Gepost op

Joden op drift – 27 november 2016

Joden op drift

Afgelopen weken was er weer veel aandacht voor de Holocaust. Op 23 november 2016 werd de eerste aflevering vertoond van de miniserie De Zaak Menten naar het onderzoek en boek van Hans Knoop. Ook werd op deze dag een poëziealbum-gedicht van Anne Frank uit 1943 geveild voor € 140.000. Eerder besteedde De Volkskrant aandacht aan de nieuwe geannoteerde versie van Mein Kampf van Adolf Hitler (‘Van Mein Kampf kun je leren wat de kracht van onzin is’). Een belangrijk werk, want zonder Hitler geen Holocaust.

We werden opgeschrikt door het smakeloze bericht van Holocaust on Ice. IceAge, een programma dat te vergelijken is met Sterren dansen op het ijs. Gekleed in een streepjeskostuum met gele davidster voerden olympisch kunstschaatskampioen Tatiana Navka en acteur Andrei Burkovsky een routine uit waarin zij gevangenen uit een concentratiekamp voorstellen. In het begin van de kuur kijkt het paar elkaar serieus aan, maar al snel breekt een lach door en worden de kenmerkende draaien en sprongen uitgevoerd. Ook zien we hoe Navka en Burkovsky elkaar zogenaamd neerschieten met een geweer. De kuur was gebaseerd op de film La Vita e Belle. Verontwaardiging alom, maar het is toch intrigerend wat de makers in gedachte hadden toen ze dit ballet bedachten? Nu is het wel bekend dat de Holocaust niet heel veel aandacht heeft gekregen in de Sovjet-Unie, maar iedereen kan aanvoelen dat er een dergelijke vermaak zich moeilijk laat combineren met een tafereel uit het concentratiekamp.

Daarnaast verschenen er vier nieuwe boeken die vermeldenswaard zijn: The Holocaust, Israel and ‘the Jew’. Histories in Postwar Dutch Society, een uitgave van het NIOD (Remco Ensel en Evelien Gans red.), Lenteloos voorjaar. Oorlogsdagboek 1940-1941 van Hanny Michaelis, De bewakers van Westerbork van Frank van Riet en Joden op drift van Joseph Roth. En dat laatste boek zullen we hier bespreken.

Jospeph Roth is een belangwekkend Joods-Oostenrijks auteur van boeken als Radetzkymars en Job. Zijn essaybundel Juden auf Wunderschaft uit 1927 werd in 1937 aangevuld met een tweede aanvulling. Het boek is nu voor het eerst vertaald in het Nederlands voorzien van een voorwoord van Geert Mak, tekeningen van Paul van der Steen en een nawoord van vertaalster Els Snick. Als een boek van een dergelijk bekend auteur nooit eerder uitgegeven kan dat twee dingen betekenen: het is een verloren pareltje of het was niet de moeite waard. We gaan op onderzoek uit…

Geert Mak opent zijn inleiding met: ‘Joden op drift is een zeldzaam juweel uit een verloren tijd.’ Ja, dat zet de toon natuurlijk. Volgens mij is Geert Mak wel een verdienstelijk auteur van geschiedkundige werken, maar geen erkend deskundige op het gebied van de geschiedenis van het Joodse volk, de Jodenvervolging en wat daarmee samenhangt. De inleiding ademt daardoor de sfeer van een vriendendienst uit. Aan het einde van zijn inleiding schrijft Mak: ‘In de kern is dit kleine juweel een liefdesverklaring aan het “armenhuis” waaruit Roth zelf voortkwam, aan die schimmige Oost-Europese joden die we enkel nog kennen als een handvol foto’s, als een enkel beeld op een vergeten film.’ In vijf opstellen wil Roth de niet-joden en de joden uit West-Europa begrip bijbrengen voor het ellendige bestaan van de Oost-Europese joden. Hij doet dat op een animerende maar generaliserende manier. Dat maakt het wel tot vermoeiende lectuur op een gegeven moment. De jood bestaat natuurlijk niet.

