niet. Over het verborgen leven van een Joods meisje (Uitgeverij De Bezige Bij) en kwam samen met onderduikster Lien haar verhaal toelichten in Pauw. In het boekenpanel van DWDD werd het nieuw vertaalde boek De reiziger van Ulrich Alexander Boschwitz, die wist te ontsnappen aan de pogroms van de nazi’s, warm aanbevolen. Paul van Vliet was te gast bij DWDD voor zijn nieuwe boek Brieven aan God en andere mensen (Uitgeverij Balans) en las een ontroerend gedicht voor: aan Japie Groen (mijn joodse vriendje uit de derde klas lagere school). Jan Brokken schreef De rechtvaardigen. Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde (Uitgeverij Atlas/Contact) en was te gast in VPRO Boeken. De Nederlandse vertaling van Sasha Pechersky. Holocaust Hero, Sobibor Resistance Leader, and Hostage of History (Sasha Pechersky. Het relaas van de Russische soldaat die de opstand van Sobibor leidde, Uitgeverij Prometheus) van Selma Leydesdorff werd onder andere in het Nieuw Israëlitisch Weekblad beschreven omdat het 75 jaar geleden is dat Sobibor werd opgeheven.

Het boek dat de meeste aandacht kreeg was natuurlijk De bokser. Het leven van Max Moszkowicz van Marcel Haenen (Uitgeverij Querido). Verschillende tv-programma’s besteedden er aandacht aan. De geschreven pers heeft er ook massaal over bericht. En passant werd er ook nog even (terecht) door de familie Moszkowicz een controverse de wereld in geslingerd door de stadshistoricus van Maastricht (Paul Bronzwaer) te beschuldigen van antisemitisme.

Aline Pennewaard schreef een indringend boek over (on)menselijke morele dilemma’s: Van kleermaker tot kapo. De oorlog van een Duits-Joodse vluchteling (Uitgeverij Nieuw Amsterdam). Uitgeverij Atlas Contact vertaalde het boek van Auschwitz-overlevende Hédi Fried waarin zij antwoord geeft op de vragen die we moeten blijven stellen om herhaling van de Holocaust te voorkomen (Vragen die ik kreeg over de Holocaust). De Telegraaf wijdde een hele pagina aan Harry & Sieny. Overleven in verzet en liefde (Gibbon Uitgeefagentschap).

Theo Gerritse publiceerde zijn geweldige dissertatie over supernazi Rauter. Himmlers vuist in Nederland (Boom Uitgevers). Waarschijnlijk zal ik aan dit boek apart aandacht besteden als ook de Nederlandse vertaling van Arthur Seyss-Inquart und die deutsche Besatzungspolitik in den Niederlanden (1940-1945) van Johannes Koll verschijnt.

Tot slot stuitten we op een vertaling van Klaus Manns roman De vulkaan en namen we kennis van De orde van de dag van Éric Vuillard, over de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland. Ook vermeldenswaard is de (enigszins) tegenvallende nieuwe Netflix Original Movie Operation Finale over de ontvoering van Adolf Eichmann uit Argentinië. In Tuschinski keken we naar de nieuwe Russische speelfilm Sobibor. Ook tegenvallend, maar dat is niet opmerkelijk, omdat de film propagandistische elementen heeft die de Russische bijdrage aan de opstand benadrukken. Ik vrees dat het medium film zich per definitie niet leent voor het verhaal van de Jodenvervolging. Te expliciet of gruwelijk is niet goed en te weinig expliciet komt alleen artistiek over. Bijna altijd wringt het genre zich ongemakkelijk in de lens. Als het gaat om bewegend beeld is en blijft de Holocaust het domein van de documentaire, uitzonderingen daargelaten. De interviews die gemaakt zijn met Holocaustoverlevenden voor het Shoah Institute van Steven Spielberg (Visual History Archive® van de USC Shoah Foundation) hebben een veel grotere zeggingskracht dan bijvoorbeeld een film als Schindler’s List. Denk ook aan de onvolprezen documentaire Shoah van Claude Lanzmann.

Dus binnen anderhalve maand verschijnen, over het algemeen bij grote uitgeverijen, twaalf boeken die de moeite waard zijn. En dit zijn alleen de in Nederland verschenen boeken. De buitenlandse boeken laat ik achterwege. Een rijke oogst dus. En het is nog niet eens Holocaust Memorial Day (bevrijding van Auschwitz door de Russen op 27 januari 1945). Laat staan 4 mei, als traditioneel de oorlog en de Jodenvervolging intensief worden herdacht. De datum 4 mei is bij uitstek geschikt om een boek over de Shoah uit te geven. Grote aandacht lijkt dan verzekerd, hoewel dat ook weer niet altijd het geval is. Er verschijnen dan zoveel boeken dat verschillende publicaties ondersneeuwen en niet de aandacht krijgen die ze zouden verdienen. Maar nu beleefden we de maanden september en oktober en was er eigenlijk geen directe aanleiding om zoveel boeken over de Holocaust te verwachten. Wat is er aan de hand? Of is er niets nieuws aan de hand en wordt de al lang ingezette stijgende belangstelling voortgezet? Of is er slechts sprake van een kleine, incidentele en toevallige opleving?

Eerst nog een paar opmerkingen vooraf, voordat we de vraag trachten te beantwoorden. We scannen de media en boekpagina´s natuurlijk ook op andere publicaties over de Tweede Wereldoorlog. En wat blijkt? In dezelfde periode zijn er veel minder boeken over de algemene geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, de oorlogsgeschiedenis, verschenen. En dat terwijl door het Platform Herinnering Tweede Wereldoorlog 2018 gebombardeerd was tot het Jaar van Verzet! Dat bevestigt het feit dat, naar mijn mening, de Holocaust de Tweede Wereldoorlog definitief in aandacht heeft verslagen. Dat proces was natuurlijk al langer gaande en kan met verschillende wapenfeiten bevestigd worden. Een blik op het programma van het Verzetsmuseum Amsterdam voor het eerste halfjaar 2019 is veelzeggend: alle vijf lezingen en activiteiten hebben betrekking op de Jodenvervolging en niet op de oorlog of bezetting zelf. Marga Minco, schrijfster die onwrikbaar geassocieerd blijft met de indrukwekkende en beklemmende onderduiknovelle Het bittere kruid, kreeg (nu het nog net kan!) op 98-jarige leeftijd de P.C. Hooftprijs 2019 uitgereikt. Maar er zijn onnoemelijk veel voorbeelden.

Betekent deze ontwikkeling, waarbij de Holocaust de beeldvorming van en over de Tweede Wereldoorlog domineert, dat we onze belangstelling, verbazing, verontwaardiging en woede over de oorlog en het thema goed en fout aan het verliezen zijn en dat we onze belangstelling, verbazing, verontwaardiging, woede en onbegrip over de Sjoa in stand houden en uitbreiden? Het lijkt erop dat het antwoord op deze vraag bevestigend moet zijn.

Voordat we trachten te analyseren waarom dat gebeurt, moeten we tegelijkertijd wijzen op verschillende onderzoeken die het afgelopen jaar zijn verricht en het beeld lijken te vertroebelen, nuanceren, problematiseren of tegenspreken. Al jaren wijst het CIDI op het toenemende antisemitisme in Nederland en de rest van de wereld. Het EU-agentschap voor Fundamentele Rechten (www.fra.europe.eu) heeft een zorgwekkend rapport gepubliceerd. Negen op de tien Joden in Europa hebben het gevoel dat antisemitisme de afgelopen vijf jaar is toegenomen. Vijfentachtig procent van de ondervraagden beoordeelde antisemitisme als het grootste sociale of politieke probleem in hun land. Dertig procent gaf aan het afgelopen jaar te zijn lastiggevallen vanwege hun Joodse achtergrond. Ongeveer tachtig procent doet hiervan geen aangifte omdat dat toch niets zou uithalen. Een op de drie respondenten zei Joodse gebouwen en evenementen te mijden omdat zij zich daar onveilig voelen. Ruim een derde gaf aan emigratie naar Israël of Amerika te overwegen vanwege antisemitisme.1 De Tweede Kamerleden Segers (CU) en Yeşilgöz (VVD) bereiden een wetsontwerp voor om antisemitisme in Nederland tegen te gaan. Tevens is er een nieuwe stichting in het leven geroepen om antisemitisme te bestrijden: Stichting Antisemitisme Preventie.

Intussen woedt er een discussie over het accepteren van de definitie van antisemitisme zoals deze is voorgeschreven door de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA). De definitie luidt als volgt: ‘Antisemitisme is een zekere perceptie van Joden, die geuit kan worden als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht aan Joodse en niet-Joodse personen en/of hun bezittingen, aan instellingen van de Joodse gemeenschap en religieuze voorzieningen.’ Dit is een brede definitie en volgens sommige politieke partijen maakt deze formulering kritiek op Israël onmogelijk. De IHRA heeft deze definitie onderbouwd met voorbeelduitingen en dat maakte de discussie niet helderder. Bewust of onbewust onjuiste beweringen over Israël zouden namelijk ook onder de definitie van antisemitisme vallen.

Naast het toenemende antisemitisme en de discussie over de definitie van antisemitisme moeten we ook kijken naar onze kennis van de Holocaust. In de zaterdagbijlage van de Volkskrant van zaterdag 8 december 2018 over de dood van Selma Wijnberg, de laatste Nederlandse overlevende van Sobibor, (waarin overigens het boek Selma van Ad van Liempt hardnekkig niet genoemd werd) lezen we het volgende: ‘Eind november presenteerde de zender [CNN – GvB] een omvangrijke enquête onder Europeanen waaruit bleek dat een op de drie volwassenen weinig tot niets weet van de Holocaust. Een op de twintig weet zelfs niet wat het is.’2

In juni 2018 is er door het ministerie van VWS een onderzoek van Marc van Berkel (verbonden aan de lerarenopleiding Geschiedenis en het Kenniscentrum Kwaliteit van Leren van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen) gepresenteerd. Het betreft een onderzoek naar de basiskennis van jongeren over de Tweede Wereldoorlog onder ruim 1500 scholieren in het voortgezet onderwijs en mbo. De kennismeting leverde een krappe voldoende op. Een minderheid weet wat collaboratie, verzet of nationaalsocialisme inhouden. Een derde van de jongeren weet niet wat het begrip Holocaust inhoudt. Meer dan de helft van de geënquêteerde jongeren kent het begrip antisemitisme niet; wat genocide is weet 67% van de respondenten niet. Slechts 28% weet dat een groot aantal van de omgekomen Joden in Oost-Europa leefde. De overgrote meerderheid van de jongeren denkt dat er in Nederland aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog veel meer Joden woonden dan daadwerkelijk het geval was.3 Zijn deze uitkomsten schokkend? Het roept in elk geval wel de dringende vraag op hoe het Nederlandse onderwijs de Holocaust behandelt. Zijn deze uitkomsten over de kennelijk tekortschietende basiskennis acceptabel als we ons realiseren dat Nederland de Declaration of the Stockholm International Forum on the Holocaust uit januari 2000 heeft ondertekend waarin staat dat educatie over de Shoah een belangrijk en verplicht onderdeel van het curriculum moet zijn?

Onderzoeker Van Berkel merkt nog wel op dat de basiskennis van de Holocaust beter is dan over andere historische thema’s zoals de Napoleontische bezetting en de Tachtigjarige Oorlog. Onderwijs over de Jodenvervolging moet, volgens Van Berkel, leiden tot meer zelfreflectie van de leerlingen. Van Berkel is inmiddels op dit onderwerp gepromoveerd en er valt natuurlijk meer over te zeggen. Zo scoort het feitelijke gedrag van de leerlingen veel beter dan de basiskennis. 75% vindt herdenken belangrijk, 86% houdt zich aan de twee minuten stilte, 10% besteedt geen aandacht aan de herdenkingen en 80% heeft wel eens een museum of herinneringscentrum bezocht. 70% meent dat er lessen kunnen worden geleerd van de Tweede Wereldoorlog. Het Holocaustonderricht moet aansluiten bij drie belangrijke thema’s, te weten 1) schending van mensenrechten, 2) schending van de rechtsstaat (voorkomen dictatuur) en 3) internationale samenwerking. Daarnaast moet aangesloten worden bij de belevingswereld van de jongeren. Dat betekent waarschijnlijk games, strips en interactieve lesstof. Iedereen is het eens met Marcus Tullius Cicero: ‘Niet op de hoogte zijn van wat zich voor je geboorte heeft afgespeeld, is altijd een kind blijven.’4

Terug naar de kernvraag. Waarom neemt de belangstelling voor de Jodenvervolging eerder toe dan af? Ik zou hier twee verklaringen voor willen geven. Ten eerste is er sprake van toenemend nationalisme en de opkomst van de sterke man. Iedereen kent het rijtje: Trump, Xi Jinping, Poetin, Erdogan, Bolsonaro, Orbán en Assad. Trump voert een economische strijd tegen China, Europa, Rusland en de rest van de wereld. De navo-bondgenoten voeren hun bewapening op omdat ze niet meer zoals in het verleden kunnen vertrouwen op hun Amerikaanse suikeroom. Trump en na hem andere Amerikaanse presidenten zullen alles in het werk stellen om hun politieke en economische belangen te verdedigen. En met het opkomende China is dat dweilen met de kraan open. De geschiedenis heeft laten zien dat wereldmachten zich niet zonder slag of stoot zullen uitleveren aan opkomende machten. Poetin verdedigt zich wanhopig tegen de oprukkende Europese Unie. Hij probeert terug te vechten in Oekraïne, maar krijgt meer navo-troepen aan zijn grenzen. Dat lijkt nog onschuldig maar de bewapening gaat door, gefinancierd door dezelfde Europese landen die Russisch gas kopen. Ook wordt Poetin meer en meer door Trump in de armen van China gedreven. De overige sterke mannen willen hun partij meeblazen, maar wat ze allemaal gemeen hebben is het gegeven dat ze primair nationalistisch zijn, zich meer terugtrekken en de belangen van hun eigen land nastreven en daarbij hoofdzakelijk rekening houden met de eigen meerderheidsgroepen waardoor minderheden zwakker zijn komen te staan. Nationalisme en het bevoordelen van de eigen clientèle hebben ook gevolgen voor de Europese Unie. Polen, Hongarije, Italië en Groot-Brittannië (Brexit) handelen voornamelijk uit eigenbelang. Aan een internationaal, gezamenlijk belang wordt minder waarde toegekend. Veel landen trekken zich dus terug op eigen erf en de bewapening neemt overal toe. De minderheden komen zwakker te staan. Dat lezen we elke dag in de krant en we voelen dat het niet de goede kant op gaat. En dan hebben we het nog niet eens over de klimaatproblematiek, waar de Verenigde Staten en China zich onttrekken aan hun verantwoordelijkheid op basis van economische motieven. De grootste vervuilers kiezen zonder schroom voor hun economisch eigenbelang op korte termijn. De volgende generaties doen niet terzake. De solidariteit in de wereld neemt af.

Tal van publicaties lijken deze stelling (‘de terugkeer van het nationalisme laat de potentiële oorlogsballon weer oppompen’) te onderschrijven. Men leze Vrede en oorlog van Jonathan Holslag, WARning 2020 van Ingo Pieper (gratis te downloaden op www.global4cast.org) en De nieuwe zijderoutes van Peter Frankopan. Lees straks ook Russische ravage van Helga Salemon. Voor het tegengeluid kan ik Naar de bliksem, maar nu nog niet. Over het hedendaags doemdenken aanbevelen van historicus en optimist Ronald Havenaar. Hij keert zich in zijn boek tegen cultuurpessimisme, doemdenken, alarmisme, hopeloosheid en apocalyptische visioenen van onwrikbare lijnen van de neergang. Hij wijst ons op onze veerkracht.

De angst voor het opkomende nationalisme, protectionisme en de groter wordende oorlogsdreiging geeft een onderhuids gevoel dat het met de wereld weer de verkeerde kant op gaat en dat dit, misschien wel onbewust, leidt tot meer aandacht en nadruk op de Holocaust en de lessen van deze genocide. De Shoah is namelijk begonnen als antisemitisme en geëxplodeerd in en door de Tweede Wereldoorlog. En oorlog komt er weer, wat een nieuwe genocidale explosie dichterbij brengt.

Maar een afdoende, solitaire verklaring is dit niet omdat de Holocaust als object van belangstelling en verontwaardiging al sinds het Eichmann-proces (1961) bezig is aan een gestage opmars. Ik denk dat we deze toenemende belangstelling het beste kunnen verklaren vanuit de psychologie en de biologie, de tweede verklaringsgrond. De Shoah herbergt alle tegenstrijdige menselijke facetten en daarom willen we er graag meer over weten. We willen graag gechoqueerd worden. We kijken graag naar de donkere kant van de medemens, bij voorkeur van de ander. De musea en herinneringscentra zijn erop ingericht. Ze vertellen het verhaal waarbij één boodschap blijft hangen: wat was het verschrikkelijk, dat mag nooit meer gebeuren, wat waren de nazi’s slechte mensen en dat zou bij ons niet opkomen of mogelijk zijn! Maar waren het alleen de nazi’s?

De Holocaust vertegenwoordigt de eeuwenoude en onoplosbare innerlijke tweestrijd van de mens: het conflict tussen de subjectieve begrippen goed en fout. Hoe konden ogenschijnlijk doodnormale mensen bewust andere mensen zoveel leed aandoen zonder gewetenswroeging? Welke knop moeten we omzetten om de onnoemelijke ellende van de ander (de Joden) niet te voelen? De daders waren niet slechts een paar psychopathische nazi-criminelen. Ze werden overal en op grote schaal actief geholpen.5 Macht, welvaart, angst, hebzucht, wantrouwen, haat, afgunst, de strijd tussen eigenbelang en algemeen belang, de strijd tussen goed en fout, meewerken uit lijfsbehoud of behoud van werk en inkomen, ben ik dapper of bang, houd ik mijn rug recht of kijk ik weg, recht of onrecht; het zit in ieder mens. We worstelen er allemaal mee, van tijd tot tijd en in meerdere of mindere mate. De Holocaust was de scherp uitvergrote wanverhouding van al deze emoties en gevoelens. De een zijn dood is… Het is allemaal heel herkenbaar en invoelbaar. We weten allemaal dat deze tegenstellingen geweldig ‘schuren’. En het is voor elk mens een zoektocht hoe hij of zij hierin staat. Hoe sterk sta jij in je schoenen? Zou jij ook dapper zijn en een onderduiker opnemen als je tevens jezelf en je gezin in gevaar brengt? Zou je als ambtenaar meewerken aan de registratie van een minderheid terwijl je weet dat van deze informatie misbruik wordt gemaakt ten nadele van deze minderheid? In hoeverre moet je solidair zijn met medeburgers die bedreigd worden? Moet er een straf komen op passiviteit? Zou je als politieagent mee kunnen werken aan het ophalen van Joden als je een gezin moet onderhouden en je vreest je baan te verliezen? In hoeverre laat je je chantabel maken? Zou je als spoorwegmedewerker moeten meewerken aan het deporteren van Joden, terwijl het bekend was dat ze slechts een enkeltje kregen? Heb je het recht om zwak te zijn en je te verschuilen achter de regels van overheid of werkgever? Wanneer moet je opstaan en sterk zijn? Ieder voor zich en God voor ons allen! Moet je solidair zijn? Of mag je alleen aan jezelf denken? Of moet je primair aan jezelf denken? Mag je goederen of onroerend goed in gebruik nemen of je toe-eigenen van Joden die toch niet meer terugkomen? In hoeverre moeten we ons neerleggen bij een politieke, economische of feitelijke realiteit als een hogere macht (de Duitse bezettingsmacht) niet te stoppen lijkt? Wanneer en op welk vlak is meewerken met een vijand toegestaan? Waarom moeten burgers solidair zijn met bedreigde Joden als de hoogste ambtelijke gezagsdragers bij afwezigheid van de gekozen politieke leiding voorschrijven netjes mee te werken met de bezetters. Ambtenarij, politie, spoorwegen, notarissen, advocaten en rechtspraak; vrijwel iedereen collaboreerde (meer of minder actief), bijna iedere Nederlandse gezagdrager maakte zich bereidwillig ondergeschikt aan de nazi’s die een grootschalige criminele organisatie leidden en zich schuldig maakten aan institutioneel antisemitisme en genocide.6 Om erger te voorkomen, heette het, maar dat is keihard gelogenstraft. De tol die hiervoor betaald werd waren de levens van Joden. Zij werden opgegeven; nevenschade. Dat was in de oorlog het ‘heersende politiek realisme’! En als dat (helemaal niet koosjere) politieke realisme er toch is, kunnen we dan maar niet beter er het beste van maken en kijken of we nog een graantje kunnen meepikken? Jouw profijt verandert immers niets aan het politiek realisme. Voordat je het weet gaat een ander er met de buit vandoor. En is het feitelijk niet altijd zo gegaan in de wereldgeschiedenis? Het was toch een dog-eat-dog waar je het beste van moest maken? Eten om niet gegeten te worden. Zorgen dat je aan het diner aanzit om te voorkomen dat je op het menu komt! Cynisch? Ja, maar dat is altijd zo geweest. En dat zal ook altijd wel zo blijven. Altruïsme is leuk maar ‘eerst komt het vreten en dan de moraal.’ Zoals Bertolt Brecht al schreef in de Driestuiversopera?

We willen graag goeddoen. Dat geeft een prettig gevoel, maar het heeft natuurlijk wel zijn grenzen. En waar ligt deze grens? Waarom hebben we niet in het Wetboek van Strafrecht laten opnemen dat iedereen verplicht is solidair te zijn met bedreigde medeburgers? En pal te staan voor het leven van de buurman ook al kost je dat je leven. Waarom is er geen straf gezet op passiviteit en wegkijken? Niets doen is ook een keuze (Sartre). Het antwoord op deze vraag is simpel: Omdat dat ons niet uitkomt. We willen natuurlijk wel bij een bank blijven werken en een bonusje meepakken, ook al worden er elders mensen gedupeerd. Zo zitten wij in elkaar. Survival of the fittest. En al deze zaken komen op een indringende, wringende, schurende manier samen bij de geïndustrialiseerde moord op de Joden. Het lijkt dan wel dat meedoen, helpen, je eigen hachje redden, profiteren, het geweten sussen, toegeven aan homofobie, het terzijde schuiven van ons schuldbesef negatieve eigenschappen zijn, maar het zijn ook kwaliteiten die de mensheid verder hebben geholpen en gezien kunnen worden als overlevingsdeugden. Er zit een beschermend element in, maar wel een element dat ten koste gaat van andere mensen, meestal van een minderheid.

De Holocaust ‘schuurt’ en blijft dat doen omdat we zijn opgegroeid in een christelijke, steeds veiliger wordende, wereld.7 Niemand bestrijdt de tien geboden. Iedereen probeert zijn kinderen fatsoen bij te brengen. We krijgen allemaal normen en waarden aangereikt en worden netjes opgevoed. Naastenliefde is een deugd. Wie goed doet, goed ontmoet. Heb uw naaste lief als uzelf. Pesten, antisemitisme, racisme, discriminatie, buitenlanderhaat, homohaat; niemand is geheel verschoond van deze misdragingen, al was het maar in de vorm van een grapje. Iedereen moet er, in meerdere of mindere mate, tegen vechten. Dat is onze eerste natuur. Naastenliefde is slechts onze tweede natuur. Onze beschaving is, na eeuwen van de meest gruwelijke oorlogen en misdragingen, nog steeds een flinterdun verschijnsel. Onze welvaart draagt eraan bij dat we ons in West-Europa redelijk gedragen, maar er is niet veel voor nodig om een nieuw omslagpunt te creëren (‘Willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?’). De belangstelling voor minder vriendelijk rechts-nationalisme is een teken, het internationaal groeiende nationalisme zou ons zorgen moeten baren. En de Holocaust is een spiegel die we elkaar graag voorhouden en het liefst willen wegduwen. We zijn ons er niet expliciet van bewust, maar we voelen het. Diep in ons hart kennen we de (basale kenmerken van de) psychopaat die zonder enige compassie en doelbewust andere mensen iets aandoet. We verbazen ons erover, we walgen ervan, maar we kennen de moordenaar, de dief, de kopgeldopstrijker, de ambtenaar die zich verschuilt achter de regels, de samenstellers van het menu.