In 1937 schrijft Roth het tweede voorwoord bij zijn boek en dit epistel is het meest boeiende van de bundel geworden. Hij is erg duidelijk, als je in 1937 het gevaar nog niet ziet… Hij windt zich op over de Duitse joden het trekken verleerd zijn. Ze voelen zich in de eerste plaats Duits. Het ware joodse karakter hebben ze afgelegd. ‘Het zijn als slakken met twee huizen op hun rug.’ … ‘Hij trekt – of nee, hij wankelt eerder, in de ijdele hoop dat het allemaal zo erg niet zal worden – een hoop die niets anders is dan moreel verderf. Hij beschuldigt de Duitse joden ervan dat ze bereid zijn tot een compromis waarbij ze als minderwaardig worden behandeld. Hij is bozen op ze omdat ze zwijgen over alle vernederingen die ze moeten ondergaan. ‘Hun vermogen die vernedering te verdragen is hun grootste geluk.’

‘Miljoenen proleten hebben dringend een paar honderdduizend  joodse stakkers nodig om – zwart-op-wit – hun superioriteit te bewijzen.’ De tirade gaat door en is terecht. Maar wat is de oplossing? Joseph Roth geeft eerlijk toe dat hij geen toverstokje heeft. ‘Tot volledige gelijkberechtiging en waardigheid die nodig is om vrij te leven, kunnen joden pas komen als hun ‘gastheervolkeren’ zelf vrije mensen zijn geworden met een waardigheid die hun toestaat begrip te hebben voor menselijk leed. Het is nauwelijks aan te nemen dat de ‘gastheervolkeren’ de weg naar deze vrijheid en deze waardigheid zullen inslaan. Gelovige joden blijft de hemelse troost. De anderen het ‘vae victis’. We schrijven 1937.

Een juweel is Joden op drift niet. Wel is het een eerlijk en onbarmhartig boek van iemand die zijn broeders niet de hand boven hun hoofd hield. Een keiharde spiegel en een les voor de toekomst.

Gepost op

Austerlitz – 18 november 2016

Austerlitz

Op IDFA 2016 worden ongeveer 300 documentaires getoond. Vier ervan hebben betrekking op de Holocaust. We hebben gekozen voor de film die de meeste aandacht kreeg: Austerlitz van de Oekraïense cineast Sergei Loznitsa. Na afloop was er ook een extended Q&A met moderator Max van Weezel en Joël J. Cahen, directeur van het Nationaal Holocaust Museum.

En ja, laat ik maar met de deur in huis vallen: dat viel allemaal niet mee!

Een zwart-wit documentaire van negentig minuten waarin niet gesproken wordt. De camera werd geplaatst in (hoofdzakelijk) Sachsenhausen en Dachau en de bezoekers werden vanuit verschillende posities commentaarloos geobserveerd. De Volkskrant noemde het in een artikel van 11 november 2016 crowdfilming. Op zomerse dagen is gefilmd. De bezoekers komen in T-shirt en korte broek naar de kampen.

Je verwacht een film waarin bezoekers van een concentratiekamp zich niet weten te gedragen en dat we daarover verbolgen kunnen zijn. Vooraf moest ik denken aan een bezoek aan Birkenau. Een VMBO-klas rende door Birkenau alsof het een speeltuin was. Ik was er samen met Rob Cohen, kampoverlevende en auteur van zijn autobiografie Niet klein gekregen. We wilden de SS-uitkijkpost boven de ingang van het kamp bezoeken. Maar daarvoor moesten kaartjes gekocht worden die uitverkocht waren. Rob werd boos en liet met veel gebaar zijn kampnummer zien. De vrouw achter het loket schrok zich rot en liet ons spoorslags en beschaamd door. Ik was ook een beetje ontdaan door het ongegeneerde gebruik van zijn tatoeage. In ieder geval werkte het wel. Rob: ‘Auschwitz is van ons, niet van hen.’

We konden doorlopen. En boven in de toren kwamen we een klas tegen. Schelden, tieren en ontevreden schreeuwden de leerlingen door het gebouw: ‘Wat een kutzooi, hier!’ Ik schaamde me diep om Nederlander te zijn. Wat een ongepast gedrag van deze blanke, ‘welopgevoede’ pubers. Ik vroeg aan een docent, die er schaapachtig bij stond en niet ingreep, waar ze vandaan kwamen. Uit Den Haag zei hij verontschuldigend, terwijl hij zich niet moest verontschuldigen dat ze uit Den Haag kwamen maar voor het gedrag van zijn leerlingen. Rob keek er niet van op. Hij gaf veel gastlessen op vooral multiculturele ROC’s. Op deze scholen waren de kinderen respectvoller dan de ontevreden blanke Hageneesjes.

Ik dacht dat Austerlitz het ongepaste en ongemakkelijke gedrag van de bezoekers zou vastleggen. Maar dat viel reuze mee. De meeste mensen gedroegen zich serieus en respectvol. En ja, velen maakten selfies bij het Arbeit Macht Frei-hek. Is dat verwerpelijk? Is dat een onethische vorm van herdenken? Sensatiebelust? Nee, dat valt reuze mee. Mensen willen thuis laten zien waar ze geweest zijn. Daar is niet zoveel op tegen. Kortom, er was dus helemaal niets boeiends te zien. Negentig minuten lang hebben we gekeken naar mensen die op een normale manier een concentratiekamp bezoeken. En hoe doe je dat op een normale manier? Geïnteresseerd, rustig en met respect. Dat was dus precies wat er grosso modo te zien is.

Het concept van de film was (te) eenvoudig. Op een vaste plek werd de camera geplaatst en draaide ongeveer tien minuten. Na tien minuten een andere locatie. Een kind kon de was doen. Je zou verwachten dat een dergelijk simpel concept op een gegeven moment de kijker dwingt tot bepaalde overpeinzingen en gewaarwordingen. Dat klopt! Als eerste kwam bij mij de vraag boven: Waar zitten we naar te kijken? Als de filmer hetzelfde concept zou hebben gehanteerd op een andere plaats, zou dat ongeveer hetzelfde resultaat opleveren, maar iedereen zou de documentaire afdoen als oninteressant. Nu het over bezoekers van een concentratiekamp gaat, moet er haast wel een intellectuelere laag in zitten. Maar deze laag weigert boven te komen drijven. Is er misschien niet. Een manier om een culturele subsidie los te krijgen? Hiermee exploiteert de filmmaker de Holocaust eigenlijk voor zijn intellectueel nietszeggende experiment. Een niet geslaagd en te pretentieus project dus.

De tweede gedachte die bij mij boven kwam was dat alle bezoekers blank zijn. Geen moslim gezien. Dit betekent dat de kampen alleen bezocht worden de nazaten van de overlevenden van de Tweede Wereldoorlog. Dat is goed, maar waarschijnlijk zijn deze bezoekers al overtuigd van het feit dat de Endlösung zich niet mag herhalen. De multiculturele medemens lijkt niet geïnteresseerd en misschien is dat juist de doelgroep die deze musea (of zijn het herdenkingsoorden?) moet bezichtigen. Waar is de moslim in de herinneringscentra? Waarom komt de gekleurde medemens niet een kijkje nemen in het crematorium? Waarom blijven de Aziaten massaal weg, terwijl ze elders als zwermen de toeristische bezienswaardigheden overlopen? Ja, het zijn vragen die niet beantwoord worden. Je kan zeggen dat dit de kwaliteit is van Austerlitz. Omdat je je verveelt en wanhopig zoekt naar de dieperliggende intellectuele laag onder de film die er niet is en je zelf dus een laag verzint…

Even over de titel. Austerlitz verwijst, volgens de documentarist, naar een roman van W.G. Sebald. Jacques Austerlitz is een jonge Joodse vluchteling die in 1939 Engeland bereikt met een kindertransport. Op latere leeftijd gaat hij op zoek naar zijn wortels. Zijn ouders hebben de oorlog niet overleefd maar echte sporen weet Austerlitz niet te vinden.