Kortom, de Holocaust confronteert ons met ons ingebeelde zelfbeeld. We hebben een veel te florissant beeld van de menselijke natuur in het algemeen en de eigen persoon in het bijzonder.

Gerton van Boom

uitgever, g.vanboom@verbum.nl

 

  1. Micky Cornelissen, ‘Steeds minder veilig’, NIW 12, 2018.
  2. Rosanne Kropman, ‘De erfenis van Selma Engel’, de Volkskrant, zaterdagbijlage, 8 december 2018, pagina 3.

  3. Sarah Bremer, ‘Wat weten zij er nu van?’, Auschwitz Bulletin, jrg. 62, nummer 4, pagina 10.

  4. Marcus Tullius Cicero, Brutus. Orator. (In het Engels vertaald door G.L. Hendrickson en H.M. Hubell). Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press, 1939, p. 395.

  5. Lees hiervoor Europa tegen de Joden 1880-1945 van Götz Aly (Hilversum, 2019).

  6. Rob Bakker, Boekhouders van de Holocaust. Actief collaborerende ambtenaren (Hilversum, 2019, nog te verschijnen).

  7. Over de veiliger wordende wereld schreef Steven Pinker Ons betere ik, waarom de mens steeds minder geweld gebruikt, waarin hij op basis van uitgebreide statistische gegevens, tot de conclusie kwam dat de huidige mens met steeds minder geweld geconfronteerd wordt. Hij geeft hiervoor vier oorzaken: 1) de mens is gepacificeerd, 2) het beschavingsproces heeft zijn werk gedaan, 3) de humaniserende invloed van de Verlichting en 4) het feit dat na de Tweede Wereldoorlog er geen wereldoorlog meer heeft plaatsgevonden.

Gepost op

Van Auschwitz naar Hitler – zijn geheime autobiografie – 24 juli 2018

Van Auschwitz naar Hitler – zijn geheime autobiografie

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 24 juli 2018

Het is november 2017 en de voorbereidende werkzaamheden voor de herziene uitgave van Auschwitz. Stad, fabriek, vernietigingskamp van Robert Jan van Pelt en Deborah Dwork zijn in volle gang. Eind december, begin januari moet het boek verschijnen. Maar ik krijg Robert Jan niet te pakken; hij moet enkele zaken ophelderen en de laatste drukproef bekijken en goedkeuren. Ik krijg een korte e-mail: ‘Kom naar Madrid en we spreken de zaken door.’ Met enige verbazing neem ik de uitnodiging aan om bij de opening van de tentoonstelling Auschwitz. Not long ago. Not far away aanwezig te zijn. Ik meld me op donderdagmiddag 30 november bij het museum Centro de Exposiciones Arte Canal in de Spaanse hoofdstad op loopafstand van Santiago Bernabéu. Robert Jan loopt gestrest rond maar maakt toch tijd vrij voor een preview en een voorstelronde. Er wordt nog naarstig gewerkt aan de laatste details. Robert Jan heeft de afgelopen drie maanden als chief curator van de tentoonstelling en editor van de catalogus dag en nacht gewerkt aan deze tentoonstelling, samen met zijn vrouw Miriam Greenbaum en de belangeloze Spaanse geldschieter Luis Ferreiro (directeur van Musealia) die zo’n beetje zijn gehele familievermogen in de tentoonstelling heeft gestoken. Ook stelt hij me voor aan de andere experts zoals de curatoren Djamel Zeniti, Paul Salmons en Michael Berenbaum. Er zijn objecten bijeengebracht uit meer dan zestig collecties, museaal en privaat, van instituten als Yad Vashem, United States Holocaust Memorial Museum, Wiener Library, en bovenal het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau uit Polen. In totaal zijn er 600 originele objecten tentoongesteld. Het wordt een reizende tentoonstelling en de aftrap is in Madrid.

Opvallend aan de tentoonstelling is het gegeven dat de expositie zich niet primair ten doel stelt de bezoekers zich te laten verbazen over gruwelijkheden of hen op hardhandige wijze met de neus op de feiten te drukken, maar dat deze probeert iets duidelijk te maken, iets te leren. Daarnaast wordt de tentoonstelling afgewisseld met hele kleine, zeer persoonlijke items. De afschuw dient zich dan vanzelf aan. Er is een vierluik geconcipieerd, te weten de ontmoeting (met de Russische bevrijders), vóór Auschwitz, Auschwitz en na Auschwitz. De Russen nemen een belangrijke plaats in de tentoonstelling in.

Vooral het gedeelte ‘vóór Auschwitz’ is uitermate informatief over het ontstaan van de Holocaust omdat daarin wordt uitgelegd hoe het antisemitisme zich heeft ontwikkeld en hoe de Joodse gemeenschappen op de opkomst van het antisemitisme reageerden.

Het voordeel van de opzet is dat de bezoeker niet alleen gefrustreerd, boos en verontwaardigd het museum verlaat maar dat hij een en ander in de tijd en in perspectief kan plaatsen. En dat is een knappe prestatie, want de meeste Holocausttentoonstellingen lijken in de eerste plaats een griezeleffect te beogen en verontwaardiging op te willen wekken, misschien niet opzettelijk maar het heeft vaak dit wel als eindresultaat. Boosheid en onbegrip is dan het resultaat. De bezoeker gaat dan naar huis met de gedachte dat het allemaal verschrikkelijk was en dat dit nooit meer mag gebeuren. Daar is niks mis mee, maar dan blijft de tentoonstelling zogezegd halverwege steken, want met verontwaardiging alleen wordt de geschiedenis niet verklaard.

Er zijn een paar goede uitzonderingen op deze regel, zoals het Information Centre naast het Holocaust Memorial in Berlijn. Maar deze tentoonstelling in Madrid hoort ook in die categorie.

*

Overal waar ik kom ga ik op zoek naar Holocaustmusea. Dat is een afwijking van me, noem het beroepsdeformatie. De afgelopen tien jaar heb ik er daarom verscheidene gezien. Het dieptepunt was het Holocaustmuseum in Buenos Aires. Zelfs aan Eichmann was geen aandacht besteed en dat zou je in Argentinië toch wel verwachten.

Een van de hoogtepunten is dus deze tentoonstelling van de Nederlandse Auschwitz- en Holocaustexpert Robert Jan van Pelt. Hij heeft persoonlijke zaken opgenomen en objecten die ik nog nooit heb gezien. En dat komt niet zo vaak voor. Hoogtepunt, wat mij betreft, is een soort ganzenbordspel dat als doel heeft zoveel mogelijk Joden op te pakken en buiten de stadsmuren te zetten. Juden Rauß heet het spel, op de markt gebracht door een commercieel bedrijf (dus niet door de nazi’s), Günther & Co uit Dresden. De spelers zijn pionnen van de Duitse politie. Je gooit met de dobbelstenen en je hoopt op een Joodse winkel of een Joods bedrijf terecht te komen. Dan win je een lelijk Joods poppetje dat je de stad uit gooit. Wie zes Joden de stad uitgewerkt heeft en naar Palestina heeft gestuurd, heeft gewonnen.

Er zijn ook veel Nederlandse elementen aangebracht, zoals foto’s van Philip Mechanicus, de journalist die in Westerbork een dagboek bijhield (In Depot). Ook is het enige in Auschwitz geschreven dagboek tentoongesteld. Het gaat om het dagboek van de arts, gevangene, Eddy de Wind, Eindstation Auschwitz. Het is allemaal te veel om op te noemen. Misschien de enige voorzichtige kanttekening bij de expositie; het is veel. Als je alles goed wilt bestuderen en lezen moet je er meer dan drie uur voor uittrekken en dat zal, vrees ik, voor veel mensen een hele opgave zijn.

Ook heeft Van Pelt onderdelen geïntegreerd van een eerdere tentoonstelling op de Biënnale van Venetië in 2016, The Evidence Room. Voor deze tentoonstelling is een gaskamer deels nagebouwd. In ieder geval werden de gaskolommen opgenomen, waar de nazi’s het Zyklon-B in gooiden.

*

In eerdere blogs heb ik er wel eens over geklaagd dat Nederlandse historici in het internationale debat bijna geheel afwezig zijn. Ze lijken zich te hebben ingegraven in kleine Nederlandse deelstudies die voor het internationale Holocaustdebat minder tot de verbeelding spreken. Maar Van Pelt is daar natuurlijk een grote uitzondering op die overigens met groot gemak in Nederland genegeerd wordt.

Als hij me voorstelt aan Michael Berenbaum, een gezaghebbend historicus op het gebied van de Holocaust, vertelt Berenbaum hoe hij Van Pelt ‘ontdekt’ en geprotegeerd heeft. Tijdens een eerste ontmoeting heeft hij Van Pelt zonder aarzeling in een taxi gezet en naar Londen gestuurd om te adviseren in de zaak van Holocaustontkenner John Irving versus Deborah Lipstadt. Daar is later een boek uit voortgekomen (The Case of Auschwitz. Evidence from the Irving Trial) en de speelfilm Denial. Voor deze opdracht kreeg Van Pelt niet eens de tijd om naar huis te gaan en een koffer in te pakken. Zonder een schone onderbroek vertrekt hij naar Londen. Berenbaum herinnert zich, over schone onderbroeken gesproken, een anekdote over de arrestatie van Eichmann in Argentinië, waarbij hij aanwezig was, zei hij. Deze onverschrokken nazi en Schreibtischmörder was tijdens zijn arrestatie zo bang dat hij zijn broek volscheet. En dus ook geen schone onderbroek meer had.

*

Onder de 600 indrukwekkende artefacten bevindt zich ook een kleine vitrine met een dun groezelig boekje. Het is Adolf Hitler. Sein Leben, seine Reden, 1923 van Adolf-Viktor von Koerber. Het boekje kende ik niet en van de auteur had ik nog nooit gehoord. Ik lees het bijschrift:

‘Een biografie van Hitler, naar zeggen geschreven door Adolf-Viktor von Koerber, een bekende militaire held, gepubliceerd in 1923. Het boek vergeleek Hitler met Jezus en bombardeerde hem tot wegbereider van de Duitse opstanding. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat Hitler het boek zelf had geschreven, hetgeen aantoonde dat hij in staat en bereid was om zichzelf op onbeschaamde wijze te promoten wat leidde tot de Führercultus van de jaren dertig.’

Ik kijk naar Van Pelt en vraag hem of dit echt waar is. Hij lacht en zegt dat dit ongeveer een jaar geleden ontdekt is. Er is dus nog een boek door Adolf Hitler geschreven vóórdat hij Mein Kampf publiceerde! Ik vraag hem waarom dat niet bekend is. Hij lacht naar me en zegt: ‘Het is bekend, alleen is er in Nederland niet veel aandacht aan besteed.’

De volgende dag is de officiële opening met veel hoogwaardigheidsbekleders. Van Pelt en Berenbaum geven samen een rondleiding met een toelichting. Wat een energie en gedrevenheid heeft Van Pelt! Onvermoeibaar neemt hij de bezoeker aan het handje mee door de tentoonstelling. Na afloop praten we nog even na en spreken voor de volgende ochtend af in de lobby van ons hotel AC Cuzco. We maken afspraken over tal van zaken en nieuwe projecten zoals een omvangrijk boek over de commandant van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau: Dossier Höss. Over twee dagen vliegt hij naar zijn huis in Toronto en zal dan tijdens de vlucht de drukproef van Auschwitz doornemen.

Ik adviseer hem zijn memoires te schrijven. Wat deze man meemaakt is volgens mij uniek. Als er ergens in de wereld gesproken wordt over Auschwitz dan is hij erbij.

Ik vraag hem ook opnieuw naar het boekje van Adolf Hitler. Moeten we dat niet uitgeven? ‘Ja, dat is een goed idee,’ zegt hij. Hij geeft mij het e-mailadres van de ontdekker van het boek, zijn goede vriend Thomas Weber van de Universiteit van Aberdeen. Die ken ik van zijn boek over Adolf Hitler in de Eerste Wereldoorlog, een deskundige dus op het gebied van de Führer. Met een hoofd vol plannen en ideeën en met veelbelovende afspraken in de koffer die de impasse vlot hebben getrokken, vlieg ik weer naar Amsterdam.

Thuis gekomen mail ik Thomas Weber op 11 december 2017. Een dag erna volgt zijn antwoord:

Many thanks for your email. This all sounds really most interesting. I think it is a great idea to issue a translation of the Koerber book ahead of the publication of Mein Kampf in the Netherlands.

Many thanks also for telling me more about your publishing house. For me it would have been sufficient to know that Robert Jan thinks that you are the right publisher for this project. If Robert Jan thinks you are the right publisher you are the right publisher!

Dat horen we natuurlijk graag… In principe wil hij graag meewerken. Hij moet alleen met zijn agent overleggen of zijn medewerking aan dit boek zijn andere in het Nederlands vertaalde boeken niet in de weg zit. Dat blijkt niet het geval te zijn zodat we aan de slag kunnen. Ik begin met nader onderzoek en het nodige leeswerk en koop het meest recente boek van Thomas Weber, Becoming Hitler. The Making of a Nazi (2017), waarin hij een apart hoofdstuk aan het geheime boek van Adolf Hitler wijdt. Al bladerend in het boek kom ik een aanbeveling tegen:

In his briljant Becoming Hitler, Thomas Weber offers an original, well-documented, and enthralling account of how and why of Hitler’s rapid metamorphosis from zero to self-defined hero in the where of 1919 Munich – a city ripped apart by a short civil war and its vengeful aftermath. Becoming Hitler makes us rethink everything we thought we knew about the emergence of Hitler as a political leader.

Robert Jan van Pelt, University of Waterloo, Canada

Ja, nu weten we dus ongeveer hoe de hazen lopen.

*

Op 6 juni 2018 heb ik weer contact met Thomas Weber. Hij heeft het druk gehad, maar in de zomer heeft hij tijd om een inleiding bij de Nederlandse vertaling van Adolf Hitlers geheime eerste autobiografie te schrijven. In de tussentijd wordt het boek vertaald door de onvolprezen Rob Pijpers die onder andere ook het drieluik van Raul Hilberg voor mij heeft vertaald. En zo wordt een nieuw boek geboren. Een boek van Adolf Hitler. Een cruciaal boek.

*

Tien jaar eerder (3 oktober 2008) heb ik een poging ondernomen om Mein Kampf te vertalen en uit te geven, maar dat kwam veel te vroeg. Ik heb toen voor advies contact gezocht met prof. dr. D.J.G. Visser, hoogleraar intellectueel eigendomsrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden en als advocaat verbonden aan Klos, Morel, Vos en Schaap te Amsterdam (thans is hij werkzaam bij Visser, Schaap en Krijger te Amsterdam). Maar de heer Visser heeft geen zin en/of vertrouwt de zaak niet. Hij belt mij op en verwijst me naar strafrechtadvocaten Inez Weski, Jan-Hein Kuijpers of een andere verdediger van zware criminelen. Dat is eerlijk gezegd een ronduit beledigend advies en nog dom ook; alsof deze juristen verstand zouden hebben van auteursrecht. Of dacht hij soms dat hij met een rechts-radicale Holocaustontkenner te maken had die het blazoen van Hitler uit foute nostalgische overwegingen weer wil oppoetsen en feitelijk helemaal niet op zoek is naar een deskundige op het gebied van auteursrecht?

Na mijn eerste contact met Thomas Weber heb ik contact opgenomen met een goede advocaat, Arnout Groen (Hofman Alkema Groen te Amsterdam). Hij heeft een memorandum opgesteld om verschillende auteursrechtelijke zaken uit te zoeken. Een Nederlandse uitgave van een onbekend en geheim gebleven autobiografie van Adolf Hitler samengesteld door Adolf-Viktor von Koerber zou niet tot grote problemen moeten leiden, zoals ook de Nederlandse uitgave van Mein Kampf geen probleem (meer) is. Ik heb Mein Kampf in 2008 niet aangedurfd omdat de uitgave blijkbaar ongewenste reacties oproept en dat wil ik nu ook weer niet. Maar het historische feit blijft overeind staan: zonder Hitler geen Holocaust. Dat schreven we al op de achterkant van Hitlers Jodenhaat van Ralf Georg Reuth. Daarom is alles van en aan Hitler relevant en noodzakelijk om te publiceren. Een verbod is allang niet meer van deze tijd.

Gerton van Boom

uitgever

P.S. Op 25 juli 2018 ontmoet ik Robert Jan van Pelt weer. Op doorreis naar Doetinchem, waar hij zijn oude vader gaat bezoeken (nadat hij elders zijn dementerende moeder al heeft bezocht en voordat hij naar Madrid doorreist) tref ik hem bij de taxistandplaats bij het ‘centraal’ station van Hilversum. We lopen naar de Groest en lunchen bij Rex. We nemen de kroketten met bruin brood. En bestellen twee flessen water om de ergste hittegolf sinds tijden te trotseren. Hij vertelt enthousiast en energiek over de Auschwitz-tentoonstelling in Arte Canal. Het bezoekersaantal overtreft alle verwachtingen. Ruim 400.000 bezoekers hebben de tentoonstelling gezien. De organisatoren verwachten eind dit jaar (de tentoonstelling sluit in januari 2019) het aantal van 600.000 te hebben bereikt.

Er is veel belangstelling voor de tentoonstelling vanuit de hele wereld, met name de Verenigde Staten. De tentoonstelling gaat na Madrid naar New York. Het Museum of Jewish Heritage. A Living Memorial to the Holocaust naast Battery Park in Manhattan, New York heeft belangstelling getoond. Het zeshoekige gebouw (voor elke miljoen slachtoffers een hoek) moet de concurrentie aangaan met het United States Holocaust Memorial Museum in Washington en het Museum of Tolerance in Los Angeles. Het is de puissant rijke Newyorkse onroerendgoedondernemers, die Trump een kleine jongen vinden, en de machtige mannen van de Joodse lobby een doorn in het oog dat het belangrijkste Holocaustmuseum niet in New York staat, waar immers de meeste (en belangrijkste) Joden wonen. De board van het Jewish Heritage heeft Robert Jan van Pelt gevraagd om een sabbatical te nemen van twee jaar en curator te worden van de nieuwe Auschwitz-tentoonstelling in het Jewish Heritage. Daar heeft hij ja op gezegd en nu moet hij zich eerst werpen op het schrijven van een groot koffietafel-achtig boek over de geschiedenis van Auschwitz-Birkenau als een luxe tentoonstellingscatalogus. Tevens moet hij Holocaust-artefacten uit de Joods-orthodoxe kring in de collectie verwerken en een plan maken voor de inpassing van de Madrid-tentoonstelling in het zeshoekige gebouw. Ergens volgend jaar kan de tentoonstelling worden geopend.

Ja, wat moet hij nu met de kroket-etende eenpitsuitgever uit Hilversum? Ik toon natuurlijk begrip voor de situatie en feliciteer hem met zijn succes. Maar het betekent gelukkig niet dat we alle uitgeefplannen helemaal in de ijskast zetten. Het Dossier Höss-boek zal even moeten wachten, maar we kunnen wel werken aan een bundel artikelen. Daarnaast weet ik uit ervaring dat Robert Jan van Pelt een veel- en snelschrijver is. Dat boek voor de koffietafel heeft hij in een handomdraai af. Hij schrijft louter uit zijn fenomenale geheugen.

Ter afscheid geef ik hem een exemplaar van de tweedelige uitgave van Loe de Jong, waar hij heel blij mee is. Krom getrokken door de boeken loopt hij van de Groest naar het station.

Gepost op

Veel valse hoop van Katja Happe – 20 mei 2018

Veel valse hoop van Katja Happe

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 20 mei 2018

Twee weken na de boekpresentatie van Jodenvervolging in Nederland van Loe de Jong vertrekken we voor een weekje zon naar Moncarapacho in de Portugese Algarve. Dit is een goed moment om vakliteratuur bij te werken. Een noodzakelijk boek om te lezen is Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 van Katja Happe. Al jaren vraag ik mij af wie het nieuwe overzichtswerk van de Jodenvervolging in Nederland gaat schrijven. Na Herzberg, Presser, De Jong en Moore hebben we dringend behoefte aan een nieuw overzichtswerk waarbij alle recente onderzoeksresultaten en heersende trends en inzichten verwerkt zijn. Het boek van Moore is uit 1997 en De Jong legde de laatste hand aan Het Koninkrijk, waar de Jodenvervolging een onderdeel van was, in 1988. Hij begon in 1967 en heeft de nieuwe literatuur niet stelselmatig bijgehouden en verwerkt. Voorts heb ik altijd de mening gehuldigd dat de Nederlandse Holocausthistoriografie steeds meer tendeerde naar kloeke detailstudies en een welhaast niet te overbruggen reputatie-angst om de grote Loe uit te dagen. Kortom, alle seinen stonden op groen om een nieuw overzichtswerk met open armen te ontvangen. Het verwijt dat eerst een Brit (Bob Moore) en daarna een Duitse (Katja Happe) als laatsten een overzichtswerk van de Nederlandse Jodenvervolging hebben geschreven, schuiven we als een onterecht nationalistische aberratie ter zijde.

*

Katja Happe dus. In de zon zet ik mezelf aan het werk. Ik veeg de zonnebrand van de kaft en begin. Door de recensies in de nrc en de Volkskrant is de toon gezet. Jolande Withuis geeft in de nrc (‘Werk mee en voorkom erger’) de maximale vijf sterren en noemt het een meesterwerk. Ad van Liempt noemt het boek een overtuigende studie die goed leesbaar is gebleven en kent vier sterren toe in de Volkskrant (‘Katja Happe houdt de schaamte op peil’). De neiging is er dus om bij deze bewondering aan te sluiten. Immers, de recensenten hebben een grote reputatie op het terrein van de Tweede Wereldoorlog en zullen verstand van zaken hebben. Maar laten we, met het werk van Loe de Jong fris in het geheugen, een poging doen om het boek inhoudelijk kritisch te benaderen. Wat wordt door de auteur geclaimd en wat mogen we verwachten? De uitgever schrijft op de binnenflap: ‘Veel valse hoop is een nieuw alomvattend boek over het onderwerp. Niet alleen vanuit Nederlands oogpunt, de geschiedenis wordt ook bezien vanuit internationaal perspectief. Dit overzichtswerk zal de komende tientallen jaren het standaardwerk over de vervolging van de Nederlandse Joden zijn.’ Kortom, je moet wel een heel erg jaloerse concullega-uitgever zijn om dit werk te bekritiseren. Maar we gaan het toch doen, duty calls.

Tijdens het mini-symposium ‘De kloof tussen de geschiedschrijvers en hun publiek

– en de mogelijke gevolgen’ van 25 april 2018 geeft Froukje Demant (senior researcher van Nationaal Comité 4 en 5 Mei) aan wat een overzichtswerk kenmerkt: [het bezit -GvB] ‘[…] een ordenend principe, een narratief met een leidende vraag of expliciet geformuleerde of juist impliciete verwachting die niet altijd moreel gestuurd is.’ Ze heeft het over onderliggende, al dan niet morele principes. Een dergelijk ordenend principe zou de analyse van Hans Blom kunnen zijn als hij tracht te verklaren waarom de Jodenvervolging in Nederland mogelijk is geweest. Hij gaf in zijn Cleveringa-lezing aan dat de desastreuze Jodenvervolging deels mogelijk verklaard kan worden door het verschil in preoccupatie met de Jodenvervolging. De bezetters hadden heel veel belangstelling voor de Jodenvervolging en de Nederlandse bevolking heel weinig. (‘Hoe was het mogelijk? De Holocaust in de context van de Tweede Wereldoorlog’, Cleveringa-rede uitgesproken door prof. dr. J.C.H. Blom, Universiteit Leiden, 26 november 2010)

Maar een dergelijk of een ander ordenend principe is niet aanwezig in Veel valse hoop. Op geen enkele wijze wordt de Jodenvervolging verklaard. Hoe was het mogelijk? Waarom is het gebeurd? Waarom wilden de nazi’s met virulente agressie alle Europese Joden uitroeien? Waarom had de Jodenvervolging zo’n hoge prioriteit voor de nazi’s? In welke internationale context moeten we de Nederlandse Jodenvervolging plaatsen? De Nederlandse Holocaust is getalsmatig in het totale complex van de genocide bijna te verwaarlozen; het Nederlandse aantal slachtoffers bedraagt circa 1,7% van het totaal. Dit betekent dat in andere landen en andere regio’s een veel grotere moorddadige inspanning moet zijn geleverd dan in Nederland. Hoe verhoudt zich dan de Nederlandse Holocaust met de internationale? Door de auteur wordt geclaimd dat aan het internationale perspectief nieuwe elementen zijn toegevoegd, maar dat is niet waar, althans datgene wat is toegevoegd zijn onbelangrijke details van pogingen van machteloze instanties die vruchteloos brieven schreven en overleg voerden, met name met een onwillige regering in Londen. Maar de internationale context van de Europese Jodenvervolging (zeg maar het Hilberg- en Friedländer-perspectief) is bijna non-existent in dit boek. Af en toe wordt gemeld dat Seyss-Inquart, Rauter of een andere nazi overleg had met superieuren in Berlijn. We lezen niets over het eliminatie-antisemitisme, niets over Jodenvervolging als carrièremogelijkheid: ‘Den Führer entgegen arbeiten’. Intentionalisme versus functionalisme? Was de Endlösung (daderterm) een vooropgezet plan of heeft het zich geleidelijk aan ontwikkeld? Europa tegen de Joden is een belangrijk thema waar Nederland ook aan meedeed en zelfs koploper was in de bezette West-Europese landen. Kortom, als we nieuwe lezers inzicht willen geven in waarom en hoe de Holocaust in Nederland heeft kunnen plaatsvinden was een samenvattende beschrijving van de internationale Holocaust noodzakelijk geweest en daar zaten we na Herzberg, Presser en De Jong juist op te wachten. De Jong heeft veel meer geschreven over deze internationale context dan Happe.

Op pagina 16 wordt een van de kernvragen van het boek behandeld: Waarom juist uit Nederland zoveel Joden werden gedeporteerd en vermoord, terwijl Nederland niet bekendstond als een ernstig antisemitisch land. Happe geeft vijf verklaringen voor deze Nederlandse paradox, te weten:

  1. Effectiviteit van het Duitse bezettingsregime;
  2. Gezagsgetrouwheid van de Nederlandse bevolking;
  3. Onvermogen van Joden om te zien dat ze gevaar liepen;
  4. Beperkte mogelijkheid om onder te duiken of te vluchten;
  5. Combinatie van bovengenoemde factoren.

Los van de vraag of deze analyse adequaat is en of de belangrijkste historici deze analyse zouden delen (quod non) is het de vraag of hiermee voor iedereen duidelijk verklaard wordt waarom de Holocaust en de Jodenvervolging in Nederland hebben kunnen plaatsvinden. Met de belangrijkste historici bedoel ik onder andere Loe de Jong. Excuses daarvoor. Hij is van mening dat de passiviteit van de Joden in Nederland de passiviteit van de Nederlandse niet-Joodse bevolking heeft bevorderd of in de hand gewerkt. Dat is dus een vijfde verklaring die door Happe genegeerd wordt.

Daarnaast zijn recentelijk vele detailstudies verschenen over de rol van de burgemeesters, de Hoge Raad, de advocaten, de notarissen, de politie, gemeentebesturen (Jodenkaart Amsterdam en erfpacht), de Nederlandse Spoorwegen, beroving door Liro, banken en verzekeraars, makelaars en het bedrijfsleven (bunkerbouwers; een aannemer uit Enschede bouwde mee aan Auschwitz-Monowitz, schimmige vastgoedtransacties), het Rode Kruis en nog vele anderen. Allemaal hebben ze (vaak op grote schaal) gecollaboreerd, meegewerkt om, zogezegd, erger te voorkomen. Alle studies hebben duidelijke conclusies opgeleverd: de Nederlandse staat en zijn niet-Joodse inwoners hebben op grote schaal meegewerkt met de Duitsers en de Joden als collateral damage opgegeven. Deze ongemakkelijke conclusie had door Happe wel herhaald en samengevat mogen worden.

Opvallend is ook dat Happe dit thema (de Nederlandse paradox) in de inleiding aansnijdt maar verder niet systematisch of op een vernieuwende wijze uitdiept. Ze gaat niet nader in op de gezagsgetrouwe houding van de Nederlanders. Wat is dat toch? Geen nieuwe inzichten dus en ook nog gebrekkig! Zou ze als Duitse terughoudend zijn om de Nederlanders de maat te nemen met betrekking tot hun rol in de Holocaust? Ik hoop toch van niet.

Op pagina 19, we zitten nog in de inleiding, schrijft Happe wat we als nieuw mogen verwachten: ‘Maar ook voor hen (de Nederlanders) biedt dit boek, waarin de blik immers ook gericht wordt op de Nederlandse regering en de inspanningen van de internationale Joodse hulporganisaties, nieuwe feiten en inzichten.’ Het spijt me het te moeten zeggen, maar dit is niet waar, althans deze claim wordt door mij niet (wettig) overtuigend bewezen geacht. Ik zou zeggen: het staat bijna allemaal al in Loe de Jongs boeken. Er is niets nieuws onder de zon. De feiten die nieuw zijn kunnen maximaal als ‘feitjes’ worden aangemerkt en bepalen op geen enkele wijze de koers van de Jodenvervolging, het zijn op geen enkele wijze ‘game changers’.

Happe heeft beoogd een overzichtswerk te schrijven in circa 500 bladzijden, terwijl Loe de Jong 2750 bladzijden nodig had en bij hem zijn ook nog hiaten (een internationale oriëntatie op de Holocaust in zijn gehele omvang – zie boven) te ontdekken. Dus dat lijkt een onmogelijke opgave. Je leest op verschillende plekken ook dat het boek eigenlijk niet voor Nederlanders is geschreven maar voor het Duitstalige publiek. Apeldoorn is bijvoorbeeld een provinciestad. Een Nederlander weet natuurlijk wat Apeldoorn is. Dat is niet erg en zelfs begrijpelijk, maar het geeft ook precies aan wat het is, een samenvatting, een opwarmertje voor het grote werk.

*

De auteur heeft veel moeilijke keuzes moeten maken, dat moeten we erkennen, maar sommige knellen echt. Je kan in mijn ogen geen overzichtswerk over de Nederlandse Jodenvervolging schrijven zonder Etty Hillesum te noemen. Ze is er niet geweest, lijkt het, zelfs in de literatuuropgave is ze niet opgenomen. Dat kan niet. Minimaal een citaat van Etty Hillesum van 28 juli 1942 had vermeld mogen worden: ‘Het is natuurlijk nooit meer goed te maken, dat één gedeelte der Joden meehelpt om de overgrote rest weg te transporteren. De geschiedenis zal hier later haar oordeel nog over moeten vellen.’

Ook Weinreb is volledig afwezig. Het is misschien niet het belangrijkste onderwerp, maar Weinreb heeft de gemoederen danig beziggehouden, tot lang na de oorlog.

Ad van Liempt is coulant als hij er geen melding van maakt dat het systeem van kopgeld niet uitvoerig besproken wordt. Dit is mijns inziens een belangrijk onderwerp omdat het ook iets over de Nederlanders zegt. Voor een paar centen hebben veel Nederlanders moeiteloos onschuldige Joden de dood ingejaagd of op zijn minst in een heel lastig parket gebracht.

Ook houdt Happes beschrijving op bij de landsgrens. Loe de Jong schrijft er misschien te uitvoerig over, Happe veel te weinig, eigenlijk niet. Er wordt globaal uitgelegd wat voor soort kampen Auschwitz, Bergen-Belsen en Sobibor waren maar het leven in deze oorden behoort niet tot het bestek van dit overzichtswerk dat ‘de komende tientallen jaren het standaardwerk over de Jodenvervolging in Nederland’ is. De Jodenvervolging in Nederland hield niet op bij de grens, het moorden vond plaats in bezet Polen en Duitsland.

Wat ook karig aan bod komt is het antisemitisme in Nederland na de oorlog. Dat is het op een na meest schrijnende onderwerp van de Nederlandse Holocaust. De kilheid en eng-bureaucratische behandeling van de teruggekeerde Joden is nog steeds een ernstig en indringend leermoment voor Nederland. Het wordt kort behandeld door Happe, maar summier, te summier in mijn ogen. Het gesoebat over belastingen die nabestaanden van Joden die in de kampen vergast zijn hebben moeten betalen, en die tegen een fors opgetrokken muur van ambtelijke (en ook politieke) onwil opliepen. De oorlog na de oorlog is voor de Nederlandse Joden bijna even pijnlijk geweest. Het rapport-Van Kemenade (Tweede Wereldoorlog: Roof en Rechtsherstel. Eindrapport van de Contactgroep Tegoeden WOII, Amsterdam, 12 januari 2000), waarmee een voorlopig (voor met name de slachtoffers) onbevredigend einde kwam aan een vervelende situatie, blijft volledig onbesproken.

Een lijntje naar het ontstaan van Israël had ook getrokken mogen worden. Zonder de Holocaust was het ontstaan van Israël een stuk lastiger geweest en daarmee wierp de Jodenvervolging gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn schaduw over de naoorlogse wereldgeschiedenis, tot op de dag van vandaag. Een begrenzing aan de beschrijving van de gebeurtenissen tot 1945 is verdedigbaar, maar de latere gevolgen kunnen niet geheel onbesproken blijven.

Het boek Dat nooit meer van Chris van der Heijden staat ook niet vermeld in de literatuurlijst. Er zou iets gezegd kunnen worden over de geweldige groei van de belangstelling wereldwijd voor de Holocaust. Het onderwerp lijkt het belangrijkste van de Tweede Wereldoorlog te zijn en heeft deze grotendeels overschaduwd. Iets over het belang van Auschwitz voor de contemporaine politiek?

Ik vrees dat we aan deze lijst van tekortkomingen nog wel een aantal kunnen toevoegen. Je zou verwachten dat alle laatste inzichten verwerkt zouden zijn maar dat is helaas niet helemaal het geval. De Nederlandse Holocaustgeschiedschrijving heeft zich, zoals gezegd, geëvolueerd in de richting van gedegen detailstudies, en dat maakt een nieuw overzichtswerk relevant, maar dan moeten deze detailstudies wel verwerkt worden en daar missen we het een en ander. Met name missen we alle onontbeerlijke conclusies.

*

Een laatste punt waar ik melding van wil maken is de wetenschappelijke distantie. Nergens geeft de auteur haar mening, de lezer moet het helemaal zelf uitzoeken. Er worden geen morele, ethische of feitelijke oordelen gegeven en dat lijkt een grote prestatie (de wetenschap zal dit punt wellicht als positief aanmerken) maar het leest niet lekker, het verhaal blijft hangen. De lezer wordt, zogezegd, niet meer aan de hand meegenomen, terwijl de Holocaust tal van ethische dilemma’s herbergt die het benoemen waard zijn. Naast geschiedschrijving hebben we ook ons gevoel. Volgens Hans Blom zijn deze twee niet helemaal te scheiden. Maar Happe schrijft en de lezer mag of moet zelf maar oordelen. Haar credo luidt: Show, don’t tell. Vaak werkt dit principe goed, maar bij dit onderwerp is het te mager.

Is er dan helemaal niets goed aan het werk van Happe? Jawel natuurlijk, het is een goede, degelijke en goed leesbare (ietwat te afstandelijke) samenvatting, drie sterren van de vijf. Ik wil ook niets afdoen aan de verder lovende woorden van de twee genoemde recensenten, maar de gedroomde opvolger van Loe de Jong is het helaas niet, het is een goede samenvatting van o.a. zijn werk met enkele nieuwe (detail-)accenten, de meeste latere literatuur is grotendeels verwerkt (of beter: vermeld) maar resulteert evenwel niet in een nieuw beeld. Eigenlijk had Loe de Jong het meeste al gezegd. Veel valse hoop is, we melden het eerder, daarmee een goede opwarmer voor het grotere werk. En we verblijven nog steeds in afwachting van een nieuw overzichtswerk dat de nieuwe lezers in staat stelt de Jodenvervolging ook te begrijpen in zijn oorsprong, verbetenheid, nasleep en internationale context. Wie durft?

Gerton van Boom

uitgever

Gepost op

Loe de Jongs schuldbesef – 25 april 2018

Loe de Jongs schuldbesef

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 25 april 2018

Click here for English version

Vanaf 2004 geven we de reeks Verbum Holocaust Bibliotheek uit. Dus al veertien jaar struint deze uitgever stad en land af op zoek naar nieuwe of nog niet vertaalde boeken die het uitgeven waard zijn. De focus was altijd gericht op ‘nieuw’ of ‘nog niet vertaald’. Deze niet aflatende zoektocht leverde ook een grote bibliotheek op. Immers, je moet het bredere landschap kennen dat je bewandelt. En dit landschap is wijds en onoverzichtelijk, maar ook weer niet oneindig. Een veel gehoord kritiekpunt is dat er al zoveel gepubliceerd is, alles is toch bekend en aan het papier toevertrouwd? Ja, er is veel over verschenen, heel veel, maar ik ben ervan overtuigd dat nog niet alles bekend is en het definitieve geschiedbeeld van de Holocaust niet vast staat. Immers, dit geschiedbeeld verschuift ook in en door de tijd. Over honderd jaar zullen we waarschijnlijk weer anders tegen de Holocaust aan kijken en andere (definitievere?) antwoorden geven op de vraag hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Bijvoorbeeld, het daderbeeld van Raul Hilberg is nu al aan het verschuiven naar een veel breder daderbeeld dan alleen de nazi’s en handlangers van de nazi’s. Uitgeverij Verbum heeft daarom twee relevante nieuwe Duitse titels aangekocht van de historici Götz Aly en Christian Gerlach. Maar hier wil ik een ander punt aansnijden: die grote berg literatuur die steeds groter wordt. Nadenken over deze grote berg en de strooptocht naar nieuwe titels deden het besef postvatten dat veel goede en belangrijke boeken al uitgegeven waren en al lang niet meer heruitgegeven werden. Ze zijn soms nog wel in een bibliotheek te raadplegen of misschien tweedehands te koop, maar nieuwe generaties nemen er bijna geen kennis meer van. Ook denken mensen vaak dat een bestaand boek dat niet meer opnieuw wordt uitgegeven daarom dus zijn belang heeft verloren. En dat is natuurlijk niet zo. Althans, niet altijd.

Uitgeverij Verbum heeft daarom besloten bepaalde titels te herlanceren en te actualiseren en met een nieuwe omlijsting in de etalage te zetten. Het eerste voorbeeld is de bundel van Bettine Siertsema, Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 (Verbum: Hilversum, 2018). In deze bundel worden tien eerste getuigenissen van de Jodenvervolging opnieuw te boek gesteld en voorzien van een deskundige inleiding waarom voor deze titels is gekozen.

Er zullen nog meer uitgaven volgen in dit segment. In Depot van Philips Mechanicus is een tweede voorbeeld van een boek dat blijvend heruitgegeven moest worden. Ook dit boek is, dit keer in samenwerking met Herinneringscentrum Kamp Westerbork, opnieuw spellingstechnisch afgestoft en van een nieuw jasje voorzien.

Over de boeken van bijvoorbeeld Anne Frank en Etty Hillesum hoeven we ons geen zorgen te maken, die zullen hun weg naar de lezers en nieuwe generaties blijven vinden door de onverminderde massale aandacht ervoor. Het echelon van minder bekende auteurs heeft (onterecht) meer moeite de media-aandacht te behouden, als ze die al kregen. Het begint al bij de dagboeken van David Koker, die wel worden herdrukt maar de Engelstalige, wetenschappelijke (geannoteerde) versie komt in Nederland maar niet van de grond.

De boeken van Hans Wielek, Sam de Wolff, Eddy de Wind en E.A. Cohen (om er slechts een paar te noemen) verdienen ook hernieuwde aandacht. De interesse voor deze titels is tanende door gebrek aan belangstelling van de kant van uitgevers voor deze titels. En ja, het moet gezegd worden, deze selectie is meer voortgekomen uit geschiedkundige overwegingen dan commerciële. De literaire kwaliteiten van Anne Frank, Etty Hillesum, Philip Mechanicus en David Koker (ik ben niet volledig in deze opsomming) worden over het algemeen hoger aangeslagen, maar historiografisch doen de andere auteurs van het eerste uur niet voor hen onder.

*

Bovenstaande betreft evenwel een deel van de Holocaustliteratuur; het segment van de autobiografieën, herinneringen en memoires. Maar hoe is het gesteld met de Nederlandse professionele geschiedschrijving? In een eerder essay heb ik daar al iets over gezegd. Na Loe de Jong is de professionele geschiedschrijving een andere weg ingeslagen. Na de overzichtswerken (Abel J. Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong) heeft de geïnstitutionaliseerde geschiedschrijving zich in toenemende mate gespecialiseerd in lijvige deelstudies. Stuk voor stuk noodzakelijk, nuttig en interessant, maar het grote lezerspubliek duikt minder gauw in bijvoorbeeld een gedetailleerde wetenschappelijke studie over de rol van het notariaat bij de Shoah in Nederland van 600 bladzijden (Raymund Schütz, Kille mist). Of in een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking tussen Nederland, België en Frankrijk van 1050 pagina’s (Pim Griffioen & Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België). Goede, doorwrochte en belangwekkende studies, maar het brede publiek haakt af. Eén van de weinige wetenschappelijk verantwoorde boeken die wel een groter publiek bereikte, was de studie van Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust), maar zijn boek heeft ook veel discussie opgeleverd.

Een nieuw Nederlands overzichtswerk na Loe de Jong is er nooit gekomen. Loe de Jong publiceerde in 1988 zijn laatste passages over de Jodenvervolging in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, een boekwerk waar hij in 1967 aan begon. Daarna heeft, zoals gezegd, geen Nederlandse historicus het meer aangedurfd om een algemeen overzichtswerk te schrijven over de Jodenvervolging in Nederland. Niemand heeft het aangedurfd om de grootmeester te overtreffen of uit te dagen, of aangedurfd hiertoe een poging te doen. Afgelopen weken verscheen het boek Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 van Katja Happe, dat kwalificeert als een overzichtswerk, maar zij is een Duitse. Het op één na laatste overzichtswerk van de Engelsman Bob Moore (Victims and Survivors: The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945) stamt uit 1997. Dus de laatste twee overzichtswerken over de Jodenvervolging in Nederland zijn van de hand van twee buitenlanders. Zij hebben het wel aangedurfd. Maar is het wel een kwestie van durf?

Maar dit alles overpeinzend: wie heeft Het Koninkrijk of alle passages over de Jodenvervolging van Loe de Jong überhaupt helemaal gelezen? Wie heeft zijn geschiedbeeld van de Jodenvervolging overzichtelijk op zijn netvlies? Hij heeft een groot en omvangrijk werk nagelaten, maar wie heeft daar op handzame wijze toegang toe? In combinatie met de geplande revival van belangrijke dagboeken en memoires heeft Uitgeverij Verbum bij het niod het idee geopperd om de relevante passages over de Jodenvervolging uit Het Koninkrijk te bundelen en handzaam beschikbaar te maken. Ik heb hierover op 8 april 2016 toen een eerste e-mail gestuurd naar de interim-directeur Wiechert ten Have. Hij antwoordde per omgaande mail: ‘Dat is een interessant idee. Je bent aan het goede adres. Wel ga ik dit hier overleggen met de specialisten op dit gebied. Inhoudelijk is mijn eerste gedachte dat de teksten vanzelfsprekend wetenschappelijk hier en daar verouderd zijn. Natuurlijk zijn ze informatief en deel van een monument! Een goede inleiding zou dus inderdaad nodig zijn. Wellicht ook wat nadere toelichting.’

En aldus werd een project geboren. Wiechert ten Have werd enige tijd later opgevolgd door Frank van Vree en ook hij toonde zich geïnteresseerd. Voordat we van start konden gaan heb ik toestemming gevraagd aan de nabestaanden van Loe de Jong en ook zij waren voorstander van de geselecteerde heruitgave. Aan het werk dus!

Ongeveer twee jaar later is Jodenvervolging in Nederland, 1940-1945, twee delen, gereed, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het een groot en loodzwaar project was. Ik zal u besparen welke praktische problemen we hebben moeten overwinnen. Een van de grootste obstakels was de omvang. Ruim 2750 bladzijden telt het boekwerk. Een dergelijk boekwerk heeft Uitgeverij Verbum niet eerder uitgegeven. Een eerder, ook megalomaan project (voor een uitgeverij met de omvang van Verbum) was de vertaling van het magnum opus van Raul Hilberg, de grondlegger van de Holocaustgeschiedschrijving die nog steeds als toonaangevend gelezen en bestudeerd wordt en niet gauw zal verouderen. De vernietiging van de Europese Joden van Raul Hilberg was een driedelig werk van circa 1550 bladzijden. Loe de Jong was bijna het dubbele! (We voelen het nog steeds in de rug.)

In veel andere opzichten is het werk van Loe de Jong (dus sinds lang verstopt in Het Koninkrijk) vergelijkbaar met het werk van Raul Hilberg. Het was (is?) trendsettend, toonaangevend en nog niet overtroffen. Dat zijn natuurlijk grote woorden, waar deskundigen graag iets op zouden willen afdingen, maar slechts ten dele hierin zullen slagen. Ik zal hier evenwel geen analyse geven van de overeenkomsten tussen Loe de Jong en Raul Hilberg. Laat ik me hier beperken tot de constatering dat Loe de Jong het werk van Hilberg goed kende. Hilberg was een van de weinige historici op het gebied van de Holocaust die intensief door Loe de Jong is gelezen, geciteerd en gewaardeerd. Dus in de Nederlandse context hebben de twee een band en het was dus voor ons logisch dat deze twee bij eenzelfde uitgevershuis onderdak geboden zouden worden, ondanks het feit dat Uitgeverij Verbum qua bezetting eigenlijk te klein is voor dergelijke grote projecten.

*

Loe de Jong heeft in Het Koninkrijk in aanvang niet beoogd een zelfstandig werk over de Jodenvervolging te schrijven. Zijn beschrijving en analyse waren ingebed in het bredere verhaal van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Loe de Jong heeft over de Jodenvervolging dus ook niet zo’n brede analyse gegeven van het ontstaan en de oorzaak van de Shoah. Als zelfstandig werk zou het boek er dan ook anders uit hebben gezien, maar ik ben ervan overtuigd dat zijn motivatie en zijn oordeel dezelfde zouden zijn geweest. Het was ook wel altijd de wens geweest van Loe de Jong om er een zelfstandig werk van te maken, maar daar is het helaas niet eerder van gekomen.