Het blijft onduidelijk wat de link is tussen de documentaire en de roman van Sebald. In het artikel in De Volkskrant wordt het uitgelegd. Loznitsa zou geïnteresseerd zijn in het systeem achter de nazi-gruweldaden. In het boek van Sebald schenkt de auteur veel aandacht aan de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. Nu wil ik veel geloven maar de film ging niet over de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. De film gaat over mensen die zo’n oord bezoeken.

In de Q&A vermeldt de filmmaker ook nog even dat Austerlitz ook een (thans Tsjechisch) plaatsje is waar in december 1805 de Driekeizerslag heeft plaatsgevonden, die door de Franse keizer Napoleon op miraculeuze wijze gewonnen werd terwijl de tegenstanders in overtal waren. Het zou in Tolstojs Oorlog en Vrede genoemd worden. Ook deze verwijzing blijft in nevelen gehuld.

Nu zijn we inmiddels bij de extended Q&A aangekomen. De samenvatting van dit onderdeel is heel eenvoudig: pijnlijk op alle fronten. De deelnemers moesten allemaal Engels spreken en dat ging ze zichtbaar moeilijk af (‘It’s still question…’). De Q&A was ook pijnlijk en schaamteverwekking doordat de moderator Max van Weezel zich niet serieus voorbereid had. Hij is politiek commentator van Vrij Nederland en heeft een Joodse achtergrond. Het gesprek met Sergei Loznitsa verliep heel moeizaam, ook doordat Van Weezel de film niet begrepen had. Van Weezel: Is de film een aanklacht tegen leeghoofden? Loznitsa: Nee. Van Weezel: Veroordeel je de selfies? Loznitsa: Nee, we weten niet hoe we ons moeten gedragen. De filmmaker heeft een film zonder waarden willen maken, maar de moderator wil zingeving en dieperliggende lagen naar boven halen en die krijgt hij niet van de filmer. Dit is het. Het wordt verwarrender als je in De Volkskrant leest dat de filmmaker de absurditeit van de situatie goed wilde vastleggen en zodoende ringtones en foto-klikgeluiden heeft toegevoegd. Van Weezel vraagt er niet naar.

Dan maar vragen uit het publiek. De antwoorden laten het volgende samensmeltende beeld achter: ‘Mensen interviewen heeft geen zin, mensen zijn moeilijk en niet eerlijk. Daarom kunnen we beter naar de mensen kijken. Er hoeven geen regels te komen. Hij pleit voor waardenvrijheid van de ziel. Only education can help. It’s family thing. School? I don’t know.’

We worden uit ons lijden verlost door het afsluitende compliment van Joël J. Cahen aan Sergei Loznitsa: ‘Congratulations with your impressive documentary.’ Ja, je moet er iets van maken en het positief afsluiten. Maar we hadden medelijden met Cahen; het was ongetwijfeld een van zijn moeilijkste en meest ongeloofwaardige complimenten uit zijn leven, vrees ik.

Gerton van Boom

Gepost op

De nazi en de kapper – 6 november 2016

De nazi en de kapper

Satire en Holocaust is een moeilijke combinatie. Mag het? Kan het? Het is balanceren als het om de Holocaust gaat. Je moet goed op je woorden letter een verkeerde intonatie kan al rampzalig zijn en hevige reacties opwekken. Een van mijn eerste ervaringen als Holocaust-uitgever was een opmerking tijdens een boekpresentatie dat Joden zich als schapen naar de slachtbank hebben laten leiden. Dat was een opmerking die zwaar bekritiseerd werd. Hoezo schapen? Dat was een dom dier en Joden vergelijken met domme dieren was ‘not done’. Dat klopt. Het was een onzorgvuldige opmerking, die ook de pogingen tot verzet en bijsturing negeerde. Al jaren probeer ik ook het woord ‘leuk’ uit te bannen als het om een onderwerp gaat dat met de Jodenvervolging verband houdt. ‘Leuk’ kan beter door ‘interessant’ vervangen worden, maar het gezellige gewoontewoord is bijna onuitroeibaar. En dit zijn nog maar twee gewone voorbeelden. Bij humor en Holocaust liggen de grenzen nog vele malen ongunstiger voor de argeloze schrijver en lezer.