Over zijn motivatie lezen we op pagina 2452 (hoofdstuk 19, ‘Hulp aan Joodse vluchtelingen’ – Ja, laten we maar direct wennen aan de nieuwe verwijzing en annotatie…) het volgende:

‘Ik heb, vind ik nu, te veel aan die eindoverwinning, te weinig aan de Joden gedacht. Ik heb, vind ik nu, mij met die Joden te weinig verbonden gevoeld en getoond.’

Door schuldbesef is dus het thema voor Loe de Jong loodzwaar geworden. Ook natuurlijk omdat hijzelf veel directe familie is kwijtgeraakt, waaronder zijn ouders en zijn tweelingbroer Sally.

Maar schuldbesef is één kant van de medaille. De andere kant van deze medaille is zijn oordeel. De boosdoeners en eindverantwoordelijken waren natuurlijk de Duitsers (of beter misschien: de nazi’s), maar de ‘grote held’ van zijn verhaal (elk verhaal heeft een ‘held’) is geen nazi (die waren veelal instrumenteel, soms intrinsiek fanatiek verdorven) maar een Nederlandse Jood, David Cohen, de voorzitter van de Joodse Raad. Op Abraham Asscher, medevoorzitter van de Joodse Raad, reageerde Loe de Jong doorgaans minder fel en afkeurend.

In zijn inaugurale rede van 21 september 1967 [‘Een sterfgeval te Auswitz’ voorzien van een deskundige inleiding door Boudewijn J. Smits – ‘Loe de Jongs loodzware thema’ – dit boekje heeft Uitgeverij Verbum als randprogrammering bij Jodenvervolging in Nederland opnieuw uitgegeven] voert Loe de Jong David Cohen in de allereerste zin op. Cohen en de Joodse Raad zaten hem hoog.

‘Wat men van het beleid van die Joodse Raad vernam of zag, versterkte het beeld van de onderdanige, serviele, laffe Jood.’ (pagina 1314, hoofdstuk 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’) Nauwgezet en omstandig fileert Loe de Jong het (achteraf) desastreus gebleken werk van de Joodse Raad. Cohen c.s. waren aanhanger van de door de Joodse Engelandvaarder R.A. Levisson eens geciteerde Bijbelspreuk uit Prediker: ‘Beter is een levende hond dan een dode leeuw.’ (pagina 2009, hoofdstuk 16, ‘Gedeporteerde Joden’) Dat was het beleid van de Joodse Raad: meeveren en meebuigen om erger te voorkomen in de veronderstelling (of hoop) dat de oorlog snel afgelopen zou zijn. Maar dat beleid heeft rampzalig uitgepakt. Om te beginnen heeft het de solidariteit binnen en buiten de groep verbroken. Binnen – door een bepaalde geselecteerde groep van Joodse Raad-leden trachten te beschermen tegen deportatie waarbij de arme Joden zonder vitamine-R (relaties) eerder kansloos waren. Cohen sprak van het zo lang mogelijk behouden van de belangrijkste mensen (Loe de Jong, ‘Een sterfgeval te Auswitz’, p. 31). Buiten – omdat het de buitenwereld toonde dat de Joden zelf er vrede mee zouden hebben. Waarom moeten wij, niet-Joden, de Joden helpen als zij zelf akkoord gaan met hun uitsluiting en daar zelf instrumenteel aan meewerkten? ‘De passiviteit in het Joodse milieu heeft in de loop van 1941 de passiviteit van het niet-Joodse in de hand gewerkt.’ (pagina 1259, hoofdstuk 11, ‘Deportaties, derde fase’) Dat was de redenering.

Daarnaast heeft het meewerken door de Joodse Raad het gevoel van eigenwaarde ernstig gefrustreerd. Beter een levende hond dan een dode leeuw? Dit was de eeuwenlange houding van de getto-Jood en deze houding heeft het antisemitisme nooit succesvol kunnen bestrijden, eerder in de hand gewerkt. De echte held van Loe de Jongs analyse is mr. L.E. Visser, de Joodse voorzitter van de Hoge Raad, die na zijn gedwongen ontslag (geen enkele hulp van mede-Hoge Raad-leden), predikte dat Joden principieel niet mochten samenwerken met de nazi’s omdat dat tot niets anders zou leiden dan verlies van alles inclusief eigenwaarde. Hij was ervan overtuigd dat alleen een principiële houding van non-collaboratie soelaas zou kunnen bieden. Hij was de tegenstander van Cohen en zijn Joodse Raad, maar hij bleef een roepende in de woestijn. Hij doorzag de smerige verdeel- en heerspolitiek van de nazi’s, maar de meesten hoopten in dit schaakspel er toch zelf goed uit te kunnen springen, de door het bestuur van de Joodse Raad geprotegeerde groep bevoorrechte gegoeden voorop. Loe de Jong spreekt van een ‘gewapende vrede’ tussen Cohen en Visser. Loe de Jong: ‘…, drong zich steeds sterker de overtuiging op dat de Joodse Raad afgleed naar een dienstbaarheid aan de bezetter die volstrekt in strijd was met de waardigheid die, aldus Visser, Joden dienden te betrachten.’ (pagina 589, hoofdstuk 7, ‘Naar het getto’)

Door het beleid van Cohen c.s. werd het, plat gezegd, ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke’. En achteraf weten we tot wat dit alles geleid heeft. Loe de Jong realiseerde zich terdege dat de ondergang van de Joodse bevolking waarschijnlijk zonder medewerking zich ook voltrokken zou hebben, maar dan in ieder geval met behoud van eigenwaarde en een minieme kans op solidariteit van de rest van de Nederlandse bevolking.

*

Een tweede angel in Loe de Jongs analyse van de Jodenvervolging betreft de houding van ambtelijk Nederland. Op pagina 881-882 (hoofdstuk 9, ‘Deportaties, eerste fase’) schrijft hij: ‘Ten aanzien van een mogelijke bescherming van de Joden of zelfs maar van pogingen in die richting liet met name de Nederlandse overheid volledig verstek gaan.’ ‘Waar vindt men in die bureaucratische rommel een vent die iets waagt?’ ‘Die is er niet.’ ‘Aldus Koos Vorrink over de hulp aan gedeporteerde Joden.’ Rapport van de Pakkettencommissie uit 1947: ‘Een tekort aan initiatief, durf en fantasie en een teveel aan formalisme en bureaucratie.’ Loe de Jong heeft het over ‘met schadelijke punctualiteit optreden’. En: ‘bedenkelijk formalisme’. ‘Wie vreest een misdadige overheid te dienen, heeft niet steeds de behoefte na te gaan of die vrees gerechtvaardigd is.’ (pagina 2208, hoofdstuk 17, ‘Terugblik’) Het beleid van ‘Londen’ ten aanzien van de Joodse vluchtelingen was ‘inhumaan’. Citaten te over…

Het laat zich dus raden dat de ambtelijke top, de secretarissen-generaal met Frederiks aan kop, er goed van langs krijgt. Elke keer komt hetzelfde beeld boven: meewerken om erger te voorkomen. Maar dat is helemaal niet gelukt, de ambtenaren konden of wilden niet onder ogen zien dat met de nazi’s meewerken (collaboreren) gelijk stond aan de dood van de Joden. Loe de Jong schreef het niet letterlijk, maar je hoort hem denken dat de Joden door ambtelijk Nederland zijn opgeofferd aan de bloeddorstige wolven, in de hoop zelf gespaard te worden. De Joden waren collateral damage, zijdelingse of onbedoelde schade.

Dit alles leidt ertoe dat we met Loe de Jong tot de conclusie komen dat de Jodenvervolging het resultaat is van een schromelijk gebrek aan solidariteit op allerlei niveaus, zowel persoonlijk als bestuurlijk, ook binnen de gevarieerde Joodse gemeenschap zelf. En dat is nog steeds de onweerlegbare waarheid waar de belangrijkste lessen van Holocaust op geënt moeten worden. Dit is wat wettelijk verankerd moet worden in een nieuw Landoorlogregelement, voorzien van een adequate strafmaat. Dit is de les die we op scholen er consciëntieus jarenlang moeten inhameren. Niet-solidair zijn moet een prijs hebben, solidair zijn moet iets opleveren en beloond worden. Dit moet de praktische uitwerking worden van ‘Nooit Meer Auschwitz’ en zal jaar in jaar uit gepredikt moeten worden door het Nederlands Auschwitz Comité en alle andere herdenkingsgremia en besturen van Holocaustmusea en herinneringscentra. Dit is niet wat Loe de Jong letterlijk heeft gezegd; het kan er slechts tussen de regels door uit gedestilleerd worden; dit is wat de auteur van dit essay privé vindt. Het is natuurlijk niet de conclusie van een professioneel historicus die zonder al te veel emoties zakelijk onderzoekt en redeneert. Het is immers geen conclusie, maar een aanbeveling en daarover gaat niet de historicus maar de politicus. Het beste is het nog als de bestuurder en de onderwijzer dit beleid vrijwillig en vol overtuiging zouden verweven met hun dagelijkse beleid en handelen.

*

Dit brengt mij tot mijn slotopmerking. Boeken over de Holocaust kunnen grofweg worden verdeeld in drie groepen: boeken die 1) beschrijven, 2) verklaren en 3) verontwaardiging opwekken. Natuurlijk zijn er ook vele mengvormen. De Jodenvervolging in Nederland van Loe de Jong is met name beschrijvend, hier en daar verklarend en de auteur is gepast, maar beslist verontwaardigd. Een mengsel van 1), 2) en 3) dus. De meeste boeken, met name de memoires, autobiografieën en herinneringen zijn ook een dergelijke mengvorm, meestal van 1) en 3). Er zijn weinig boeken die helemaal in categorie 2) vallen en daar slaagde ook Loe de Jong niet in. Waarschijnlijk heeft hij zich dit ook niet tot doel gesteld. Weliswaar minder dan bij Presser (Ondergang) is de Jodenvervolging en hoe de (Joodse en niet-Joodse) gemeenschap daarop gereageerd had ook voor Loe de Jong een open zenuw, die met wetenschappelijke distantie en zorgvuldigheid behandeld moest worden. En dat ging niet van een leien dakje.

Recentelijk hebben we nog de discussie kunnen volgen over de Nederlandse Spoorwegen. Holocaustoverlevende Salo Muller heeft gesteld dat de NS betaald is met geld dat de nazi’s onder andere van zijn ouders gestolen hadden. Met andere woorden, de vergaste Joden hebben hun eigen treinkaartje betaald. Dat wringt, zodat de voormalige Ajax-fysiotherapeut tegen de NS heeft geageerd en gesteld heeft dat ze dit geld moeten teruggeven. De NS waren in de oorlog een overheidsbedrijf dat volledig gecollaboreerd heeft met de nazi’s en zich nooit expliciet heeft afgevraagd waar deze Joden naartoe werden gedeporteerd en waarom ze niemand een retourtje hebben kunnen verkopen. Wat doet de NS nu met Salo Muller: een panna, een elleboogje, een kopstootje en weg is Salo Muller! Ze doen niet aan schadevergoeding. Ze doen niet aan excuses of boetedoening, geen schulderkenning. Ze betreuren natuurlijk wel heel veel. NS-directeur Roger van Boxtel wil dat zijn bedrijf zich blijvend bewust is van zijn rol tijdens de oorlog. Kortom, de NS gaat het Nationaal Holocaust Museum sponsoren. Het is goed dat zoiets gebeurt maar Van Boxtel geeft er wel blijk van dat hij er niets van heeft begrepen. Het enige wat wel zou hebben geholpen was een ruimhartig en openbaar mea culpa en schadeloosstelling aan de nabestaanden voor zover die er nog zijn. Als hij daarnaast ook nog het Nationaal Holocaust Museum zou hebben gesponsord was het helemaal goed geweest. Maar de aloude reflex van de overheid, waar Loe de Jong zich met onverholen afschuw tegen verzet heeft, blijft na al die jaren nog steeds in stand.

Het ergste is nog dat de directeur van het Joods Cultureel Kwartier waartoe het Nationaal Holocaust Museum behoort, Emile Schrijver, zich in het NRC Handelsblad van 3 april 2018 als volgt laat citeren: ‘Emile Schrijver,… , vindt het “ongepast, om nu nog steeds slechts met de ethische blik van goed en fout naar de rol van de NS te kijken”.’ Met andere woorden, het is niet langer gepast het toenmalige beleid van de leiding van de NS te bekritiseren. Is er een analogie met de handelwijze van de Joodse Raad tijdens de oorlog? Wordt hier verdeeld en geheerst? De ene groep een beetje geld geven voor het schoonwassen van het blazoen, en de andere groep niet? Ik vrees dat ze bij de NS nog niet van Salo Muller af zijn. En ik hoop vurig dat Schrijver verkeerd of onvolledig geciteerd is… Ik hoop dat hij aan de directie van de NS de eis gesteld heeft om ook de nabestaanden genoegdoening te geven. Ja, hij mag best met de NS samenwerken en door de NS gesponsord worden, prima zelfs, maar de ethische bril kan niet af bij de Shoah, nooit! Dat is nu weer handzaam te lezen bij Loe de Jong in zijn nieuwe (of oude?) boek.

Gerton van Boom
uitgever

Loe de Jong’s Conscience

Gerton van Boom, Uitgeverij Verbum, 25th April 2008

In 2004 we started with the publication of the Verbum Holocaust Bibliotheek (Verbum Holocaust Library) series. In the fourteen years since, Verbum publishers have been searching high and wide for new or untranslated books that are worth publishing. The focus was always on ‘new’ or ‘untranslated’. The ongoing search has also produced a large library. A knowledge of the broader terrain is necessary for such a journey, as the landscape, though not endless, is vast and difficult to survey.

A criticism that one often hears is that so much has already been published, surely by now all has been uncovered and put to paper? True, much has been published, a great amount, but I am convinced that all is not yet known and that the picture painted by history is not complete. Our viewpoint changes with, and through, time. In a hundred years the Holocaust will probably be looked at in a different light, giving other (more definitive?) answers to the question of how it was possible that the Holocaust could have happened. For instance, there is already a shift away from Raul Hilberg’s image of the perpetrator, towards a much broader inclusion of perpetrators than just the Nazi’s and their accomplices. In light of which, Verbum Publishers have purchased two new German volumes by the historians Götz Aly and Christian Gerlach. And here I would like to broach another point: the great mountain of writing which is still increasing in volume. Whilst contemplating the amount of work already published and at the same time searching for new works, the realization came that many good and important books had not been re-published for a long time. They may still be found in a library somewhere or perhaps purchased second-hand, but they are nearly out of the reach of new generations. It is often assumed that not re-publishing an existing book means that it has therefore lost its importance.  Which of course is not the case. Or at least, not always.   

Uitgeverij Verbum Publishers have therefore decided to re-launch and up-date certain volumes, and to showcase them again in a new presentation. The first of these is Bettine Siertsema’s volume: Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 (First Dutch Testimonies of the Holocaust**); Verbum, Hilversum 2018. It presents again in book form, ten of the first witness accounts of the persecution of the Jews, with an authoritative introduction explaining why these titles were chosen.

More publications in this section are to follow. In Depot (In Custody**) by Philips Mechanicus is another example of a book that must not go out of publication. In co-operation with Herinneringscentrum Kamp Westerbork (Camp Westerbork Memorial Centre), it too has been given a fresh presentation and the spelling has been modernised.

We need not worry about Anne Frank and Etty Hillesum’s books, as their continuing, immense popularity will ensure that they will always find their way to readers, now and in the future. The echelon of lesser-known authors, however unfairly, have difficulty in sustaining media attention, if indeed any attention was paid in the first place. Consider the diaries of David Koker. They have been re-published but the annotated, academic volume in English simply fails to reach publication in the Netherlands. Books also deserving of renewed attention are those by Hans Wielek, Sam de Wolff, Eddy de Wind and E.A. Cohen, to name but a few. Interest in these books is receding due to lack of attention from publishers; and, yes, it can be argued that the above selection is based more on historical importance than commercial considerations. Generally, Anne Frank, Etty Hillesum, Philip Mechanicus and David Koker (my list is incomplete) are attested greater literary qualities, but from a historiographic point of view the other first-generation authors carry the same importance.

*

The above only deals with part of the literature on the Holocaust; the autobiographies, recollections and memoires. But what about professional historical writing in the Netherlands? Something on which I have already commented in an earlier essay. After Loe de Jong, professional historical writing changed direction. Following on from the comprehensive works (Abel J. Herzberg, Jacques Presser and Loe de Jong), the established form of historical writing evolved into voluminous works dealing only with separate sections. Each one being necessary, useful and interesting. Yet they do not appeal to the broader public, who are reluctant to immerse themselves in 600 pages of detailed academic study on the role of the notary in the Shoah in the Netherlands (Raymund Schutz, Kille mist (Cold mist**)), or in the 1050 pages of scholarly comparison of the Netherlands, Belgium and France (Pim Griffioen & Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België (Persecution of Jews in The Netherlands, France and Belgium**)). Both good, thorough and important studies, but not to the taste of the broader public. One of the few academically sound books which did reach the broader public was the study by Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust (“We know nothing of their Fate.” Ordinary Dutch People and the Holocaust**)), but the book was controversial.

Following Loe de Jong, a new comprehensive Dutch work was never written. Loe de Jong published his final pages on the persecution of the Jews in 1988 in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (The Kingdom of The Netherlands during the Second World War**), a book which he had started to write in 1967. As already stated, no Dutch historian has ventured to write a comprehensive overall view of the persecution of the Jews in the Netherlands since that publication. No-one dared to challenge or better the great historian, nobody dared to even to think of trying. In recent weeks Katja Happe’s book has been published, Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 (Much False Hope. The Persecution of Jews in the Netherlands 1940-1945**), it qualifies as a comprehensive study, but she is German. The last comprehensive study before that was by the Englishman Bob Moore (Victims and Survivors: The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945) and published in 1997. So, the two most recent, comprehensive studies on the persecution of the Jews in the Netherlands were both written by foreigners. They dared to do so. But is it a matter of daring?

On reflection, how many people have even read Loe de Jong’s Het Koninkrijk from cover to cover? Who is able to visualize an overall picture of his image of the history of the persecution of the Jews. He left us a great and extensive legacy, but is it accessible in a practical sense? To coincide with the current planned revival of important diaries and memoires, Uitgeverij Verbum Publishers put to the NIOD the idea of gathering together the relevant passages on the persecution of Jews from Het Koninkrijk and making them available in a manageable format. In answer to my initial e-mail, of 8th April 2016, concerning this, Wiechert ten Have (NIOD interim-director) immediately returned the following mail:

‘That idea is certainly of interest. You have come to the right address. I shall have to put it to our own specialists in this field. My immediate thoughts are that the texts are, naturally, out-dated here and there in an academic sense. Of course, they are informative and part of a monumental heritage! A good introduction would therefore indeed be necessary. Possibly also a commentary.’

Thus, a project was born. Frank van Vree, Wiechert ten Have’s successor, also showed his interest in the project. Before we could start, I approached Loe de Jong’s family for their permission, and they too were in favour of the selection being re-published. Time to get started then!

Roughly two years on, the two volumes of Jodenvervolging in Nederland, 1940-1945 (The Persecution of Jews in The Netherlands, 1940-1945**) are ready, though it must be said in all honesty that it was a large and very difficult project. I shall spare you the details of the practical problems we needed to overcome. One of the biggest obstacles was the sheer volume of the work. It is more than 2750 pages long. Verbum have never before published such a large book. An earlier, similarly megalomaniac project (at least for a publisher the size of Verbum), was the translation of the magnum opus of Raul Hilberg, the founder of Holocaust historiography, who is still considered an authority to be read and studied today, and who will still be relevant for some time to come. The Destruction of the European Jews by Raul Hilberg numbers about 1550 pages and covers three volumes. Lou de Jong has nearly double that number of pages! (… our backs are still sore.)

In many other ways Loe de Jong’s work (kept for so long inside Het Koninkrijk) is similar to that of Hilberg. It was (is?) a trendsetter, sets the tone and is yet unsurpassed. These are of course big claims, and some scholars may beg to differ, but I stand by them. Yet I shall refrain here from an analysis of the similarities between Loe de Jong and Raul Hilberg and allow myself only to state that Loe de Jong was well acquainted with Hilberg’s work. Hilberg was one of the few historians in the matter of the Holocaust whom Loe de Jong appreciated, cited and read intensively. So, in the Dutch context the two have a connection and therefore it was only logical for us to offer both of them a place under the same publisher’s roof, in spite of the fact that Verbum really does not have enough staff to handle such large projects.

*

In Het Koninkrijk it was not Loe de Jong’s intention to write a separate work on the persecution of the Jews, but his analysis and account of it were an integral part of the broader story of the Netherlands during the Second World War. Therefore, in his handling of the persecution of the Jews, Loe de Jong does not present us with an in-depth analysis of the origins and underlying causes of the Shoah. As a separate work it would have been a different kind of book, although I am convinced that both his motivation and verdict would have been the same. It had always been Loe de Jong’s wish to publish a separate book on the subject, and it is unfortunate that it did not happen sooner.

We can read the following concerning his motivation on page 2452 (chapter 19, ‘Hulp aan Joodse vluchtelingen’ (Aid for Jewish refugees**) – Yes, we may as well get used to the new referencing and annotation as well…)

I was thinking too much about the ultimate victory, and not enough about the Jews, that is what I feel now”

I did not feel or express enough solidarity with those Jews, that is what I feel now”

Loe de Jong’s conscience thus made the matter a very heavy weight for him to bear. Also of course because he himself had lost many close family members, including his parents and his twin brother Sally.

Yet a heavy conscience is only one aspect. The other is his verdict. The perpetrators and those ultimately responsible, were of course the Germans (or rather the Nazi’s), but the ‘protagonist’, every story has one, was not a Nazi (who were mostly instrumental, at times inherently fanatically perverse) but a Dutch Jew, David Cohen, the chairman of the Jewish Council. Loe de Jong’s reaction to the assistant chairman of the Jewish Council, Abraham Asscher, was as a rule less fierce and less disapproving.

In his inaugural speech on 21st September 1967 *, Loe de Jong names David Cohen in the very first sentence. He was very angry with Cohen and the Jewish Council.

*Een sterfgeval te Auswitz (A death in Auswitz**) – complete with an authoritative commentary by Boudewijn J. Smits – ‘Loe de Jong’s loodzware thema’ (Loe de Jong’s leaden theme**) – this booklet was re-published by Verbum to accompany Jodenvervolging in Nederland (Persecution of Jews in The Netherlands**)

‘Whatever one has been told or learned about the Jewish Council’s policy, it strengthened the image of the servile, subservient, cowardly Jew.’ (page 1314, chapter 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’- Last phase of the Persecution of the Jews**) Elaborately and meticulously, Loe de Jong lays bare what proved to be (on hindsight) the disastrous work of the Jewish Council. Cohen and cohort believed in the biblical proverb taken from Ecclesiastes, cited by Engelandvaarder* R.A. Levisson: ‘A living dog is better than a dead lion.’ (page 2009, chapter 16, ‘Gedeporteerde Joden’ (Deported Jews**)) Such was the Jewish Council’s policy:  compliance and docility in order to avoid something more terrible, in the expectation (or hope) that the war would soon come to an end. But that policy had devastating results. To begin with, it destroyed the solidarity between those inside and outside the group. On the inside: by trying to protect a certain select group of Jewish Council members from deportation, the poor Jews who did not have any vitamin ‘C’ (contacts) were left with even less chance of survival. Cohen spoke of holding on to the most important people for as long as possible (Loe de Jong, ‘Een sterfgeval te Auswitz’, p. 31). On the outside: because it displayed to the outside world a seeming acceptance by the Jews themselves. Why should we, who are not Jewish, help the Jews if they themselves are compliant, and instrumental to cooperation in their own exclusion? ‘During 1941, the passivity within Jewish circles helped to encourage the passivity of those who were not Jewish.’ That was the reasoning (page 1259, chapter 11, ‘Deportaties, derde fase (Deportation, third phase**).