Een van de weinige voorbeelden waarbij de combinatie geslaagd genoemd kan worden is De nazi en de kapper van Edgar Hilsenrath, het Roemeense slachtoffer van de sjoa met de gitzwarte humor. Hij schreef ook boeken als Nacht (over zijn jeugdervaringen in het getto van het stadje Moghilev-Podolsk in Transnistrië, het land aan de overkant van de Dnjester dat destijds onder Roemeens bestuur stond), De thuiskomst van Jossel Wassermann, De belevenissen van Ruben Jablonksi, Het sprookje van de laatste gedachte (Armeense genocide) en Fuck America.

Hilsenrath is altijd omstreden geweest en heeft in het begin van zijn schrijverscarrière veel moeite gehad om zijn werk te publiceren. Vaak werd gezegd dat de Joden nog niet rijp waren voor zijn werk; het was te zwartgallig. Hij liet zien dat Joden ook gewoon mensen zijn met goede en slechte eigenschappen. Hij schreef zijn belangrijkste werken in een tijdgewricht waarin filosemitisme heerste over antisemitisme. Hilsenrath noemde dit filosemitisme dan weer een vorm van geniepig en schrijnend antisemitisme. Hilsenrath had een Céline-achtige humor, van het foute soort dus dat moeilijk te verkopen was.

Maar het boek De nazi en de kapper is ongekend populair geworden. En nu is er ook de toneelbewerking. Wij gingen op zaterdag 5 november 2016 kijken in Theater Ins Blau in Leiden. We hebben anderhalf uur lang geboeid zitten kijken. En gelachen dat we hebben! Geen moment was dat storend, nergens voelde je schaamte opkomen omdat het om een loodzwaar onderwerp handelt dat geen lach verdraagt. De twee acteurs, René van ‘t Hof en René Groothof, maakten er een geweldig toneelspel van.

De kern van het boek is gebaseerd op een waargebeurd verhaal; een nazi die de gedaante van een Jood aanneemt. In een interview in De Groene Amsterdammer lezen we het volgende: ‘Het artikel was afkomstig uit The Jewish Echo van oktober 1948 en ging over Erich Hohn, een Gestapo-man die na de oorlog zijn naam in Julius Israel Holms had veranderd en zichzelf uitgaf als joods slachtoffer van een Duits concentratiekamp. Voor hij ontmaskerd werd, had Hohn/Holms zich zelfs laten verkiezen tot vice-voorzitter van een gezelschap dat vervolgden van het naziregime verenigde.’

In het boek en toneelstuk neemt de nazi en massamoordenaar Max Schulz na de oorlog de gedaante aan van zijn Joodse jeugdvriend en kapperszoon Itzik Finkelstein die hij in de oorlog samen met zijn ouders in een concentratiekamp vermoord had. Max emigreert naar Israël en gaat daar als kapper werken en maakt daarna carrière als Joodse vrijheidsstrijder tegen de Engelsen.

De vragen die hierbij naar boven komen zijn: Waarom kruipt Max Schulz in de huid van Itzak Finkelstein? Wat is de moraal of boodschap van het verhaal?

Het onbeantwoord blijven van deze vragen zet natuurlijk aan tot nadenken. Onbevredigd dreig je de schouwburg te verlaten. Dat maakt het toneelstuk zo boeiend. Er wordt gelachen en gehuild en het zet aan tot nadenken. De twee René’s kwamen na de voorstellen ook aan de bar een biertje drinken en we hebben Van ‘t Hof even aangeschoten. Hij wist de moraal van het verhaal ook niet onder woorden te brengen. Hij zag met name een verbinding met het heden en de vluchtelingen en de PVV. Hij vond het een waarschuwing. Maar dat bevredigt toch niet helemaal, hoewel het natuurlijk kan kloppen. De auteur van het werk onthult de ware boodschap ook niet. Wat dan overblijft is een bizarre bewerking van een verhaal dat grotendeels waar gebeurd. Maar wat moeten wij daarmee, anders dan verbazing en verpozing?

Na enig wikken en wegen kwamen we tot de volgende slotsom. Max Schulz is nazi geworden uit jaloezie en hebzucht (de kapsalon van de vader van Itzak deed het beter dan de kapsalon van vriend Max). Zijn antisemitisme was een middel voor economische en maatschappelijke verbetering. De massamoordenaar kreeg aandacht en status voor zijn rol als moordenaar. Na de oorlog sloeg deze waardering om in walging en afwijzing. Door in de huid van zijn slachtoffer te kruipen gaat hij weer voor zijn eigen lijfsbehoud en persoonlijke gewin. Dat hij zelfs naar Israël emigreert en de rest van zijn leven onder en met de Joden leeft en voor hen strijdt geeft aan dat zijn (voor-) oorlogse antisemitisme instrumenteel was; geen diepgevoelde weerzin. Het was een middel om een doel te bereiken en geen doel in zichzelf. Feitelijk had hij niets tegen de Joden, maar hij was wel ontevreden of zijn eigen positie en status. Zijn afgunst en jaloezie voedden zijn antisemitisme. Afgunst en jaloezie zijn menselijke trekken, nietwaar!

Is dit de boodschap die Edgar Hilsenrath ons wil vertellen? Lees het boek, ga kijken naar het toneelstuk en oordeel zelf.

Gerton van Boom

https://www.groene.nl/artikel/het-is-allemaal-echt-gebeurd

Gepost op

Brief aan de Volkskrant – 29 februari 2016

Brief aan de Volkskrant

Geachte heer Van Walsum, Beste Sander,

U heeft mij een slechte kerst bezorgd. Ik was knock-out. Helemaal van de kaart. U heeft mij ontmaskerd als een nutteloze producent van waardeloos bedrukt papier waar niemand op zit te wachten. Misschien heb ik mij wel strafbaar gemaakt aan een milieudelict? Vieze inkt gebruikt en kostbaar papier verspilt? Wie zal het zeggen? Het heeft even geduurd voordat ik weer enigszins bij mijn positieven was en u deze reactie kon sturen. Ik ben er weer!

Waar gaat het om?

Op 24 december 2015 heeft u in De Volkskrant een artikel geschreven met de titel: ‘Er wordt te veel geschreven over de oorlog’. U schrijft: ‘Ook na zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog verschijnen er nog volop boeken over die tijd. Te vaak is dat meer van hetzelfde.’ Mijn eerste reactie was natuurlijk een van verontwaardiging, maar na enige dagen van overpeinzing kwam ik tot de conclusie dat u gelijk heeft. Ik ben schuldig, ik beken, mea culpa.

Ik ben dan wel niet de auteur die een nutteloos boek heeft geschreven maar een uitgever die de schampere illusie heeft dat hij nog wat kan bijdragen aan het historisch debat of aan de geschiedschrijving. Wat een arrogantie van mij! Wat een kolossale misrekening van mij! Ik bied u hiervoor mijn oprechte excuses aan.

Laat ik mezelf even voorstellen. Dat leest voor u misschien wat makkelijker. Ik ben Gerton van Boom en uitgever-eigenaar van Uitgeverij Verbum. Ik geef sinds 2005 met name boeken uit in de reeks Verbum Holocaust Bibliotheek. In tien jaar tijd heb ik meer dan veertig boeken uitgegeven, dus gemiddeld vier per jaar. Waarschijnlijk kent u de uitgeverij en deze boeken niet. Dat is alvast het eerste bewijs van uw stelling, zult u denken. Ook daar heeft u gelijk in. Touché!