*Engelandvaarder = escapee to England during the Second World War

In addition, the cooperation of the Jewish Council seriously thwarted any feelings of self-respect. Better a dog alive than a lion dead? For centuries that had been the attitude of the ghetto Jews, and antisemitism has never been able to banish it successfully, it has rather reinforced it. The real hero in Loe de Jong’s analysis is L.E. Visser LL.M., the Jewish chairman of the High Council, whom after being ousted from his position (with absolutely no support from his co – members) called for conscientious Jewish non-cooperation with the Nazi’s, arguing that cooperation could only lead to losing everything, including self-respect. He was convinced that solace would only be found through an attitude of conscientious non-collaboration. He opposed Cohen and the Jewish Council but his was a voice crying in the wilderness. He could see through the Nazi’s dirty politics of divide and rule, but there were many who hoped at least to be able to save their own skins in that treacherous game, those who were well-off, privileged and protegees to the board of the Jewish Council in the lead. Loe de Jong speaks of an ‘armed truce’ between Cohen and Visser. Loe de Jong: ‘…, the conviction that The Jewish Council was sliding steadily further into subservience to the occupier became more and more apparent, a servility that was, according to Visser, completely contrary to the dignity that Jews should possess.’ (page 589, chapter 7, ‘Naar het getto’ (To the Ghetto**))

Cohen’s policy made it quite simply ‘each man for himself ‘. Looking back, we can see where this led. Loe de Jong was thoroughly aware of the fact that the downfall of the Jewish population would probably have occurred without this collaboration, but without it at least there would have been self-respect and a tiny chance of solidarity from the rest of the Dutch population.

*

A second sting in the tail of Loe de Jong’s analysis of the Persecution of Jews concerns the attitude of Dutch officialdom. On page 881-882 (chapter 9, ‘Deportaties, eerste fase’ (Deportation, first phase**)) he writes: ‘As far as the eventual protection of the Jews was concerned, or even a small step in that direction, the Dutch government, particularly, displayed a total absence of any action.’ ‘Where on earth in this bureaucratic mess can one find a man with guts?’ ‘There aren’t any.’ ‘Koos Vorrink’s words on the aid for deported Jews.’ Report from the Pakkettencommissie (Parcel Commission), 1947: ‘A shortage of initiative, daring and imagination and an overabundance of formality and bureaucracy.’ Loe de Jong speaks of ‘punctuality with damaging effects’. Also: ‘questionable formalisme’. ‘When a person suspects that the government they serve is immoral, they will not want to keep looking for proof that those suspicions are justified.’ (page 2208, chapter 17, ‘Terugblik’ (Retrospection**)) The ‘London’ policy regarding the Jewish refugees was ‘inhuman’; and many more quotes to that effect …

It is not surprising then that the cream of the civil service, and the secretary-generals headed by Frederiks, are not spared in the least. Again, and again, the same picture emerges: cooperation in order to avoid something more terrible. Yet it did not work out that way at all. The civil servants either did not or would not see that working with the Nazi’s (collaborating) meant death to the Jews. Loe de Jong did not put it into writing, but you can just hear him thinking that the Dutch civil service offered up the Jews to the bloodthirsty wolves, in the hope that they themselves would be spared. The Jews were collateral damage, an indirect and accidental loss.

This leads us to conclude with Loe de Jong that the Persecution of the Jews was the result of a gross lack of solidarity on many different levels, both personal and official, even from within the varied Jewish community itself. That is the unequivocal truth, and the most important lessons to be learned from the Holocaust should be based upon it. This is what needs to be legally embedded into a new Landoorlogregelement (Land Warfare Regulations), equipped with adequate penalties. This is the lesson that should be conscientiously hammered home in our schools, year in year out. Showing solidarity must be rewarded and honoured, and not showing solidarity must carry a penalty. This must become the practical result of ‘Nooit Meer Auschwitz’ (Auschwitz, Never Again); the Dutch Auschwitz Committee and all other commemorative bodies, boards of Holocaust museums and memorial centres should preach it year after year. This is not literally what Loe de Jong wrote; it can only be distilled out from between the lines; this is the private conviction of the author of this essay. Of course, it is not the conclusion of a professional historian who reasons and examines abstractly, with little emotion. It is after all not a conclusion, but a recommendation, and is the terrain of politicians, not of historians. Best of all would be for officials and teachers to embrace this policy fully and voluntarily and interweave it into their day to day policies and actions.

*

This brings me to my final comment. Books on the Holocaust can be divided roughly into three categories: books that 1) describe events, 2) explain events or 3) engender outrage about events. And of course, many books are a mixture. De Jodenvervolging in Nederland by Loe de Jong is mainly a description of events, but here and there it is gives explanations and the author is suitably, but clearly outraged. A mixture of 1), 2) and 3) therefore. Most books, especially the memoires, autobiographies and recollections are such mixtures, mostly of 1) and 3). Few books fall only into category 2), and neither does that of Loe de Jong. It is also unlikely to have been his aim. Although less so than with Presser (Ondergang), the Persecution of the Jews and how the (Jewish and non-Jewish) community had reacted were a raw nerve, which had to be treated with academic distance and care. But it was not an easy task.

More recently we have also had the controversy concerning the Nederlandse Spoorwegen (Dutch National Railways). Salo Muller, a survivor of the Holocaust, claims that the money used to pay the NS by the Nazi’s was stolen from citizens, including from his parents. In other words, the Jews who went to the gas chambers paid for their own train ticket. That is such a gross injustice that the former Ajax physiotherapist decided to take action against the NS and demand that they refund the money. During the war the NS was state owned and collaborated fully with the Nazi’s. No explicit questions were asked as to where these Jews were being deported and why nobody sold them return tickets. How did the NS react to Salo Muller: a nutmeg, an elbow thrust, a headbutt and they were rid of Salo Muller! The NS do not award damages. Neither do they apologise or do penance, nor do they accept blame. Of course, they find it all very regrettable. The director of the NS, Roger van Boxtel wants to ensure that his company never forgets its role during the war.  So: the NS will sponsor the National Holocaust Museum. That in itself is a good thing, but it shows that Roger van Boxtel has no real understanding of the issue. There should have been a mea culpa, a publicly declared deep regret, and compensation for the few surviving relatives. Sponsoring the National Holocaust Museum in addition would then have been acceptable. Yet the age-old reflex of Government, against which Loe de Jong rebelled with ill-concealed disgust, has still not changed, even now.

What makes it even worse is that Emile Schrijver, the director of the Jewish Cultural Quarter which is part of the National Holocaust Museum, allowed himself to be quoted in NRC Handelsblad, 3 April 2018: ‘Emile Schrijver, …, finds it “unbefitting, to continue applying merely the ethics of right and wrong when looking at the role played by the NS”.’ In other words, it is no longer appropriate to criticise the policy of the NS during the war. Is there an analogy here with the actions of the Jewish Council during the war? Is it a case of divide and rule? Ignoring one group altogether, while handing out money to another group in the hope of clearing your guilty conscience? I fear that the NS has not yet heard the last of Salo Muller. And I fiercely hope that Schrijver has been either misquoted or badly quoted …. I hope that he has also demanded satisfaction for the remaining relatives from the board of the NS. Yes, it is fine if he works with the NS and accepts their sponsorship, it is to be welcomed even, but putting ethical standards aside in regard of the Shoah, never! That is the message that can again be read in Loe de Jong’s, now more accessible, new (or old?) book.

** title translation of untranslated books

Gepost op

Raul Hilberg Symposium 18-20 oktober 2017

Raul Hilberg Symposium

18-20 oktober 2017

Click here for English version

Omdat ik me ingeschreven heb op de e-mailnieuwsbrief van het Institut für Zeitgeschichte (Zentrum für Holocaust-Studien) kreeg ik een uitnodiging voor een symposium over de pionier van de Holocaustgeschiedschrijving, Raul Hilberg, naar aanleiding van zijn tienjarige overlijdensdag. Omdat Uitgeverij Verbum het standaardwerk van Hilberg heeft uitgegeven en binnenkort ook de vertaling van zijn autobiografie The Politics of Memory (vertaald als Politiek van herinneren, Verbum 2017) zal uitgeven, was mijn belangstelling gewekt. Een deel van het symposium zou ook gaan over zijn autobiografie. Dat was voor mij aanleiding om de redactiereünie van Groniek (het studentengeschiedenisblad waar ik in 1986 mederedacteur van ben geweest) op 18 oktober 2017 gedecideerd te annuleren en me aan te melden voor de bewieroking en bekritisering van deze nukkige, Joodse, onbegrepen en lang verguisde en jarenlang genegeerde lone wolf van de Holocausthistoriografie.

Met de trein reisden we af naar Berlijn, waar het symposium gehouden werd in de saaie ambassadewijk ten zuiden van Tiergarten. De gastheer van het symposium was de Friedrich-Ebert-Stiftung in de Hiroshimastrasse. Het idee voor het symposium stamt van René Schlott van het Zentrum für Zeithistorische Forschung in Potsdam. De cooperating partners zijn University of Vermont (Hilberg was daar hoogleraar Politieke wetenschappen), het reeds genoemde Institut für Zeitgeschichte (IfZ) en het Fritz Bauer Institut; ondersteund door S. Fischer Stiftung, Freunde & Förderer, United States Holocaust Memorial Museum en het Jena Center Geschichte des 20. Jahrhunderts.

Als we de deelnemerslijst bekijken staan daar hoofdzakelijk grote namen op, althans overwegend belangrijke historici die zich met de Jodenvervolging en het nationaalsocialisme in Duitsland fulltime professioneel en wetenschappelijk bezighouden. Twee éminences grises van Holocausthistoriografie waren er ook, te weten Saul Friedländer en Christopher Browning. Daarnaast waren er, om een paar namen te noemen, Doris Bergen, Hilary Earl, Jürgen Matthäus en Peter Hayes uit de Verenigde Staten en Götz Aly, Frank Bajohr, Nicolas Berg, Christoph Dieckmann, Norbert Frei, Susanne Heim, Ulrich Herbert, Wulf Kansteiner, Harald Welzer en Michael Wildt namens het Duitse wetenschapsveld. Uit Israël was historicus met Nederlandse wortels, Dan Michman (Yad Vashem) aanwezig. Veel andere sprekers moeten helaas voor de beknoptheid hier onvermeld blijven. Opvallende afwezigen waren Wolfgang Benz, Peter Longerich en Dieter Pohl. Verschillende Amerikaanse kopstukken waren ook afwezig.

Welke onderwerpen kwamen aan bod? Hilberg en Wenen. De invloed van Franz Neumann en Behemoth op het theoretische kader van Hilberg. De discussies tussen Hilberg en Arendt. De drie versies van het standaardwerk van Hilberg. Herziening van Hilbergs conceptuele model voor de ontwikkeling van De vernietiging van de Europese Joden. Raul Hilberg, Philip Friedman en het vroege Holocaustonderzoek. Hilberg, de spoorwegen en de Holocaust. Hilbergs beoordeling van de Joodse Raden. Vrouwen in het werk en leven van Hilberg. Hilberg en de discussie over het Führerbefehl. Het innerlijke van de tekst van Hilberg (over zijn laconiek stijl). Narratieve analyse van het standaardwerk. Hilberg narratieve esthetiek. Uitgeefgeschiedenis van zijn standaardwerk. ‘I have never begun by asking the big questions.’ Hilberg en de Joodse slachtoffers. Hilberg en de documenten van de daders. Leren van de daders; Hilberg, Neurenberg en het ontstaan van zijn standaardwerk. Emigratie en onteigening in het werk van Hilberg. Te veel om allemaal te noemen.

Ik kan hier niet alle drieëndertig lezingen bespreken, ik zal me beperken tot mijn top 3, maar vooraf wil ik graag eerst een aantal zaken bespreken die mij waren opgevallen.

*

Er waren bijna geen sprekers uit andere landen dan Duitsland en de Verenigde Staten (met Michman en een historicus uit Zweden als enige uitzonderingen). Betekent dit dat deze twee landen het wetenschappelijke discours beheersen? Het lijkt wel zo. Geen Nederlander (Frank van Vree van het NIOD was als enige professionele historicus in de rol van toehoorder aanwezig), geen Belg, Fransman of Brit, althans geen van hen meldde zich in de discussies. Maar wat vreemder is is dat er niemand (behoudens een Duitse medewerker van Gedenkstätte Theresienstadt) uit Oost-Europa aanwezig was. Christoph Dieckmann haalde dat aan. Veel meer dan de helft van alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (en ook van de Jodenvervolging) vielen in het Oosten van Europa en nog meer Oost-Europese Joden vielen ten prooi aan de moordzucht van de Duitsers en lokale bevolking (tot de daders behoorden dus niet alleen nazi’s). Maar op dit symposium zijn de wetenschappers uit deze landen (waaronder met name Polen, Baltische Staten, Roemenië, Oekraïne en Rusland) volledig afwezig. Waarom? Leeft dit onderwerp daar niet? Voor de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust waren er al miljoenen slachtoffers gevallen (Holodomor en pogroms), maar er is geen historicus van enige naam of reputatie die deze onderwerpen op de kaart heeft gezet. De Amerikaanse historicus Timothy Snyder heeft dat moeten doen.

De verschillen in toon tussen de Amerikanen en de Duitsers waren ook opvallend. De Amerikanen redeneren en denken vaak helder en rechtstreeks van punt a naar punt b. De Duitsers maken, ook taalkundig, veel meer omwegen. Maar ik denk dat de Duitsers een beter inzicht hebben in de Duitse aard en geschiedenis, maar dat is soms ook belastend. Toen Dieckmann en Klein een grapje maakten over de verschillen tussen Duitsers en Oostenrijkers, moesten alle Duitsers hartelijk lachen, de Amerikanen begrepen de witz niet. Ik ben van mening dat dit terug te vinden is in de studies die deze wetenschappers laten verschijnen. De hedendaagse Duitse historici lijken makkelijker hun weg in de curiositeiten van de archieven te vinden dan de Amerikanen. De Amerikanen daarentegen zijn beter in staat een heldere verhaallijn te hanteren voor educatieve doeleinden. Logica en toegankelijkheid staan bij de Amerikanen op een hoger plan. Het Duitse werk lijkt doorwrochter.

Een derde observatie was dat het percentage Joodse historici sterk aan het afnemen is. Was voorheen de Holocausthistoriografie een veld dat gedomineerd werd door Joodse historici (Hilberg, Yahil, Bauer, Friedländer en anderen), momenteel zijn er bijna geen Joodse geschiedschrijvers op dit gebied meer toonaangevend. Betekent dit dat aanvankelijk dit vakgebied aan de Joodse geschiedschrijvers overgelaten werd, en nu door de tand des tijds meer distantie is opgetreden en de discussies minder emotioneel geladen en dus zakelijker zijn, de niet-Joodse historici (die tegelijkertijd ook geen directe slachtoffer genoemd kunnen worden) zichtbaarder durven of moeten worden? Een voor de hand liggende verklaring kan zijn dat er in Duitsland niet veel Joden meer zijn, dus zijn er ook bijna geen of helemaal geen Joods-Duitse Sjoa-vorsers meer, maar de Duitse universiteiten halen ze ook niet naar Duitsland toe. Hetzelfde geldt overigens ook voor Nederland. In het begin werd de Jodenvervolging opgetekend door Joden als Abel J. Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong. Maar zij leven niet meer en hun plaats is eigenlijk ook niet ingenomen door een nieuwe generatie Joodse geschiedschrijvers. Er zijn wel veel gedetailleerde en goede deelstudies verschenen, maar door gebrek aan ambitie of uitdaging, zijn er geen nieuwe Pressers opgestaan die het totaalbeeld durven schetsen en duiden. De historici die zich thans (toonaangevend) met de Jodenvervolging bezighouden zijn over het algemeen niet Joods. Ik signaleer deze ontwikkeling, maar wat is de relevantie ervan? Afnemende Joodse belangstelling? Alles is zo’n beetje al gezegd? Wetenschap ontwikkelt zich van de bestudering van grote thema’s naar kleinere vraagstellingen? Een noodzakelijke verzakelijking van het debat? Toeval? Is deze observatie überhaupt interessant of belangwekkend?

Dit brengt mij tot mijn laatste bespiegeling. Nederland doet in het internationale Holocaustdebat (net als met voetbal inmiddels) helemaal niet mee, zo lijkt het. Terwijl dat jammer is en onnodig. Nederlandse historici hebben welzeker een bijdrage geleverd aan de historiografie maar zijn grotendeels onzichtbaar. Dat komt omdat, over het algemeen, de Nederlandse historici alleen publiceren in het Nederlands. In een recente belangwekkende Engelstalige studie van Christian Gerlach, waarvan Verbum zojuist de rechten heeft verworven, onder de titel The Extermination of the Euopean Jews, wordt een Engelstalig artikel van Johannes Houwink ten Cate en Ron Zeller & Pim Griffioen aangehaald alsmede de studie van Bob Moore (o.a. Victims and Survivors. The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands). Jacques Presser, wel vertaald, wordt niet genoemd en dus ook niet gebruikt of als belangrijk beschouwd. Herzberg en De Jong zijn niet vertaald en dus per definitie niet gebruikt. De belangrijke vergelijkende studie van Ron Zeller & Pim Griffioen is niet vertaald en bestaat dus voor de internationale Holocaustgeschiedschrijving niet, althans alleen de Engelstalige samenvattingen worden gelezen. Wil academisch Nederland meedoen, dan moeten de werken vertaald worden of in het Engels geschreven worden. Ook moet er in Nederland een tandje bij, want Herzberg, Presser en De Jong passen in de historiografie, maar een nieuw standaardwerk kan momenteel zeker bijdragen aan het vakgebied.

In Nederland worden de Amerikaanse Holocaustgeschiedschrijvers meer vertaald dan de Duitse. Sterker nog, de Duitse historici op dit gebied worden door de Nederlandse uitgevers grotendeels genegeerd. Van de aanwezige Duitse deskundigen is geen enkel boek in het Nederlands vertaald! Wat zegt dat? Zijn de Amerikanen beter, toonaangevender? Verkopen ze beter? Of kennen de gespecialiseerde Nederlandse uitgevers de relevante ontwikkelingen in de Holocausthistoriografie niet zo goed? De vraag stellen is de vraag beantwoorden, zo lijkt het.

Na deze, al dan niet relevante, openingsbespiegelingen, komen we toe aan de bespreking van de lezingen op het symposium. Er zal ongetwijfeld een bundel met alle bijdragen verschijnen zodat ik mij hier beperk tot de drie, voor mij, meest aansprekende bijdragen. Het zijn de lezingen van Götz Aly, Ulrich Herbert en Christoph Dieckmann. De voordracht van Wulf Kansteiner (narratieve analyse van De vernietiging van de Europese Joden van Raul Hilberg waarin het taalgebruik van de auteur geanalyseerd wordt), Peter Hayes (het transport van de Joden tijdens de Holocaust was voor de Duitsers een peulenschil; het aantal treinen dat beschikbaar moest komen was procentueel verwaarloosbaar vergeleken bij het totaal aantal treinbewegingen) en het ongrijpbare intellect van Harald Welzer vielen helaas net buiten de top drie.

*

Götz Aly – Wie und warum das Institut für Zeitgeschichte 1964 und 1980 die Übersetzung des Hilberg hintertrieb

De dag voorafgaand aan zijn lezing had Aly, dus op 17 oktober 2017, zijn voordracht al gepubliceerd in de Süddeutsche Zeitung onder de titel ‘Angst vor der Wahrheit’. Hilberg heeft zich in zijn standaardwerk De vernietiging van de Europese Joden ten doel gesteld de machinerie en werkwijze van de daders te ontrafelen. En met daders worden de Duitsers bedoeld. Hij deed dit met uiterste precisie en noemde man en paard. De eerste uitgeverij die benaderd werd (het Droemer Knaur Verlag werd opgericht met als doel het NS-verleden te documenteren) heeft aan het IfZ een inhoudelijke beoordeling van het werk gevraagd. Het oordeel was negatief en het boek werd niet uitgegeven. Enkele jaren geleden heeft Aly ontdekt dat de directeur van Droemer Knaur zelf leidinggevende is geweest in een klein kamp in de buurt van Saalfeld, waar ook veel slachtoffers vielen. Aangezien Hilberg de Duitse daderarchieven goed kende vreesde deze Boll voor publicatie. Abgelehnt!

Het Rowolt Verlag heeft ook vriendelijk bedankt voor publicatie van Hilberg.

In 1979 werd de televisieserie Holocaust uitgezonden, waarna Verlag C.H. Beck overwoog om Hilberg uit te geven. Opnieuw werd een opinie gevraagd aan het IfZ en wederom was het advies: niet doen. Inmiddels zou het werk al zijn verouderd.

Wat de werkelijke reden was om het werk niet uit te geven was bescherming van de eigen geschiedkundige beroepsgroep. Een Duitser zou het beter kunnen dan een (waarschijnlijk emotionele) Amerikaanse Jood. Verlag C.H. Beck trok zich daarna ook terug.

Een kleine, linkse uitgeverij, Verlag Olle & Wolter, gaf het dikke boek uiteindelijk in 1982 uit. De 4000 exemplaren werden snel tegen de exorbitante prijs van 128 mark per stuk verkocht. Recensies kwamen er evenwel niet, althans niet in de belangrijke kranten en tijdschriften.

Dit veranderde toen in 1990 Fischer Verlag het driedelige werk opnieuw liet vertalen en uitgaf.

Ondertussen had het IfZ het werk grotendeels laten vertalen en gebruikte het dit voor interne onderzoeksdoeleinden. Officieel heette het dat de vertaling nodig was om het advies goed te kunnen onderbouwen.

In Politiek van herinneren beklaagt Hilberg zich over de houding en obstructies van de Duitsers. Deze zou niet transparant en zelfbeschermend zijn.

Artikel en voordracht leidden evenwel direct tot een geïrriteerde woordenwisseling tussen (van oorsprong journalist) Aly en het academische establishment. We zaten achter Norbert Frei en Ulrich Herbert. Ze zaten veelvuldig en geagiteerd met elkaar te overleggen en toen Aly klaar was, wisten ze niet hoe snel ze bij de interruptiemicrofoon moesten komen. Frei zei vilein dat de geschiedschrijving zonder de slecht onderbouwde en insinuerende ‘Götz Aly-tjes’ konden. Hij doelde daarmee op slecht onderbouwde onthullinkjes van Aly. Het laat zich raden hoe de hazen achter de schermen lopen. Aly behoort niet tot het academische wereldje en schrijft en werkt als een vrije vogel, maar hij kan ook niet genegeerd worden. Daarvoor heeft hij te veel geschiedkundige prijzen en waardering gekregen. Knabbel en Babbel (Frei en Herbert) beten gemeen, maar Aly reageerde amper. Hij had ze weer eens op de kast.

Misschien was dit inhoudelijk niet de belangrijkste voordracht maar het zorgde wel voor enig vuurwerk.

Ulrich Herbert – Zur Entwicklung der Holocaustforschung seit den 1980er-Jahren

Hij geeft een helder overzicht van de Holocausthistoriografie vanaf de jaren 80. De Holocaust had tot dit tijdstip geen centrale rol in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Daarna wel. Het boek van Daniel Goldhagen (Hitlers gewillige beulen) kan genoemd worden als een keerpunt. De thans meest gangbare stroming in de Holocausthistoriografie is dat de genocidale moord op de Joden wordt ingebed in het racistische beleid ten aanzien van alle slachtoffergroepen die geleden hebben gedurende de Tweede Wereldoorlog. Het nieuwe werk van Christian Gerlach (al eerdergenoemd) is hier een goed voorbeeld van. Hij roemt Friedländer omdat hij de slachtoffers een belangrijke rol heeft toegedicht en zodoende de slachtoffers zichtbaarder heeft gemaakt. Hilberg deed dat namelijk niet. Voorts noemt Herbert nog talloze recente ontwikkelingen, zoals de regionalisering, internationalisering, het werk van Timothy Snyder waarbij een link gelegd wordt tussen hongermoord in Oekraïne en Rusland en de Holocaust, aangezien dit grotendeels kon geschieden in bestuurlijk ongeorganiseerde oostelijke gebieden. Ook noemt hij het recente werk van Götz Aly (Europa gegen die Juden, 1880-1945) waarin hij aangeeft dat de Duitsers intensief geholpen zijn door andere overheden, particulieren et cetera. Ook wordt recent meer aandacht besteed aan thema’s als beroving, schande, morele verontwaardiging, dwangarbeid van Joden, rol van de Duitse bevolking, parallellen tussen kolonialisme en Auschwitz (Van Windhoek in het huidige Namibie naar Lebensraum) en comparatief geweldsonderzoek.

Wat mij zeer aansprak was het warme pleidooi van Herbert voor alle getuigenissen van slachtoffers. Hij sprak van Sonderzeugnisse. Elk verhaal is bijzonder en de moeite waard om uit te geven, want als je als slachtoffer geen bijzonder verhaal had, was je gegarandeerd al vermoord. Elke Sonderzeugnis is dus van historisch belang. Dat stak mij een hart onder de riem omdat Uitgeverij Verbum veel memoires van slachtoffers uitgeeft en hoe vaak horen we niet van boekhandels en anderen de verzuchting: ‘Weer een boek over de Holocaust?’ Nu hebben we weer een extra argument om dergelijke belangrijke boeken te blijven uitgeven. En ja, het was niet het belangrijkste item dat Herbert besprak, maar we eigenen ons deze uitspraak wel even toe. Herbert was trouwens de enige spreker die enige blijk gaf van morele verontwaardiging over de Holocaust en die kalte Welt der Täter.

Christoph Dieckmann – Krieg, Besatzung und osteuropäisches Judentum in den Studien Raul Hilbergs

De energieke Dieckmann was de verademing van het symposium. Bevlogen, enthousiast, leergierig en sympathiek kan deze jonge historicus genoemd worden die bij Ulrich Herbert gepromoveerd is. Handig om te weten hoe de pikorde is.

Hilberg was een gigant voor de Holocaustgeschiedschrijving. Zijn belang is moeilijk te overschatten, maar er is ook commentaar op Hilberg mogelijk (en wenselijk). Waarom heeft Hilberg nooit de studies van tijdgenoten gelezen en de belangrijkste conclusies in zijn studie verwerkt? Of er blijk van gegeven dat hij deze kende? Hilberg was een ´document man´. Het archief was belangrijk en hij koos zijn eigen pad en wilde zich niet laten afleiden door collega’s. Het archief was het enige werkterrein dat er toe deed. En dan ook nog alleen de archieven van de Duitse daders. Hilberg heeft daarmee slechts één perspectief. Hij was niet in staat om van perspectief te wisselen en verschillende invalshoeken te hanteren. Latere historici zoals Friedländer hebben dat wel gedaan ten aanzien van de slachtoffers. Hilberg is daarmee de pionier van het daderperspectief en niet, zoals Friedman wordt gezien, de pionier van het Holocaustonderzoek. Dieckmann komt wederom terug op zijn vraag waar het Oost-Europese Holocaustperspectief is. Immers 98% van de slachtoffers kwam niet uit Duitsland, maar uit landen buiten Duitsland, voornamelijk Oost-Europa. Waarom schenkt Hilberg dit perspectief geen aandacht?

Ook besteedt Hilberg weinig aandacht aan de Joden als slachtoffer. Waarom? Hilberg is boos op de Joden, zo lijkt het. Hij citeert op provocatieve wijze de hooggeplaatste SS’er Erich von dem Bach-Zelewski, die onder andere ook verantwoordelijk was voor het neerslaan van de opstand in het getto van Warschau . Hilberg is het met deze nazi eens: als de Joden beter georganiseerd waren geweest, was hun lot misschien minder rampzalig geweest.

Dieckmanns belangrijkste stelling is derhalve dat multiperspectiviteit (als dat een goed woord is) in het hedendaagse Holocaustdebat van groot belang is en daar deed Hilberg niet aan. Hij koos zijn eigen pad, belangrijk, maar gedateerd. De Holocaust moet mede geïnterpreteerd worden in het kader van een cumulatieve geweldsspiraal waar de Jodenvervolging een onderdeel van was. En de Duitsers hadden de klus nooit alleen geklaard. Dit was nogmaals een verwijzing naar de nieuwe studies van Christian Gerlach en Götz Aly.

*

Christopher Browning (Chris voor intimi) hield de voordracht over de drie verschillende versies van het standaardwerk (De vernietiging van de Europese Joden). Ik heb hem vooraf even aangeschoten en meegedeeld dat er eigenlijk vier versies zijn. Hilberg heeft namelijk vlak voor zijn dood, voor de Nederlandse en Hebreeuwse editie, een pakket van meer dan 200 pagina’s wijzigingen ingediend. Dat maakt de Nederlandse en Hebreeuwse editie tot de meest uitgebreide, of althans de laatste door de auteur uitvoerig herziene versie. Browning wimpelde het weg (wijzigingen maken nog geen nieuwe versie), maar hij noemde het wel in zijn lezing. Nicolas Berg opperde later dat het de moeite waard is om de Nederlandse versie te gebruiken voor een nieuwe Duitse versie.

Na deze bijdrage kon de Nederlandse uitgever gemoedelijk wegzakken in de niet-aflatende stroom lezingen. Frank van Vree noemde het een ‘Pruisisch’ programma en dat was het ook, maar per saldo zeker de moeite waard. Het was zeer vermoeiend maar inspirerend en goed te volgen.

De catering van het symposium was wat aan de magere kant. Bedenkelijk was het hoe er geduwd en gegraaid werd toen op woensdag veel te weinig eten was ‘georganiseerd’ en de inderhaast opgescharrelde pretzels uitkomst moeten bieden. En dat op een symposium over de Holocaust…

Het was ongemakkelijk dat minstens vier sprekers zich minimaal een keer verspraken en Hilberg met Hitler verwisselden. Ongelukkig maar ook een beetje onjuist. Volgens het narratieve onderzoek was Himmler de ware held van het verhaal van  De vernietiging van de Europese Joden en niet Hitler. Hitlers hersens heten volgens Hilberg Himmler en niet Heydrich. HhhHHH!

Gerton van Boom

21 oktober 2017

  

English version

As a result of my subscription to the Institut für Zeitgeschichte (Zentrum für Holocaust-Studien) digital newsletter I received an invitation to attend a symposium dedicated to Raul Hilberg, the pioneer of historical studies on the Holocaust, to mark the tenth anniversary of his death. Uitgeverij Verbum Publishers has published Hilberg’s standard work and is soon to publish the translation of his autobiography The Politics of Memory (translated under the title Politiek van herinneren, Verbum 2017) therefore my interest was aroused. Part of the symposium was dedicated to Hilberg’s autobiography. It was clear that I needed to cancel the editor’s reunion of Groniek (the student historical society magazine of which I was co-editor in 1986) which was to be held on 18th October 2017, and be present at the adulation and critique of this quirky, Jewish, misunderstood, long maligned and too long neglected lone wolf of Holocaust historiography.

We travelled by train to Berlin and on to the rather boring embassy quarter, south of Tiergarten, where the symposium was to be held. The symposium was organized by the Friedrich-Ebert-Stiftung on the Hiroshimastrasse. The idea for the symposium originated from René Schlott of the Zentrum für Zeithistorische Forschung in Potsdam. The cooperating partners being the University of Vermont (where Hilberg was Professor of Political Science), the aforementioned Institut für Zeitgeschichte (IfZ) and the Frits Bauer Institut, supported by the S. Fischer Stiftung, Freunde & Förderer, the United States Holocaust Memorial Museum and the Jena Center Geschichte des 20. Jahrhunderts.

The list of participants shows in the main the leading names, highly respected historians who have a full-time professional or academic involvement with the history of the persecution of the Jews and of national socialism in Germany. Two éminences grises of holocaust historiography were also there, namely Saul Friedländer and Christopher Browning. Also present were Doris Bergen, Hilary Earl, Jürgen Matthäus and Peter Hayes from the United States, and Götz Aly, Frank Bajohr, Nicolas Berg, Christoph Dieckmann, Norbert Frei, Suzanne Heim, Ulrich Herbert, Wulf Kansteiner, Harald Welzer, and Michael Wildt representing the German academics. From Israel a historian with Dutch roots, Dan Michman (Yad Vashem), was present. The list includes many other speakers whom I cannot mention here as I must be concise. Conspicuously absent were Wolfgang Benz, Peter Longerich and Dieter Pohl, as were also a number of leading names from America. 

Which subjects were addressed? Hilberg and Vienna. The influence of Franz Neumann and Behemoth on Hilberg’s theoretical framework. Discussions between Hilberg and Arendt. The three versions of Hilberg’s standard work. Re-evaluation of Hilberg’s conceptual model in developing The Destruction of the European Jews. Raul Hilberg, Philip Friedman and early research into the Holocaust. Hilberg, the rail-network and the Holocaust. Hilberg’s assessment of the Jewish Councils. Women in the life and work of Hilberg. Hilberg and the discussions about the Führerbefehl. The nature of Hilberg’s writing (regarding his laconic style). Analysis of the narrative in his standard work. Hilberg’s esthetic narrative. The story of the publication of his standard work. “I have never begun by asking the big questions”. Hilberg and the Jewish victims. Hilberg and the perpetrators’ documents. Learning from the perpetrators; Hilberg, Neurenberg and the emergence of his standard work. Emigration and expropriation in Hilberg’s work. And much, much more.

I cannot discuss all thirty-three lectures here, I shall restrict myself to my top 3, but first I would like to mention a few matters which I couldn’t help but notice.

*

There were hardly any speakers from countries other than Germany and the US present (Michman and a speaker from Sweden being the only exceptions). Does this mean that these two countries are leading the academic discourse? It seems to be the case. Not a single Dutch historian (excepting Frank van Free, a professional historian from the NIOD, attending but not participating), none from Belgium, France or Britain were present, or at any rate none who took part in the discussions. Yet even stranger was the fact that no-one from Eastern Europe was present (with the exception of a German employee of the Gedenkstätte Theresienstadt). Christoph Dieckmann also found this worthy of note. Of all the victims of the Second World War, including the Jews, much more than half were from Eastern Europe; and of the Jewish victims, more Eastern European Jews fell victim to the Germans and local people (the perpetrators were not all Nazi’s). Yet at this symposium academics from these countries are totally absent (among which were Poland, the Baltic States, Romania, the Ukraine and Russia). Why? Is the subject of no interest there? Before the beginning of World War II and the Holocaust millions of people had already become victims (Holodomor and the pogroms), yet no well-known or respected historian dealt with the subject. A historian from the US, Timothy Snyder, became the one to do so.

Another point of note was the difference in tone between the Americans and Germans. The Americans often think and argue clearly and directly from A through to Z. Whilst the Germans, even linguistically, take a much more roundabout route; still I feel that the Germans have a better insight into the nature and history of the Germans, even though it sometimes provides too much ballast. When Dieckmann and Klein shared a joke about the difference between Germans and Austrians all the Germans laughed heartily, but the Americans didn’t get the witz. In my opinion, this is also apparent in their published work. Today’s German historians seem to navigate their way through the curiosities of the archives better than the Americans do. The Americans on the other hand are better at setting out a clear storyline for educational purposes. Logic and accessibility seem to be on a higher plane. The Germans prefer solidity.

A third observation is that the number of Jewish historians is steadily decreasing. In the past, the Holocaust historiography was dominated by Jewish historians (Hilberg, Yahil, Bauer, Friedländer and others) but currently there are hardly any Jewish historians leading in this field. Does this indicate that, although the subject was initially left to the Jewish historians, the passage of time has provided a certain distance, making room for a less emotional and more matter-of-fact approach and thus allowing the non-Jewish historians to feel a willingness, or even the need, to step forward? One obvious explanation may be that there are not many Jews left in Germany and so there aren’t any, or hardly any, Jewish-German Shoah researchers left, and the German universities are not inviting those remaining to come to Germany either. The same can be said about the Netherlands too. Here, initially the persecution of the Jews was recorded by Jews such as Abel J. Herzberg, Jacques Presser and Loe de Jong but they have passed and a new generation of Jewish historians has not taken their place. Many detailed and worthy research, dealing with separate themes within the subject, have been published, but, whether because of a lack of ambition or of challenge, a new Presser has not yet arisen to describe and interpret its entirety. Most of the (leading) historians who currently specialize in the persecution of the Jews are not Jewish. Having noted this to be the case, what is its relevance? Declining Jewish interest? Everything has already been said?  Academic interest developing along a scale, beginning with the great themes and moving on to the more intimate themes? Is the debate becoming necessarily more matter of fact? Pure coincidence? Or is the observation not worth mentioning and utterly unimportant?

This brings me to my last contemplation. It would seem that (just as with soccer these days) the Netherlands no longer plays a part in the Holocaust discourse. A great pity, and unnecessary. Dutch historians have truly made a contribution to the historiography, yet on the whole they are invisible. This is largely due to the fact that Dutch historians generally only publish in Dutch. In The Destruction of the European Jews, an interesting recent publication in English by Christian Gerlach (of which Verbum have acquired the copyright), both an article in English by Johannes Houwink ten Cate and Ron Zeller & Pim Griffioen as well as the publication by Bob Moore (Victims and Survivors. The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands) are cited. Jacques Presser, though having been translated, is neither cited, nor referred to or found to be of importance. Herzberg and De Jong have not been translated and are thus by definition not referred to. The important comparative study done by Ron Zeller & Pim Griffioen has not been translated and is thus non-existent to international Holocaust historiography, or at best, only the English summaries are read. If Dutch academics wish to be counted, then their work must either be translated or written in English. In addition, the Dutch need to step up; Herzberg, Presser and De Jong have earned their place in the historiography but surely now a new standard work would be a welcome contribution to this field.

In the Netherlands, the American historians of the Holocaust are translated more often than the German. Added to that, German historians in this field are largely ignored by the Dutch publishers. Of all the German experts present, none have been translated into Dutch! What does this signify? Are the Americans better, more authoritative? Do they sell better? Or are the Dutch specialist publishers unfamiliar with relevant developments in the Holocaust historiography? Having posed the question, the answer seems obvious.

Following on from these relevant or irrelevant opening observations, we move on to the reviews of the symposium lectures. A compilation of all the contributions shall, without doubt, be published, allowing me to limit myself to considering the three contributions which most caught my interest. They are the lectures by Götz Aly, Ulrich Herbert and Christoph Dieckmann. The contributions made by Harald Welzer with his elusive intellect, Wulf Kansteiner (an analysis of the language of narrative in The Destruction of the European Jews by Raul Hilberg), and Peter Hayes (for the Germans the transportation of the Jews during the Holocaust posed no problem at all; the number of trains needed for the transportation was only a tiny percentage of the total number of trains scheduled) fell just short of the top three.

*

Götz Aly – Wie und warum das Institut für Zeitgeschichte 1964 und 1980 die Übersetzung des Hilberg hintertrieb

Aly had already published his lecture in the Süddeutsche Zeitung on October 17, 2017, that is, the day before the lecture, under the title ‘Angst vor der Wahrheit’. In his standard work, The Destruction of the European Jews, Hilberg had set himself the task of unravelling the machinery and workings of the perpetrators. And by perpetrators he meant the Germans. This he did with the utmost precision and detail, sparing no-one. The first publisher to be approached (Droemer Knaur Verlag, founded specifically to document the Nazi past) asked the IfZ for their judgement on the content of the work. It was negative, and the book was not published. Some years ago, Aly discovered that Droemer Knaur’s director had governed a small camp near Saalfeld, where also many were made victims. As Hilberg was very familiar with the lists of German perpetrators this man Boll must have been afraid of publication. Abgelehnt!

Rowolt Verlag also declined to publish Hilberg’s work.

Following the 1979 broadcast of the television series Holocaust, Verlag C.H. Beck considered publishing Hilberg. Again, an opinion was asked of the IfZ and again the answer was: do not publish. It was deemed out dated.

Yet the real reason for not publishing was the protection of their own professional historical circle. A German must surely be preferable to an (most likely emotional) American Jew. Verlag C.H. Beck decided not to publish.

In the end, a small leftist publisher, Verlag Olle & Wolter, published the hefty manuscript in 1982. The 4000 volumes were quickly sold out, for the exorbitant price of 128 marks apiece. Yet the book was not even given a review, at least not in the leading magazines and newspapers. This changed when the Fischer Verlag had it translated and published again, in 1990.

In the meantime, the IfZ had had the bulk of the work translated and was using it for their own internal research. Officially declaring that the translation was necessary as a foundation for their advice.

In Politiek van herinneren, Hilberg laments the German attitude and stonewalling. It was not transparent and only served for their own protection.

Aly’s article and lecture immediately gave rise to a heated exchange between Aly, a former journalist, and the academic establishment. We were sitting behind Norbert Frei and Ulrich Herbert. They became agitated, conferring continually while Aly was speaking and couldn’t get to the microphone quickly enough when he had finished. Frei was vicious, saying that History could do without the loosely-founded insinuations of the likes of Götz Aly. By that he meant some of Aly’s more loosely-founded disclosures. One can well imagine how things fly behind the scenes. Aly does not belong to the world of academia and is able to write unfettered, but he can not be ignored. He has been awarded too many historical prizes and is held in high esteem. The terrible twins (Frei and Herbert) were mean and nasty but Aly hardly blinked. He had them right where he wanted them.

Perhaps this wasn’t the most important in-depth lecture but it did provide some fireworks.

Ulrich Herbert – Zur Entwicklung der Holocaustforschung seit den 1980er-Jahren.

Ulrich provides us with a clear view of the Holocaust historiography since the 1980’s. The Holocaust was not given a central role in the history of the Second World War until after the 1980’s. Daniel Goldhagen’s book, Hitler’s Willing Executioners, can be seen as a turning point. The current view in Holocaust historiography is that the genocidal murder of the Jews was anchored in the same racial policy applied to all the different victim groups who suffered during World War II. A good example of this is Christian Gerlach’s new work (mentioned earlier). Friedländer is praised for bestowing an important role on the victims, and so allowing them to be seen. Something that Hilberg omitted to do. In addition, Herbert highlights many recent developments such as regionalization, internationalization and the work by Timothy Snyder, linking murderous starvation in the Ukraine and Russia to the Holocaust, something that by large happened in the administratively unorganized eastern regions. He also mentioned the recent work by Götz Aly (Europa gegen die Juden, 1880-1945) in which he shows that the Germans were helped intensively by other governments, individuals and so on. Recently more attention is also focused on themes such as robbery, shame, moral outrage, the forced labour of Jews, the role of the German people, parallels between colonialism and Auschwitz (Windhoek in Namibia and Lebensraum) and comparative studies of violence.

Something which appealed to me greatly was Herbert’s warm plea for hearing every victim’s testimony. He called it Sonderzeugnisse. Each and every story is unique and worth publishing, because a victim without a unique story could only be one who had already be murdered. Therefore, every Sonderzeugnis is of historic interest. To me that is welcome encouragement, we publish many victim’s memoirs at Uitgeverij Verbum Publishers, and we so often hear bookshops and others say: “Another book on the Holocaust?”. Now we have another good reason to go on publishing these important testimonies. No, the point may not have been the most important one of Herbert’s lecture, but we are proud to appropriate it for ourselves. Herbert, incidentally, was the only speaker who showed any sign of moral outrage regarding the Holocaust and die kalte Welt der Täter.

Christoph Dieckmann – Krieg, Besatzung und osteuropäisches Judentum in den Studien Raul Hilbergs

The energetic Dieckmann brought a breath of fresh air to the symposium. Inspired, enthusiastic, inquisitive and likeable are words which may be used to describe this young historian who gained his doctorate under Ulrich Herbert. Handy to know the pecking order.

Hilberg was one of the giants of the Holocaust historiography. His importance cannot be underestimated yet we must also view his work critically. Why did Hilberg choose not to read the work of his contemporaries and incorporate their conclusions in his own work? Or, for that matter, just show that he was familiar with their work? Hilberg was a ‘documents man’. To him the archive was important, he set out his own path and would not be side-tracked by his colleagues. The archive was the only subject of importance to his work, and then only the archives of the German perpetrators. Because of this he was limited by only the one perspective. He was unable to change perspective and look at his subject from other angles. Something that later historians, such as Friedländer, managed to do in regard of the victims. Hilberg is therefore the pioneer of the perpetrator’s perspective and not, as Friedman is seen, the pioneer of the Holocaust research. Dieckmann returned to the question of the absence of an East European perspective of the Holocaust. After all, 98% of the victims were not from Germany but from countries other than Germany, mainly Eastern Europe. Why did Hilberg not choose to use that perspective?

In addition, Hilberg does not pay much attention to the Jews as victims. Why? Hilberg seems to be angry with the Jews. He cites the high-ranking SS officer Erich von dem Bach-Zelewski, who was responsible, among other things, for crushing the uprising in the Warsaw ghetto, as if in provocation. Hilberg is in agreement with this Nazi: if the Jews had been more organized then their plight might not have been as disastrous.

Dieckmann’s main argument is this: in the current debate on the Holocaust, multi-perspectivity (for want of a better word) is of great importance and Hilberg did not practice it. He followed his own path, which was of importance, but dated. The Holocaust should also be understood in the context of a cumulative spiral of violence, a part of which was the persecution of the Jews. The Germans could never have achieved this on their own. Once again, referring to the new research by Christian Gerlach and Götz Aly.

*

Christopher Browning (Chris for friends) took the rostrum to speak about the three different versions of the standard work (The Destruction of the European Jews). Just before he spoke I brought to his attention the fact that there are actually four versions. Shortly before his death Hilberg had submitted a pack of more than 200 alterations for the Dutch and Hebrew editions. This means that the Dutch and Hebrew editions are the most extensive, as far as the last comprehensively revised edition by the author is concerned. Browning waved it away (alterations do not constitute a new version) but did mention it in his reading. Nicolas Berg later suggested that it would be worth using the Dutch version for a new German version.

Following that action your Dutch publisher was able to relax back pleasantly into the never-ending stream of lectures. Frank van Free called it a Prussian programme and he was right, but all in all it was worth it. Extremely tiring, but inspiring and easy to follow.