Ik ben het dus helemaal met u eens, of toch ook weer niet helemaal. U heeft getracht een evenwichtig artikel te schrijven, hoewel u spreekt van het ‘Gij zult herdenken-gebod’ als een hedendaagse bezweringsformule. Het lijkt erop dat u het een beetje zat bent. U heeft het nu wel gezien, toch. Maar u bijt nog niet door. Bang waarschijnlijk dat u de geveinsde verontwaardiging over u heen krijgt. U maakt vervolgens een uitstapje naar onze masochistische buren die zichzelf maar als een ‘volk van daders’ blijven neerzetten. Vervolgens concludeert u dat wij er ook wat van kunnen met al onze oorlogsmonumenten van na 2000 en getuige de ongebreidelde boekenstroom die onterecht als een essentiële aanvulling op de bestaande geschiedschrijving wordt gepresenteerd. U blijft netjes en vraagt zich af of een deel van deze boeken wel iets toevoegt aan ‘dit genre’. Is veel niet onderhand te veel geworden? Goede vraag. En wat is het antwoord? Wat is de analyse? Ja, het is te veel van hetzelfde. Het déjà vu-gevoel dringt zich vaak op. Arjeh Kalmann, de auteur van Leef gelukkig, huldigt een discutabele opvatting dat elk egodocument van elke getuige van de oorlog per definitie belangwekkend is. Ja, u bijt nu wel een beetje meer door. De scherpe tandjes beginnen pijn te doen. U eist dat elk boek over de oorlog iets nieuws toevoegt en in ieder geval u niet een déjà vu-gevoel geeft. Het huidige aanbod dringt dat gevoel onwillekeurig op. Gelukkig geeft u ook enige guidance voor de goede boeken. Dat is wel prettig. Als nieuwe bronnen aangeboord worden kan het misschien wel goed komen, maar dat alleen is niet voldoende. Het gaat om de kwaliteit van de boeken. En u weet het: goede boeken zijn schaars en al die slechte boeken vergroten de kennis van de oorlog niet en maken ons niet ontvankelijker voor de vredesboodschap die aan de oorlog verbonden wordt. Boem! Knock-out!

U heeft gelijk! Dat meen ik oprecht. Ik heb het daarbij niet over andere, maar over de boeken die ik uitgeef. Ik heb altijd een gehandeld als de sukkel Arjeh Kalmann. Elke getuigenis verdient een voetstuk. Maar eerst nog even wat anders: Hoe komt dat toch? Dat er nog steeds zo veel, of zelfs wel steeds meer boeken over de Tweede Wereldoorlog geschreven en uitgebracht worden? U stelt deze wezenlijke vraag niet! Waarom stelt u deze vraag niet? Is er geen economische realiteit waarbij de vraag een bepaald aanbod oproept? Of bent u van mening dat dit onderwerp u aanbodgedreven wordt opgedrongen? De afnemende historische sensitiviteit, waar u het over heeft, werkt tot nu toe niet bij de Tweede Wereldoorlog. Is het niet interessant om deze vraag te stellen? Zou dat geen nieuw inzicht geven? We krijgen niet meer begrip voor de daders van de Holocaust. Integendeel, onze verontwaardiging groeit nog steeds. Het aantal bezoekers van Herinneringscentrum Kamp Westerbork en Nationaal Monument Kamp Vught neemt elk jaar toe. Holocaust Memorial Day op 27 januari wint jaarlijks aan belang. Het Nederlands Auschwitz Comité heeft het initiatief genomen om een indrukwekkende namenwand in het Wertheimpark te bouwen waar jaarlijks honderdduizenden bezoekers de slachtoffers van de Holocaust kunnen herdenken. Er komt om de hoek een nieuw Holocaust museum tegenover de Hollandse Schouwburg in de voormalige crèche van waaruit veel slachtoffertjes gered zijn. Het wordt al de Holocaust-driehoek genoemd (Wertheimpark, Hollandsche Schouwburg, Verzetsmuseum). Het Anne Frankhuis kan de immense stroom bezoekers bijna niet meer aan. We struikelen overal in het land over de Stolpersteine. Wat is er toch met ons aan de hand? Waarom willen wij deze masochistische zelfconfrontatie intensiveren? Waarom stelt u deze vraag niet? Stelt u wel de goede vragen? Wilt u wel de goede vragen stellen?