The catering at the symposium was a bit lean. Worryingly a lot of pushing and grabbing went on when not enough food had been ‘organized’ on the Wednesday and pretzels had to be hurriedly raked up to fill the gaps. To think that we were at a symposium dealing with the Holocaust ……

It was unnerving that at least four speakers made an unfortunate slip of the tongue at least once by saying Hitler instead of Hilberg. Unfortunate and also somewhat unjustified. According to narrative research Himmler, not Hitler, was the real hero of The Destruction of the European Jews. If we listen to Hilberg, Hitler’s brains answered to Himmler and not Heydrich. HhhHHH!

Gerton van Boom

October 21st, 2017

Gepost op

Roofkunst – 16 augustus 2017

Op de fiets van Laren (NH) naar Groningen. Elke dag zestig kilometer via de LF-routes. Vriendin Lieberte woonde haar hele jeugd in Olst en ging naar het gymnasium in Deventer. Daar moesten we natuurlijk (haar) herinneringen ophalen. We nemen onze intrek in hotel Huis Vermeer aan het Grote Kerkhof. Wat heeft Hanzestad Deventer te bieden? Leuke antiquariaten, Gerard ter Borch (schilder, wel aardig, in het gemeentehuis was een kleine tentoonstelling ingericht: Magistraal over zijn leven en werk, in het bijzonder zijn schilderij Magistraat, ‘de Nachtwacht van Deventer’, maar niet heus) en theoloog Geert Grote (1340-1384), trendsettend met zijn Moderne Devotie (eigen geweten belangrijker dan het instituut kerk). Zijn schedel ligt in Museum De Waag.

Volgens Lieberte moesten we ook een kijkje nemen in oudste kerk van Deventer: de Bergkerk. Het was matig weer zodat een bezoek aan de Bergkerk de juiste tijdsbesteding leek.

Aldaar aangekomen bleek er een tentoonstelling te zijn ingericht. Wij naar binnen. Het is een indrukwekkende expositie van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. De titel is: Roofkunst, voor, tijdens en na WOII (www.roofkunst.com). We zijn aangenaam verrast en de eerste vraag die ik kan stellen is: waarom wisten wij dit niet? We lezen de belangrijkste kranten en volgen alles wat met de Holocaust te maken heeft, we krijgen dagelijks Blendle-meldingen over Holocaustartikelen in het nieuws en weten niet dat deze belangwekkende tentoonstelling gaande is.

Voordat we de expositie bezoeken kijken we naar de documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling. De twee bestuursleden van de initiatiefnemer Ter Borch Stichting vertellen enthousiast over hun plannen en de realisatie van hun ambities. Daaf Ledeboer overdrijft daarbij wel een beetje met een zwaar aangezette en nederige, haast religieuze blijmoedigheid à la Taco Dibbets. Hij is zo enthousiast dat hij in de schaduw mocht staan van de grootsheid van de kunst, waar hij mee in aanraking kwam, dat het gaat schuren. Maar je moet hem na geven dat het mooie tentoonstelling is geworden waar de Ter Borch Stichting en Deventer terecht trots op mogen zijn.

Er vielen mij twee zaken in het bijzonder op. Dat is ten eerste de bewegende beelden van tandarts Ruurd Rodenburg die in Leeuwarden diverse filmopnames maakte hoe zijn overburen (familie De Jongh) op 12 november 1942 door de politie van huis gehaald werden. Samen met zijn drie dochters stapte Israël de Jongh op de trein naar Westerbork, waar ze vermoord werden. Ook zijn er beelden van leeghalen van hun huis aan de Spanjaardlaan door verhuisbedrijf A. Postma. Volgens mij zijn dit unieke filmbeelden, althans ik ken geen andere bewegende beelden van de Jodenvervolging in Nederland, anders dan de beelden van Westerbork. De filmpjes zijn beschikbaar gesteld door het Fries Film Archief. Zouden er nog meer filmbeelden zijn van de Sjoa?

Eigenlijk hadden deze filmbeelden slechts zijdelings betrekking op het onderwerp van de tentoonstelling, maar interessant was het wel. Dat brengt mij maar gelijk op het tweede punt dat opviel. En dat is dat het onderwerp roof en restitutie van Nederlandse kunstbezit zo omringd is door een treurige, ambtelijke, onbarmhartige en juridische spruitjeslucht met een zweem van bureaucratisch antisemitisme. We kopen natuurlijk ook de catalogus (Roof & Restitutie. De uittocht en gedeeltelijke terugkeer van Nederlands kunstbezit tijdens en na de Tweede Wereldoorlog door de samenstellers van de tentoonstelling Rudi Ekkart en Eelke Muller, Deventer, 2017) en lezen wat we natuurlijk allang weten en nog steeds pijn doet. ‘…, werd de Jodenvervolging in Nederland doorgevoerd als een stapsgewijs, zorgvuldig geregisseerd proces waarvan het fundament bestond uit juridische en ambtelijke regelingen. De roof van eigendommen van Joodse verzamelaars verliep als een bureaucratisch proces.’ Stelselmatig en stap voor stap werden de Joden dus uitgekleed en vermoord. Ook de kunst van Joden was soms gedwongen verkocht, soms ongedwongen maar wel door de oorlogsomstandigheden ingegeven. Maar de Nederlandse overheid heeft grotendeels andere motieven bij de kunstrecuperatie dan het bieden van hulp en rechtvaardigheid aan onredelijk hard getroffen oorlogsslachtoffers. Met de recuperatie konden de kunstwerken weer getoond worden aan het publiek (versterking van het nationale kunstpatrimonium). Maar daarnaast speelde er nog een belang, en wel een financieel belang van de overheid. Ik citeer: ‘De kunstvoorraad zou bij verkoop een vermogen van ettelijke miljoenen guldens opleveren, een bedrag dat de deerlijk gehavende rijksschatkist kon aanvullen. De belangen van de individuele beroofde burgers leken in de eerste naoorlogse jaren bijna een bijzaak.’

Na een reorganisatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) in 1948 kreeg het restitutieproces meer vaart, maar de belangrijkste problemen werden niet verholpen. ‘Voor teruggave moest vast staan dat een werk het eigendom van de verzoeker was geweest en dat het onvrijwillig uit zijn bezit was geraakt. Een eventueel ontvangen tegenprestatie moest worden ingeleverd en daarnaast moest een onkostenvergoeding worden betaald. Voor oorlogsslachtoffers die alles waren kwijtgeraakt, konden deze eisen een onneembare horde zijn.’ Je was alles kwijtgeraakt en afgepakt, kwam berooid terug uit de kampen of uit de onderduik. Wat kon je allemaal aantonen? Waar haalde je het geld vandaan? Het geld dat je soms ontvangen had, was in veel gevallen weer afgepakt. Je moest dus geld terugbetalen dat ook al weer van je gestolen was, terwijl de kunstmarkt direct na de oorlog in een dip zat. Het was dan soms goedkoper om de veiling van je eigendommen af te wachten en ze op de veiling terug te kopen.

Het aantonen van onvrijwilligheid van de transactie (indien deze al had plaatsgehad) zal in veel gevallen ook moeilijk zijn geweest. Als je ervanuit ging dat vroeg of laat Nederland het Duitse voorbeeld zou volgen ten aanzien van de onteigening van Joods bezit en vermogen, dan kon je maar beter snel verkopen en met dit ‘zwarte geld’ je onderduik of vlucht te financieren. Is dit een vrijwillige verkoop? Je kan echt alle kanten op redeneren. En dat zullen partijen dan ook driftig hebben gedaan.

Ondanks dit restrictieve teruggavebeleid zijn er kort na de oorlog duizenden kunstwerken teruggeven aan de voormalige eigenaren. ‘In het begin van de jaren vijftig was de Nederlandse Rijksoverheid van mening dat de boeken konden worden gesloten. De overgebleven kunstwerken kwamen in beheer van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, om in bruikleen te worden gegeven aan musea of ter aankleding van openbare gebouwen. Deze werken vormen de huidige NK-collectie (Nederlands Kunstbezit-collectie). Vandaag de dag bestaat deze collectie nog uit ruim 4000 objecten.’ Later bleek het aantal 4800 te zijn, nadat al duizenden kunstwerken als niet-restitueerbaar waren verklaard en geveild waren (opbrengst: rekening Rijk).

Later, onder druk van de publieke opinie en de groeiende belangstelling van het publiek voor de nog steeds geldende naoorlogse onrechtvaardige behandeling van Joodse slachtoffers van het naziregime, is de politiek (niet de bureaucratie) tot het inzicht gekomen dat er een humaner restitutiebeleid moest worden ontwikkeld. Overigens wordt de term ‘humaner’ gebruikt in de tentoonstelling terwijl de catalogus spreekt van een ‘nieuw’ restitutiebeleid. Lees hiervoor het veel geraadpleegde handboek over de Nederlandse recuperatie en restitutie van door de nazi’s geroofde kunst: Betwist bezit van Eelke Muller en Helen Schretlen uit 2002.

Er wordt natuurlijk voorzien in een projectbureau, een commissie (Herkomst Gezocht) en een gefaseerde beleidsimplementatie. De eerste reeks van aanbevelingen in 2001 karakteriseerde het naoorlogse restitutiebeleid als ‘formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos’.

Een van de aanbevelingen was ook dat alle verkopen van Joodse particulieren vanaf 10 mei 1940 zou moeten worden beschouwd als onvrijwillig, tenzij het tegendeel bewezen kon worden. Omkering van de bewijslast dus. Dat gold later ook voor de kunstrestitutie van de handel. Over het terugbetalen aan de Nederlandse staat van de verkoopopbrengst, werd nu aanbevolen dat dit alleen van toepassing was indien de verkoper of de erven het geld ter vrije beschikking hadden gekregen. Na deze aanbevelingen werd de commissie Polak (Adviescommissie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog) op 1 januari 2002 ingesteld.

Er is ook een berekening gemaakt van de waarde van het niet-restitueerbare deel van alle gerecupereerde kunst. Dit bedrag zou aan een Joodse culturele instelling worden geschonken. Voorts hebben ook de musea onderzoek gedaan naar problematische gevallen van roofkunst. In 2007 werd er in de Hollandse Schouwburg een zoveelste tentoonstelling gehouden onder de titel Geroofd, maar van wie? om de rechtmatige eigenaren van de kunstwerken te achterhalen.

Het humanere restitutiebeleid heeft ertoe geleid dat de Restitutiecommissie vele kunstwerken heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Bekend zijn de zaken van Gutmann en Goudstikker. Maar opvallend is dat het gevoerde beleid erin heeft geresulteerd dat zeventig jaar na de oorlog de staat der Nederlanden een royale kunstverzameling heeft die niet van haar was. Ruim 4000 kunstwerken is de ‘ opbrengst’ van dit beleid ten behoeve van het algemeen belang en de Collectie Nederland. Dat heeft de overheid dus goed gedaan! Of niet? Eerst ontkennen, dan ontmoedigen, dan juridisch haast onmogelijk maken en ongeveer zestig jaar na de oorlog een humaner beleid ontwikkelen… Cynisch?

Er zijn veel boeken over geschreven, want deze houding jegens de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust beperkte zich niet tot kunstvoorwerpen. Het gaat ook over al het andere geroofde bezit van de Joden, zoals het huizenbezit, de onteigende bedrijven, de verzekeringen, de erfpachtkwestie en de onzinnige belastingaanslagen. Op al deze fronten heeft de staat der Nederlanden inmiddels een ‘humaner’ beleid ontwikkeld en daar waar nodig schadevergoeding betaald, maar trots kunnen we er niet op zijn. De juridische spruitjeslucht was ziekmakend, maar werd gedoogd door de Nederlandse bevolking. Immers, wij, het volk, kiezen onze politieke vertegenwoordigers en bestuurders. Wij hebben als volk jarenlang goed gevonden dat onze overheid de berooide Joden zo in de kou heeft laten staan op basis van legalistische drogredeneringen. Waarom hebben we niet vanaf 1945 royaal en loyaal de slachtoffers het voordeel van de twijfel gegeven? Waarom hebben we niet direct alle geroofde Joodse kunst aan de Joodse gemeenschap teruggegeven. De commissie Van Kemenade heeft (een halve eeuw na het einde van de oorlog) een gedeeltelijk gevoel van rechtvaardigheid en rechtsherstel opgeleverd, maar het kwam wel heel erg laat en er moest wel heel erg om gevochten worden. Joodse hoogleraren als Klein en Lipschits, die gedocumenteerd op de hoogte waren van de dossiers en betrokken zijn geweest bij de onderzoeken, hebben geschat dat het uiteindelijke bedrag aan schadevergoeding ongeveer een vijfde was van de werkelijke schade. Royaal of karig?

En wij hebben met zijn allen onze (zuinige) overheid zijn gang laten gaan om regels te verzinnen waar de slachtoffers in praktische zin nooit of slechts mondjesmaat aan konden voldoen. In dit kader werd er in de naoorlogse Holocaustliteratuur vaak gesproken over naoorlogs antisemitisme. Ies Lipschits heeft er een boek over geschreven: De kleine Sjoa. En dat is precies zoals de Joden het gevoeld moeten hebben. Maar er zijn veel meer boeken over dit onderwerp (het oplevende antisemitisme kort na de oorlog) geschreven zoals Terugkeer van Nienke Hondius.

Eigenlijk had de titel van de tentoonstelling niet Roof moeten zijn, maar Dubbele roof. Dat was waarschijnlijk voor de mensen die de tentoonstelling organiseerden net te ongemakkelijk. Allemaal nette mensen die geen man en paard durven te noemen? En ja, nog zoiets, het verspreiden van desinformatie is gewoon liegen.

Maar is dit dan helemaal afgesloten anno 2017? Nee, onlangs heeft Salo Muller zich nog boos moeten maken over de Nederlandse Spoorwegen (15 juli 2017, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2183326-nabestaande-holocaust-eist-schadevergoeding-ns.html). Hij eist een schadevergoeding. In landen als Frankrijk is dit, hoewel na commerciële dwang, al geregeld, maar in Nederland wordt gewacht. Schadebeperking zal dat heten. Salo Muller eist overigens ook het geld van de treinkaartjes terug die gedeporteerde Joden aan de spoorwegen hadden betaald om naar Vught of Westerbork vervoerd te mogen worden. Meewarig kijken de bestuurders naar deze pijnlijk roepende in de woestijn. En krijgt Salo Muller een afwijzing van de ‘klantenservice’, alsof hij tas in de trein vergeten was…

Gerton van Boom

16 augustus 2017

Gepost op

Eberhard van der Laan in Zomergasten – 30 juli 2017

Natuurlijk zaten we in huize Van Boom ook klaar om naar onze bestuurlijke held te kijken. De enige politicus die we oprecht konden geloven en vertrouwen. Wat een geweldige bestuurder en mens is Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, de stad waar veel Van Boompjes geboren zijn en sommige nog leven. Mijn moeder haalde in de jaren zeventig altijd tompoucen in huis als Ajax een Europacupwedstrijd moest spelen. We gingen er met het hele gezin en de buren lekker voor zitten. Zo’n avond was het…

Maar de avond bracht mij ergernis en boosheid. Wat deed onze rechtschapen mensenmens? Hij wil in alles nuanceren en de redelijke ‘oud-advocaat’ zijn die alle voors en tegens in een juiste balans wil krijgen. Ik heb het over het onderwerp Jodenvervolging dat hem zo aan het hart gaat. Hij wil iets aantonen en rechtzetten wat hem al lang dwars zit: de te gemakkelijke beschuldiging dat we in de oorlog slappelingen waren en onze onverschilligheid de ondergang van de Joodse medemens heeft betekent of beter gezegd, ernstig heeft bevorderd. Hij vindt dat deze beschuldiging (beter) onderbouwd moet worden, zoals in een dagvaarding of tenlastelegging. Op irritante wijze wil hij ons meermalen duidelijk maken dat hij ‘oud-advocaat’ is en de zaken graag als juridische procedures wil beschouwen. Maar wat hij hiermee realiseert ten aanzien van de Jodenvervolging in Nederland is waarschijnlijk alleen het tegenovergestelde.

Hij beschouwt de oorlog en de Sjoa als een moreel kompas, terwijl hij feitelijk geneigd is de waarheid deels te negeren. Ik zal dat straks allemaal netjes uitleggen. Spontaan riep ik: geschiedvervalsing! Te grote woorden? Ongepaste kritiek? Misschien, maar wat ik te zeggen heb, moet toch gezegd worden. Anders kan ik beter direct stoppen met het uitgeven van boeken over de Holocaust.

Evelien Gans schreef in het NRC op donderdag 3 augustus al een artikel over Van der Laan en zijn opvattingen over de Holocaust (‘Van der Laan te positief over verzet tegen de Jodenvervolging’ – de tekst heb ik voor de geïnteresseerde lezer hieronder integraal opgenomen). Alles wat ze schrijft kan ik onderschrijven, maar ze is te lief voor de aimabele burgervader. Tijdens de uitzending nog heb ik historicus Rob Bakker geappt en mijn verontwaardiging uitgesproken. Hij is de auteur van het binnenkort (januari 2018) te verschijnen boek De boekhouders van de Holocaust. Die boekhouders waren natuurlijk de ambtenaren die, ja laten we het maar gewoon zeggen, zwaar gecollaboreerd hebben en zodoende argeloos de Nederlandse Joden kansloos in de afgrond hebben laten storten. Daarbij hebben velen ook zelf vuile handen gemaakt. Hij adviseerde mij het te laten gaan. ‘Van der Laan is heiligverklaard en kritiek zal van hem afglijden.’ Maar ook voor mij is de Holocaust een moreel kompas waar we op moeten varen en dus iets van moeten leren, maar mijn conclusie zijn anders en ongemakkelijker. Alleen op deze manier kan je proberen in de toekomst een andere koers te varen op dit kompas. Op de manier van Eberhard van der Laan kan er makkelijk een wig gedreven worden in lespakket dat de Endlösung representeert.

In aanvulling op Evelien Gans wil ik twee onderwerpen uit Zomergasten met Van der Laan bespreken. Hij brengt de Amsterdamse Jood Dolf Aronson in beeld die van mening was dat er onterecht veel ‘poeha’ gemaakt wordt van de Februaristaking en de geroemde solidariteit. Na de Februaristaking was de solidariteit opeens grotendeels verdwenen, met alle gevolgen van dien. Hoe dat kon?, was door Aronson niet te beantwoorden. Van der Laan vindt dit ook een goede vraag en beantwoordde hem ook niet. Dat is merkwaardig omdat hij er blijk van geeft redelijk op de hoogte te zijn van de recente Nederlandse Holocaust-historiografie. Zo moet hij o.a. de dissertatie kennen van Pim Griffioen en Ron Zeller (Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945. Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Uitgeverij Boom, 2011, 1045 pagina’s). Hij geeft cijfers en de belangrijkste resultaten van de objectieve verschillen tussen Nederland, Frankrijk en België. Maar deze vraag beantwoorden is hem niet gegeven, terwijl hij zelf een boek over het onderwerp Jodenvervolging had willen schrijven. Maar als hij gewoon de bijbel van de geschiedschrijving van de Jodenvervolging in Nederland had gelezen, hadden hij en Aronson het antwoord geweten. Of in ieder geval de theorie van Loe de Jong – de auteur van deze bijbel – hierover kunnen citeren. Ik heb het natuurlijk over het hooggebergte van de Nederlandse bezettingsgeschiedschrijving: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945. Loe de Jong schrijft in deel 5 of 6, daar wil ik even vanaf zijn, over het schrijnende gebrek aan solidariteit binnen de Joodse gemeenschap en binnen de Nederlandse samenleving als geheel waardoor terreur (of de angst voor terreur) in een simpel spel van verdeel en heers door de kleine Duitse bezettingsmacht bestaande uit overwegend fanatieke SS’ers een geweldig rendement voor de moordenaars heeft kunnen opleveren. Een voor de Nederlandse samenleving, tot de dag vandaag, beschamend rendement. Beschamend te meer als de oorzaken ervan genuanceerd moeten worden tot een ja-maar-verhaal (ja-maar in de zin van: ze hebben weliswaar iets slechts gedaan maar ook iets goeds gedaan).

Wat schrijft Loe de Jong? Vrij geparafraseerd komt het erop neer dat de Joodse gemeenschap nooit akkoord had moeten gaan met de oprichting, rol en functioneren van de Joodse Raad zoals voorgesteld of voorgeschreven (of afgedwongen) door de bezetter. De Joodse Raad heeft zich laten gebruiken als handlanger, als uitvoerder of wegbereider van de desastreuze en criminele Duitse genocidale maatregelen. Principieel hadden de Joden moeten weigeren. Dan hadden de boeven impopulairdere maatregelen moeten nemen waardoor het gevoel van noodzakelijke solidariteit blijvend gevoed had kunnen (en moeten) worden. Maar nu is de Joodse Raad opgericht die het Joodse verzet moest ontwapenen en het standpunt innam om maar aan de harde Duitse maatregelen te voldoen, ‘om erger te voorkomen’. Maar men had onderschat welk signaal hiervan uitging richting Nederlandse samenleving. Als de Joden zelf al geen verzet meer aantekenden en dat de vooruitgeschoven leiders en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap zich al neerlegden bij gedwongen deportatie, waarom moesten argelozen (arische) buren dan hun leven in de waagschaal stellen voor de Joodse medeburgers? In deze situatie was het nu al te gemakkelijk om een andere kant op te kijken, als men het al had gezien of had willen zien wat er met de Joden stond te gebeuren. En wat stond er dan wel te gebeuren? Industriële vergassing is als onomstreden feitelijke kennis pas van na de oorlog.

Dus het antwoord op de vraag is lafheid en daardoor ontstond een makkelijk te rechtvaardigen gebrek aan solidariteit. ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’ was, zeker achteraf gezien, de slechtste optie. De ontslagen Joodse voorzitter van Hoge Raad mr. L.E. Visser was en bleef een roepende in de woestijn. Hij pleitte voor principiële non-coöperatie.

Daarnaast moet hier melding gemaakt worden van een andere desastreuze ontwikkeling. Binnen veertien dagen heeft de ambtelijke top (de secretarissen-generaal van de verschillende departementen) zich neergelegd bij het feit dat de nazi’s het land zouden regeren. Ook op dit vlak zou men voorlopig meewerken. Dat was de instructie: onderwerping aan de bezetter. Dit beleid is gevolgd door een uitspraak van de Hoge Raad, die niet protesteerde toen haar Joodse roerganger (de reeds genoemde mr. L.E. Visser) ontslagen werd, dat alle Duitse maatregelen kracht van wet in Nederland hadden. Voorts heeft het gehele bestuurlijke apparaat meegewerkt ‘als beste jongetje van de klas’. De bestuurlijk collaborerende werking die toen over de Joodse medemens is ‘uitgerold’ is uniek en moet de Duitsers in hun vuistje hebben doen gniffelen. Wat waren die Nederlanders (Joden en niet-Joden gelijk) naïef? Een mep in het gezicht, een dreigementje en af en toe een klein botje toewerpen en ze waren gelukkig en ervan overtuigd dat meebuigen de scherpe kantjes van de vervolgingen af zouden halen. De nazi’s hoefden zodoende niet veel te doen. De makke Nederlanders hielpen goed mee. Rijksambtenaren, gemeenteambtenaren, politie, advocaten, notarissen, spoorweg- en trampersoneel en diverse semioverheidsinstellingen – bijna iedereen werkte braaf mee. Ja, anders zou je je baan kunnen verliezen en je hebt ook een gezin te onderhouden, nietwaar? Dit alles werd dus gelegitimeerd door de hoogste (ambtelijke) bazen. Een hele lichte vorm van antisemitisme, hebzucht en vooral angst voor het eigen hachje deden de rest. Het is daarom opvallend dat veel Joden hebben kunnen onderduiken, hoewel dat in de meeste gevallen alleen tegen betaling geschiedde.

Wat in dit kader zorgwekkend is, dat is niet de angst, maar het feit dat we ook nog eens het braafste jongetje van de klas wilden zijn. Een goed voorbeeld is de ambtenaar Jacob Lentz, het Nederlandse equivalent van een radertje als Adolf Eichmann (banaliteit van het kwaad). Hij is zelfs naar Berlijn afgereisd om zijn zelf ontwikkelde (onvervalsbaar geachte) persoonsbewijs te promoten en zodoende een wit voetje te halen. Dit was een belangrijk onderdrukkingsmiddel van de Duitsers en waarom zou je als Nederlandse ambtenaar je zo je best hiervoor doen? De Duitsers zullen zich over deze vergevorderde vorm van hielenlikkerij verbaasd hebben. Met een ongekende accuratesse hebben de ambtenaren ‘zwarte ruiters’ aangebracht op de kaarten van Joden in de gemeentelijke basisadministraties. Het aantal ambtelijke weigeraars was op één hand te tellen.

Het lijkt erop dat dit karaktertrekje nog steeds met enige regelmaat de kop opsteekt. We willen de baas graag tutoyeren en onafhankelijk en tegen de heersende hiërarchie en autoriteit ingaan, maar als het eropaan komt willen wij de regels altijd iets strenger maken dan we (internationaal) hebben afgesproken. Deze karaktertrek zou eens onderzocht moeten worden.

Het tweede punt uit Zomergasten over de Holocaust dat ik wil adresseren is het volgende. Van der Laan stelt dat de beschuldiging van de ‘slappe Nederlanders’ slecht of niet onderbouwd is. Nou, dat is een gotspe! Hoeveel bewijs wilt u hebben, burgemeester? U – ik richt me maar direct tot u – kunt gewoon, wederom, Loe de Jong (of Presser, Herzberg of de duizend andere monografieën over de Jodenvervolging) erop naslaan en het staat er allemaal in, gedetailleerd tot in het onzinnige, onomstreden en wetenschappelijk verantwoord. Ook de rol van de overheid en het ambtelijke apparaat na de oorlog heeft hemeltergend kwetsend en discriminerend voor de Joden gewerkt. Ik ga het allemaal niet herhalen. De bewijslast dat u (als ‘oud-advocaat’) wenst is overweldigend en, nogmaals, onomstreden. ‘I rest my case, your honor.’ Het is niet te bevatten dat u deze kritiek uit! Wat kan daar achter zitten? Ik snap het niet. Het is geen ‘makkelijk verwijt’ zoals u stelt. Het is wel een ongemakkelijke werkelijkheid. Het lijkt erop dat u de geschiedschrijving wilt corrigeren. Dat kan niet, dat mag niet. Dat zou het morele kompas helemaal in de war sturen. Wat doet u nu? Mijn eerste reactie was dat dit ook een vorm van collaboratie is, maar dat gaat natuurlijk te ver. Dat is veel te emotioneel. Maar wat doet u dit zeggen?

U begon de uitzending met de uitspraak: ‘Ik ben geen politicus. Ik ben een burger die zich een tijdje afgeeft met bestuur en dat is politiek.’ Maar na de uitzending geloofde ik deze uitspraak niet meer. U bent een heel gewiekste politicus. De gewiekste politicus die ik ken. Wat is mijn theorie?

U heeft een groot deel van uw werkzame leven als ‘oud-advocaat’ de publieke zaak gediend. U bent bestuurder en heeft ‘het besturen’ nooit alleen kunnen doen. U hebt altijd gewerkt met ambtenaren die u waarschijnlijk overwegend loyaal gediend hebben. Zonder hen was u nooit geworden wat u nu bent: ‘een unieke en terecht heiligverklaarde bestuurder’. U bent een sympathieke man die het vervelend vindt dat de door u zo geliefde collega’s postuum (met de kennis van nu, zonder rekening te houden met de moeilijke en onduidelijke omstandigheden) en virulent door het slijk gehaald worden voor wat hun ambtelijke voorouders hebben misdaan. Immers, het was toen geen gemakkelijke tijd… U wilt uw collega tegemoet komen en een beetje helpen om al deze kritiek tegen te gaan of tot redelijke en behapbare proporties terug te dringen. Daarvoor kan de waarheid best een beetje opschuiven. U bent immers geen onverschillig mens. Ja, een ander antwoord kan ik niet verzinnen. Uit medemenselijkheid en collegialiteit wilt u nu ook een beetje solidair zijn met uw ambtenaren, terwijl deze ambtenaren (bijna zonder uitzondering) nooit solidair zijn geweest met onze kwetsbare Joodse minderheid.

Wat mij ronduit stoorde is uw gekoketteer met uw status als ‘oud-advocaat’. Dat moet u nooit meer doen. Advocaten reageren meestal verongelijkt op zaken. Voor hen is de wet vaak ‘leidend’, terwijl de wet ook maar een gemaakte afspraak is die niet rechtvaardig hoeft te zijn. Een wet kan daardoor ook ‘lijdend’ zijn. Een wet kan morgen aangepast worden waardoor er opeens een nieuwe werkelijkheid zou ontstaan? Nee dus. De discussie over het morele kompas ten aanzien van de Jodenvervolging hoort en mag derhalve geen juridische discussie te zijn. Het dient een moreel-ethische discussie te zijn waarbij j’accuse-achtige oordelen uitgesproken kunnen worden. Dit betekent m.i. dat u zich nooit meer zou moeten afficheren als ‘oud-advocaat’. U bent primair een gedreven politicus die kan en moet oordelen en zich moet uitspreken over maatschappelijk ethische kwesties. U dient verre verwijderd te blijven van de ambtelijk legalistische spruitjeslucht die het morele oordeel over de Jodenvervolging als decennialang achtervolgt.

Ik realiseer me dat mijn betoog emotioneel is en u bekritiseert, terwijl we ongetwijfeld aan dezelfde kant staan. Het zijn misschien accentverschillen, maar naar mijn mening wel met mogelijk grote gevolgen. Ik hoop niet dat u door mijn kritiek geschokt zult zijn. U heeft het nooit zo bedoeld of zo gezegd. Ik wil mijn opmerkingen ook direct relativeren met het roemen voor al hetgeen u heeft gedaan en nog zal doen voor de goede zaak van het levendig houden van de herinnering en les van de Holocaust. Met name ook uw bijdrage aan de totstandkoming van het Holocaust Namenmonument – het initiatief van het Nederlands Auschwitz Comité.

Alles overziend vind ik u, ook na de uitglijder in Zomergasten, nog steeds de beste burgemeester van Amsterdam die ik ken. Ik kom graag een keer een kopje thee drinken om een en ander nader toe te lichten. Ik zal dan enkele boeken over dit onderwerp voor u meenemen. Het ga u goed!

Gerton van Boom

Uitgever Verbum Holocaust Bibliotheek

5 augustus 2017

Van der Laan te positief over verzet tegen Jodenvervolging

In Zomergasten probeerde Eberhard van der Laan het beeld dat Nederland zich niet genoeg verzette recht te zetten. Daarin schoot hij door, vindt Evelien Gans.

Met gemengde gevoelens keek en luisterde ik zondag naar een indrukwekkende gast bij Zomergasten. Alle respect voor Eberhard van der Laan, als burgemeester en als mens en hoe hij omgaat met zijn ongeneeslijke ziekte. Alle respect ook voor zijn ouders, en al die andere Nederlanders, die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het verzet deelnamen, en onder meer Joden onderdak boden. Het moge duidelijk zijn dat het verzetsmilieu Van der Laan heeft getekend: persoonlijk, en politiek. Dat heeft geleid tot een grote betrokkenheid bij ‘de oorlog’ – en oorlog en onderdrukking in het algemeen – maar soms ook tot blikvernauwing. Over dat laatste gaat het mij nu.

De Jodenvervolging in Nederland is een uitgesproken pijnpunt voor Van der Laan. Dat bleek al eerder tijdens zijn toespraken op de Dam op 4 mei en bij Auschwitzherdenkingen. Terecht en begrijpelijk. Maar precies wat dit thema betreft, valt er wel wat af te dingen op zijn uitspraken tijdens Zomergasten, en op de filmfragmenten waarmee hij deze illustreerde. Van der Laan stelde dat Amsterdam in een spagaat verkeert: trots op de Februaristaking, schaamte over het relatief en absoluut gezien zeer hoge aantal gedeporteerde en vermoorde Joden. Als een van de belangrijkste – en in de geschiedschrijving algemeen aanvaarde – oorzaken noemt hij het ideologisch gemotiveerde, virulent antisemitische SS-regime in Nederland. Terwijl in België en Frankrijk Duitse militairen aan de macht waren. Er zijn inderdaad meer objectieve factoren: het moeilijk weg kunnen komen uit Nederland; de bevolkingsdichtheid, enzovoorts. Toch vormt dit soort verklaringen niet het hele antwoord.

In het fragment over de Februaristaking dat op Van der Laans verzoek werd vertoond, zegt de Joodse Dolf Aronson de staking weliswaar ‘geweldig’ te hebben gevonden, maar dat men niks gedaan had ‘na 1942 toen ze echt de mensen begonnen weg te halen. Niemand heeft wat gedaan. Integendeel, ze hebben meegeholpen’. In die zin vindt Aronson al die aandacht voor de staking maar ‘poeha’. Daar gaat Van der Laan niet op in – integendeel. Zijn eerder geuite nuancerende opmerking dat er helaas minder moedige Nederlanders zijn geweest dan wenselijk was, maar ook minder ‘slechte’ dan sommigen beweren, is juist. Maar ook erg generaliserend en in die zin onbevredigend. Hij legt, mijns inziens, disproportioneel veel nadruk op het verzet dat – ook dat is genoegzaam aangetoond – pas goed op gang kwam toen de Joden al grotendeels waren gedeporteerd. De meeste Nederlandse ambtenaren hadden op dat punt plichtsgetrouw hun werk gedaan.

Door het uiterst karikaturale fragment uit de film van Ate de Jong In de schaduw van de overwinning (1986) te laten zien – een echtpaar wil hun twee verdwenen fietsen inruilen voor informatie over de vindplaats van twee ondergedoken Joden – bagatelliseert Van der Laan in feite het zeer reële verschijnsel ‘verraad’. Van de 28.000 ondergedoken Joden is een derde ontdekt, verraden en alsnog gedeporteerd. Afgezien van het ‘speurwerk’ van NSB’ers, SS’ers en aanverwanten, waren er heel wat Nederlanders die, zonder dat er een fiets op het spel stond, Joden verraadden. Voor hen ging het om de 7,50 gulden ‘kopgeld’.

Tegenover verzet stond dus collaboratie en verraad. En er was wel degelijk onverschilligheid. Van der Laan zet zich af tegen het verwijt dat de meeste Nederlanders ‘slappelingen’ waren. Daarin heeft hij volstrekt gelijk. Maar hij slaat de plank mis wanneer hij in één adem betoogt dat ze „hartstikke anti-Duits” én „hartstikke” tegen de Jodenvervolging waren. Hij ondersteunt deze stelling met een filmfragment van een lezing door de historicus Bart van der Boom. Diens boek Wij wisten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust (2012) is controversieel, zowel inhoudelijk – hij reduceert bijvoorbeeld de Holocaust tot ‘directe moord na aankomst’ – als methodiek: zo neemt hij alles letterlijk wat in dagboeken staat, behalve als er ‘vernietiging’ van de Joden staat. Uit ‘hartstikke’ anti-Duits volgde bepaald niet automatisch ‘hartstikke’ anti-Jodenvervolging.

Het antisemitisme nam toe tijdens de bezetting, en lang niet alleen vanwege nazipropaganda. Het zou veel moeilijker blijken Joden dan niet-Joden aan een onderduikadres te helpen. En: natuurlijk wist bijna niemand van de gaskamers. Hoe kon dat, en hoe zou het te bevatten zijn geweest, al waren er geruchten? Maar de anti-Joodse maatregelen die eraan voorafgingen waren onheilspellend genoeg. Waarom zouden immers de ouders van Van der Laan Joden hebben laten onderduiken? Anders dan Van der Boom, die het begrip ‘verdringen’ verwerpt, heeft hij het wel degelijk, en met reden, over het fenomeen ‘wegduwen’. Nu doet hij – zoals velen – iets te veel aan wishful thinking. De meeste Nederlanders gingen ervan uit dat de Joden niet terug zouden komen. Er moest soms politie (en niet degenen die de Duitsers terzijde hadden gestaan) aan te pas komen om Joodse eigendommen bij zogenaamde ‘bewariërs’ terug te halen – in het bij Van der Laan, en ook bij mij, zo geliefde Amsterdam.

Evelien Gans is emeritus hoogleraar moderne Joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van donderdag 3 augustus 2017 op pagina 16-17.

Gepost op

Naked Among Wolves – 31 december 2016

Naked Among Wolves

31 december 2016

Dinsdag 20 december. Ik heb een afspraak met Rob Fransman voor onze jaarlijkse lunch. We zitten in restaurant Het Bosch aan het Jollenpad in Amsterdam-Zuid. We kijken uit over de Nieuwe Meer. Volgens de website wanen we ons aan het Como meer, maar dat valt tegen. Het is koud en mistig. Maar binnen genieten we van een heerlijke lunch.

Enkele jaren geleden heb ik een boek van Rob uitgegeven met columns over het Demjanjuk-proces. Sindsdien houden we contact, waarvoor, moet ik eerlijk zeggen, Rob meer loyaliteit aan de dag legt aan onze vriendschap dan ik. Maar goed, hij is met pensioen en ik ben nog druk.

We praten over de kinderen, zijn broer, zijn nieuwe Mercedes, en natuurlijk over de oorlog. Onlangs hebben we nog gemaild over de Berg-Stichting in Laren, waar Rob als kind na de oorlog lang gewoond heeft als wees en niet altijd naar genoegen. Hij praat over zijn broer die de oorlog in een kast heeft doorgebracht en altijd heeft gedaan alsof de oorlog niet bestond. Het fijne aan Rob is zijn humeur en zijn zelfspot. Als hij glunderend vertelt over zijn vele zakelijke mislukkingen in de mode, werkt dat heel aanstekelijk en drempelverlagend.

Ik heb hem aangeraden zijn memoires op papier te zetten. Dat heeft hij voor een deel al gedaan. Hij heeft op zijn website al verschillende artikelen staan. Ik heb hem aangeraden deze artikelen aan elkaar te schrijven zodat er een samenhangend verhaal ontstaat. Als hij door krijgt dat ik nog niet al zijn artikelen gelezen heb, is hij gemaakt boos met een glimlach. Rob is fijn gezelschap.

Als ik 130 euro afreken voor onze heerlijke lunch (slik!), stoot hij me nog even aan. Ik moet op Netflix kijken naar Naked Among Wolves. Een aanrader. Ik beloof het te doen. Op de parkeerplaats nemen we afscheid en rijdt hij nog steeds glunderend en blij weg in zijn nieuwe (tweedehands) Mercedes, dik in de zeventig. Een liefhebber van het leven.

De kerstvakantie lijkt daarvoor een goede gelegenheid. Op Tweede Kerstdag zetten we de film van Duitse makelij op.

‘In 1958 publiceerde de Oost-Duitse schrijver Bruno Apitz (1900-1979) een rauwe roman die zou uitgroeien tot de ultieme bestseller in de DDR. Naked Among Wolves is gebaseerd op persoonlijke herinneringen van de auteur zelf. De communist Apitz werd al in 1937 door de nazi’s naar concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd en zat daar gevangen tot de bevrijding in 1945. Net als de roman begint deze aangrijpende verfilming in maart 1945, als de Pool Zacharias Jankowski een driejarig Joods jongetje Buchenwald binnensmokkelt in een koffer. Jankowski hoopt zijn beschermeling verborgen te kunnen houden voor de SS. Dat lukt niet: al gauw wordt het kind ontdekt door Pippig, een politiek gevangene die in het kamp te werk is gesteld. Pippig heeft medelijden met het jongetje en besluit hem op zijn beurt te verstoppen. Pippigs leidinggevende André Höfel, tevens lid van het communistische verzet in Buchenwald, is echter doodsbang dat de SS ontdekt wat er gaande is. Hij bezweert Pippig dat het kind op de eerstvolgende trein naar het kamp Bergen-Belsen moet worden gezet. Maar Pippig is vastbesloten op het jongetje te passen en besluit hem bij zich te houden.’ Aldus de beschrijving op internet.

We kijken naar een remake van de Oost-Duitse film Nackt unter Wölfen uit 1963. Het boek is enkele jaren geleden door Uitgeverij Cossee in de Nederlandse vertaling uitgebracht. Het boek was in de DDR een daverend succes. Er zijn meer dan twee miljoen exemplaren van het boek verkocht in Oost-Duitsland. Logisch, communisten trotseren het fascisme. Dat heet de ‘politiek van herinnering’. Het nawoord van Susanne Hantke in het boek is uitermate boeiend. Het verhaal is op waarheid gebeurd; het Buchenwald-kind heeft echt bestaan. Later is Stefan Jerzy Zweig in Israël gevonden. Hij was te klein om zich veel te herinneren, maar het staat vast dat de moed van zijn vader hem door de oorlog heeft geleid. Het staat niet vast dat Bruno Apitz in Buchenwald in contact is geweest met Stefan Jerzy Zweig.

In het artikel van Susanne Hantke wordt zorgvuldig de ontstaan- en drukgeschiedenis van de roman Nackt unter Wölfen beschreven. Daaruit volgt dat de auteur de partijlijn moest volgen en zich verschillende vormen van censuur heeft moeten laten welgevallen. Dit is eigenlijk wel informatie die de kijker van de film moet weten. Het wordt daardoor ook duidelijk dat het meer een film is over het verzet tegen de nazi’s dan een film over de Holocaust. Het kind is wel Pools-Joods, maar het verhaal staat geheel in het teken van verzet en strijd tegen het fascisme.

Maar de vraag is nu. Is het een goede film? En welke criteria moeten we daarvoor aanleggen? Wanneer is een film over nazi’s en slachtoffers in een concentratiekamp geslaagd? Dat is een lastige vraag. Ik zou zeggen als het een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld geeft van het kampleven. Voor zover ik kan beoordelen is dat hier wel het geval, maar er moet een maar volgen, vrees ik. De belangrijkste (of populairste) kampfilms zijn films waar kinderen een prominente rol spelen. La vita è bella, Boy in the Striped Pyjamas en Son of Saul zijn veelbekeken en geroemde films waarin kinderen een rol spelen in het kampleven. Het lijkt alsof het harde en wrede leven in een concentratiekamp alleen niet meer genoeg is. We hebben daar nog aanvullend kinderen bij nodig om verder geschokt te raken, zo lijkt het. Anders kan ik het niet verklaren waarom al deze films (mede) om kinderen draaien. En daarmee laten de filmmakers het vermoeden op zich te streven naar (overbodig) effectbejag.

Naked Among Wolves is een harde film. Meerdere keren hebben we onze blik moeten afwenden. Ook Rob Fransman heeft de film in eerste instantie niet uit gekeken. Hij heeft later weer moed verzameld en de film afgekeken. ‘Zeldzaam echt naar mijn smaak. Zo moet het geweest zijn. De wreedheid… Enfin…,’ aldus Rob. Ja, misschien heeft hij daarin gelijk, maar voor mij mag iets meer aan de verbeelding worden overgelaten. Iets subtieler en verfijnder, graag. We hoeven misschien niet alles te zien. Niet zoveel bloedspatten tijdens de martelingen; meer uitleg waarom de nazi’s zo hardvochtig waren. De nazi’s waren niet alleen onmenselijk wreed omdat het criminelen en sadisten waren (dat waren velen ook), maar omdat het KZ-systeem dat vereiste. Als je de gevangen ontmenselijkt is het ook makkelijker ze te vermoorden. Dat was een bewust systeem waarop getraind werd. Dat was succesvol, hoe belachelijk dat ook klinkt. Dat is volgens mij ook de reden waarom er maar weinig nazi’s na de oorlog berouw hebben getoond. Men streed een gerechtvaardigde oorlog (ook tegen de Joden) Het gespuis moest als een vorm van lijfsbehoud en voor de toekomst van het land uit de weg geruimd worden, nadat de laatste energie middels arbeid uit de gevangenen was geperst. Als dit soort informatie op een informatief-didactische manier toegevoegd zou zijn, dan krijgt de film een meerwaarde ten opzichte van de huidige gruwelijke versie.

Ook moest ik denken aan de Delftse TU-student Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank. Hij was geen vechter en geen held, maar sprak zich wel uit tegen het ontslag van Joodse docenten en hoogleraren, waaronder de Joodse hoogleraar rechten Carel Josephus Jitta. Hij wilde volgens zijn geweten handelen. Na zijn toespraak werd spontaan besloten te staken. De Duitsers sloten de universiteit. In de zomer van 1941 wordt Frans van Hasselt opgepakt. Via het Oranjehotel werd hij overgebracht naar Buchenwald waar hij op 10 september 1942 overleed. Van Hasselt was een van de eersten die zijn stem liet horen. ‘Zijn morele moed kan inspiratie dienen in het huidige tijdsgewricht,’ aldus Onno Sinke in Cogiscope (december 2016).

In Buchenwald zaten veel meer politieke gevangenen met een dergelijke achtergrond. Als dit ook aandacht zou krijgen in de film, naast het expliciete geweld, dan zou dat een meerwaarde hebben opgeleverd.

Holocaust in het nieuws

Nieuwsbrief Kazerne Dossin, de Belgische tegenhanger van Kamp Westerbork, 20 december 2016. ‘De geschiedenis van morgen maken we vandaag. Hoe willen we herinnerd worden? Kazerne Dossin wenst u voor 2017 de moed om hiernaar te handelen.’

Camp Rivesaltes, G-geschiedenis, 21 december 2016. Een doorgangskamp in het zuiden van Frankrijk. Via Drancy werden de Joden naar Auschwitz gedeporteerd.

NOS Journaal, 23 december 2016. Voor de oorlog geëmigreerde Duitse Joden verhuizen in grote getalen van Groot-Brittannië naar Duitsland in verband met de Brexit. Voormalig Duitse Joden kunnen nationaliteit terugkrijgen en doen dit nu in toenemender mate. Door de Brexit verhuizen veel Joden van Londen naar Berlijn.

‘Woedend Israël bouwt door ondanks VN-resolutie’, de Volkskrant, 28 december 2016. VN-Veiligheidsraad neemt een resolutie aan waarin Israël gesommeerd wordt de bouw van nieuwe nederzetting onmiddellijk en volledig te staken. De resolutie wordt mogelijk gemaakt doordat de VS geen veto uitspreekt over de resolutie. ‘Minister van Defensie Avigdor Lieberman sprak op voorhand over een ‘anti-Israëltribunaal’. Hij maakte zelfs een vergelijking met de rechtszaak tegen de Joods-Franse officier Dreyfus, die rond 1900 ten onrechte werd veroordeeld wegens spionage.’ Commentaar: Het huidige beleid in Israël blijft wringen. Na de Holocaust is de vorming van de staat Israël door de Verenigde Naties mogelijk gemaakt. Nu eist Israël blijvende steun voor een politiek die breed wordt ontraden, namelijk het verder koloniseren van Palestijns grondgebied om straks bij een tweestatenoplossing, indien deze er komt, een stevige onderhandelingspositie te hebben. Je zou verwachten dat een land die zijn bestaansrecht geschonken heeft gekregen van de VN, zich iets gelegen laat liggen al de talloze VN-resoluties.

‘Morele moed. Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank’, Cogiscope, december 2016, door Onno Sinke.

Gerton van Boom