Maar goed, u heeft wel gelijk. Er verschijnen veel boeken die de loop van geschiedschrijving niet zullen veranderen. Zo heb ik enkele weken geleden het boek Over leven van Ernst Verduin uitgegeven. Deel 41 van de reeks. Voorwoord van Gerdi Verbeet, natuurlijk. Die kende Ernst van de herdenking in Auschwitz-Birkenau, waar Ernst de koning en de koningin heeft rondgeleid en minister-president Rutte nog wat geschiedenisles gegeven heeft. De boekpresentatie was op zijn oude school, Het Baarnsch Lyceum, meer dan 250 man. De aula puilde uit. Iets nieuws? Nee, ik denk het niet. Gewoon verraden, opgepakt, Vught, Westerbork, Auschwitz-Monowitz, Buchenwald en daarna weer lekker naar huis. Ja, wel alles kwijt. Alleen zijn moeder kwam nog terug uit Ravensbrück via Zweden. Hij heeft de oorlog overleefd, maar hoe overleefde hij de oorlog? Geeuw! Déjà vu. U heeft gelijk. Ernst Verduin vertelt al twintig jaar in alle klaslokalen in Nederland hoe het in de oorlog ging. Veel aanvragen voor een lezing kan hij niet meer aan. Niet omdat hij te oud is geworden (nu 88), maar omdat het er te veel worden.

Wat moet ik nou zeggen als Ernst Verduin of een medeslachtoffers aan mij vraagt of ik zijn levensverhaal wil uitgeven? Nee, mijnheer Verduin, dat doe ik niet, de heer Van Walsum wordt er moe van. Hij heeft al een keer zo’n boek van iemand als u gelezen. U bent niet echt boeiend. U bent geen nieuwe bron, u bent oude wijn, misschien nog wel in een nieuwe zak, maar dat is onvoldoende voor de heer Van Walsum. Ja, ik weet dat veel mensen uw verhaal verschrikkelijk vinden en dat het heel knap is van u, hoe u zich door de kampen en de rest van u leven geworsteld heeft, maar dat rechtvaardigt nog geen platform. Dat rechtvaardigt al helemaal geen boek, mijnheer Verduin. Nee, ook al die overleden onschuldige slachtoffers niet. Gaat u rustig in een bejaardenhuis zitten en laat de geschiedenis aan de nieuwe bronnenonderzoekers over. Wij bedanken u voor uw komst!

Mijn excuses, mijnheer Van Walsum, dat was lullig van mij. Dat had ik allemaal niet moeten schrijven. Ik weet heel goed dat u het goed bedoeld heeft. U wilde een discussie starten. Als roeptoetertje ergens aan een belletje trekken, hard weg rennen en kijken wat er gebeurt.

Als ik met mensen als Ernst Verduin spreek, dan moet ik altijd aan het essay ‘Wrok’ van Jean Améry denken. Hij schrijft dat slachtoffers de taak hebben de wond open te houden om ervan verzekerd te zijn dat de daders de afgrondelijke waarheid van hun daden onder ogen zien en erkennen. Alleen die erkenning kan hem terugbrengen in de samenleving die de vervolging met zich heeft meegebracht. Alleen die erkenning maakt een met anderen gedeelde wereld mogelijk (zie Colet van de Ven, Het kwaad en ik, pagina 192).

Ja, ik vrees dat deel 42 er ook gaat komen.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom