Gepost op

Holocaustexcuses en Zivilcourage – 29 januari 2020

Holocaustexcuses en Zivilcourage

Gerton van Boom

Hilversum, 28 januari 2020

Download de PDF van dit artikel

Tijdens de jaarlijkse Nationale Holocaust Herdenking op zondag 26 januari 2020 in het Wertheimpark in Amsterdam, aan de vooravond van de internationale Holocaustherdenking, dit keer specifiek ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz door de Russen vijfenzeventig jaar geleden, sprak minister-president Mark Rutte de historische woorden: ‘Nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn, bied ik vandaag namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen.’

Als laatste in Europa, of in ieder geval veel later dan alle andere West-Europese landen om ons heen, erkent de Nederlandse regering dat de overheid een verwijtbare rol heeft gespeeld bij de registratie, isolatie, beroving en deportatie van de Joodse medelanders, die bij overheidsinstanties niet meer dezelfde bescherming genoten als andere burgers. De excuses zijn rijkelijk laat, maar bovenal zeer onverwachts. Hoewel de wetenschappelijke literatuur unaniem ondubbelzinnig is over de rol van onze ambtenaren en met name onze bestuurlijke gezagsdragers, heeft de regering altijd gezwegen over haar eigen rol. Minister-president Wim Kok heeft destijds weliswaar een redelijke compensatieregeling voor in de oorlog geroofde goederen gefaciliteerd, en in 2000 excuses aangeboden voor de ambtelijk-juridisch kille ontvangst van de uit de concentratie- en vernietigingskampen teruggekomen Joden, maar over de rol van de overheid tijdens de bezetting repte hij met geen woord. Was dit beleid ingegeven uit angst voor verdere schadevergoeding (‘Ons bin zunnig!’) of zag men de schuld gewoonweg niet?

Ook moeten we de excuses nauwkeurig analyseren en de vraag beantwoorden: Zijn de verontschuldigingen afdoende? We zullen de vraag waarom de excuses pas 75 jaar na de oorlog niet behandelen. De vraag stellen volstaat.

Al in februari 1941 werd in Het Parool gesproken over ‘het verraad der clercken?’. Tijdens de oorlog heeft de regering in Londense ballingschap weinig voor de Joden gedaan, maar ze heeft wel gewaarschuwd. Op 17 december 1942 brachten de geallieerde radiozenders, waaronder Radio Oranje, het nieuws dat Joden massaal vervolgd en uitgeroeid werden. In 1943 heeft ‘Londen’ al meerdere keren gesproken over het erbarmelijke lot van de Nederlandse Joden. Men was dus op de hoogte! De regering in exil publiceerde in oktober 1943 een aanvulling op de vooroorlogse ‘Aanwijzingen in geval van een vijandelijke inval’ waarin onomwonden gesteld werd dat het de Nederlandse ambtenaren verboden was om mee te werken aan de Jodendeportaties. Daarna zijn nog tienduizenden Joden gedeporteerd en vermoord. Geen ambtenaar heeft zich aan de vooroorlogse richtlijnen (Landoorlogreglement en Aanwijzingen) en de verboden van de Nederlandse regering in Londen gehouden. Geen ambtenaar heeft ze genoemd.

In bijna alle wetenschappelijke studies na de oorlog is de rol van de Nederlandse overheid bekritiseerd en klonk het verwijt waarvoor Rutte nu pas excuses aanbiedt. Beter laat dan nooit, maar wat een geweldig moeilijke bevalling! Wat zegt dat?

Ik schreef hiervoor dat de excuses onverwacht kwamen. Is dat wel zo? Ik ben van mening van niet. Het komt allemaal door historicus Rob Bakker. Hij schreef het boek Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie. Dit boek verschijnt in april 2020 bij de kleine gespecialiseerde uitgeverij Verbum (mijn uitgeverij dus). Het is een lijvig boek geworden van 736 bladzijden met een uitvoerig overzicht van de collaboratie van de Nederlandse overheid. We gaan een boekpresentatie organiseren in De Balie in april met aansluitend een paneldiscussie. We vonden het interessant om minister-president Mark Rutte hiervoor uit te nodigen. Hij is immers indirect de hoogste baas van alle ambtenaren. We hebben hem maanden geleden uitgenodigd. Het antwoord liet lang op zich wachten. Hij kan om agendatechnische redenen helaas niet komen en verwijst naar de minister van Binnenlandse Zaken. Deze heeft nog niet gereageerd. Maar wat schetst onze verbazing toen wij zondag naar de speech van Rutte luisterden: geen openbaar debat, maar direct excuses. Daar moet een link gelegd kunnen worden. Immers, we hebben een uitvoerig persbericht gestuurd en hebben de vraag gesteld hoe het handelen van deze overheid juridisch geduid moet worden. En waarom er nog steeds geen excuses zijn gemaakt. Toeval? U zegt het maar, ik geloof niet in toeval. Of is de aanjagersrol van Gert-Jan Segers van de ChristenUnie doorslaggevender geweest?

Voordat we verder gaan is het aan te raden de speech van Rutte integraal te lezen. Hij is niet lang en geschreven in goed en helder Nederlands (een ander speerpunt van de Rijksoverheid dat hier goed uitpakt: ambtenaren moeten begrijpelijke taal bezigen). En we gaan onze premier ook niet degraderen tot nationale excuustruus omdat hij zo langzamerhand overal zijn verontschuldigingen voor heeft moeten aanbieden: het gas in Groningen, de beschamende fiscale toeslagenaffaire en nu ook excuus voor de desastreuze Jodenvervolging. Kortgeleden hebben we ook al de compensatieregeling van de NS gehad, in de oorlog een staatsbedrijf. We kunnen er ongetwijfeld nog een groot aantal andere kleinere overheidsschandalen aan toevoegen. Maar terug naar de lezing van de premier.

*

Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Nationale Auschwitzherdenking, Amsterdam1

Toespraak | 26-01-2020

Dames en heren,

De kleine Anny Aa was 1 jaar en bijna 10 maanden oud toen zij werd vermoord in de gaskamer van Sobibor. Haar naam is de 1e van 102.000 namen die deze week worden voorgelezen in Westerbork. De namen van meer dan honderdduizend Joodse medeburgers, van honderden Roma en Sinti – mannen, vrouwen, kinderen. Hier vlakbij krijgen zij ook in steen hun naam terug. Wat zij zelf niet terug kunnen nemen, moeten wij hen teruggeven.

De vraag blijft: hoe kon het gebeuren? Hoe kon het er zijn: zoveel haat, wreedheid en rechteloosheid? Hoe konden vervolging, deportatie en moord zich vrijwel ongehinderd voltrekken, onder de ogen van zovelen?

Het antwoord is donker en ook confronterend.

We kennen de feiten, de verhalen. Van Nederlandse Jodenjagers die duizenden de dood injoegen voor een luttel bedrag aan ‘kopgeld’, zoals dat met een afschuwelijk begrip heette.

Van het verraad dat altijd op de loer lag.

Van het wegkijken, uit zelfbehoud, opportunisme of onverschilligheid – toen mensen werden weggevoerd en hun huizen leeggeroofd.

En ook het wegkijken na de bevrijding, toen de weinigen die uit de hel terugkeerden een kille ontvangst wachtte.

Natuurlijk, er was ook de hoop van onderduik, de moed van verzet, het collectieve opstaan tijdens de Februaristaking. En toch….

En toch was het alles bij elkaar te weinig. Te weinig bescherming. Te weinig hulp. Te weinig erkenning.

En wij vragen ons af wat we in die uitzonderlijke omstandigheden zelf zouden hebben gedaan.

We weten: de Duitse bezetter was meedogenloos. Razzia’s, represailles en marteling waren de instrumenten van een regime van terreur en angst. Hoe moedig zouden wij zijn?

Hopelijk hoeven we die vraag nooit te beantwoorden. Maar het ‘Nooit meer Auschwitz’ bij dit Spiegelmonument vraagt wel om permanente rekenschap van ons, als samenleving. Want 75 jaar na Auschwitz is antisemitisme nog altijd onder ons.

Juist daarom moeten we voluit erkennen wat er destijds is gebeurd en dat ook hardop uitspreken.

Toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt, zijn we tekortgeschoten. Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.

Zeker, ook binnen de overheid was er individueel verzet, maar te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg. Anderen verdroegen het grote kwaad in de hoop nog iets goeds te kunnen doen – wat soms lukte, maar veel vaker niet. En de bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende onderkend.

Nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn, bied ik vandaag namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen. Dat doe ik in het besef dat geen woord zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit kan omvatten.

Aan ons, de generaties van na de oorlog, is de opdracht te blijven herdenken. Om de doden met hun volle naam te eren. Steeds opnieuw rekenschap af te leggen. Samen pal te staan in het hier en nu.

*

Als we de opbouw van de speech bekijken, neemt de premier een aanloopje naar zijn excuses. Eerst krijgen de criminele medeburgers een verwijt, de Jodenjagers, dan de foute mensen die Joden verraadden. En tot slot de rest van de bevolking dat wegkeek uit ‘zelfbehoud, opportunisme of onverschilligheid – toen mensen werden weggevoerd en hun huizen leeggeroofd’. Pas daarna, en dat zou retorisch de schuld moeten nivelleren alsof de overheid net zo tekort is geschoten als de rest van het land, komt de verwijtbare schuld van de overheidsdienaren. Dat is evenwel een onjuiste voorstelling van zaken; de overheid was schuldiger dan de wegkijkende burger die bang was voor zijn gezin. De gezagdragers hebben het voorbeeld gegeven en aangestuurd op collaboratie. Er is druk uitgeoefend op ambtenaren om gewoon hun werk te blijven doen ongeacht welke consequenties dat werk ook had. ‘Befehl is Befehl’, gold voor de Duitse soldaten, maar ‘Opdracht is Opdracht’ gold voor de ambtenaar. De rot zat aan de top. Heel simpel samengevat is het als volgt gegaan.

Het koningshuis vluchtte onverwachts (en met hulp van de Britten) zonder medeweten en vereiste instemming van de regering. In de chaotische periode van de Duitse invasie besloot de regering min of meer overhaast zelf ook uit te wijken naar Londen. De macht werd overgedragen aan generaal Winkelman die meteen na de capitulatie door de Duitsers uit zijn functie werd ontheven. De Duitsers hebben toen de secretarissen-generaal, de hoogste bazen van de ministeries in Den Haag, in het zadel gehesen. Zo werd de ‘ambtenaar ondergeschikt aan een democratisch gekozen politicus/bewindspersoon’ bevorderd tot ‘ongecontroleerde en ondemocratische zetbaas van een ministerie onder Duits bewind’. Wat was het effect? Een beetje meewerken. Deze houding werd immer gerechtvaardigd door het adagium: ‘meewerken om erger te voorkomen’. En dat heeft dramatisch uitgepakt. De secretarissen-generaal konden invloed uitoefenen maar de prijs was het leven van circa 75% van de Nederlandse Joden. Dat is het hoogste percentage Joodse slachtoffers in West-Europa, zelfs hoger dan in de Heimat van de agressor zelf. Historici spreken van de Nederlandse paradox. Kwam dat alleen door de ambtenaren? Nee, natuurlijk niet, maar zij speelden een rol van betekenis. Zijn de ambtenaren hoofdschuldigen en gelijk aan moordenaars? Evenmin, maar zonder de faciliterende overheid hadden de Duitsers nooit zoveel Joden kunnen deporteren en vermoorden.

De Hoge Raad besloot dat wij in Nederland de Duitse wetten niet mochten toetsen aan de Nederlandse Grondwet en dat we dus moesten gehoorzamen en meewerken. Dit wordt het toetsingsbesluit genoemd. Binnen enkele weken na de Duitse invasie zaten de secretarissen-generaal zelfstandig aan het roer en de Hoge Raad snoerde iedereen de mond met een schandalig, collaborerend en vooral juridisch gemankeerd besluit. Wat moesten de lagere ambtenaren? Wat moesten de burgemeesters? Wat moesten de politieagenten die gedwongen werden? Op deze manier heeft ambtelijk Nederland het land in een hopeloze en buitengewoon compromitterende draaikolk geduwd. En u weet, draaikolken gaan omlaag en sleuren alles mee, in dit geval meer dan honderdduizend onschuldige Joden. Aldus verdronk ook ons collectieve fatsoen. En laten we eerlijk zijn: geen enkele leidinggevende ambtenaar werd gedwongen. Secretarissen-generaal die zouden tegenstribbelen konden alleen worden ontslagen, maar die sanctie bleek overbodig. Het pluche bleek kostbaar een kostbaar bezit. Nazi’s zoals Eichmann, Seyss-Inquart, Rauter, Aus der Fünten en Lages waren enthousiast over hoe het in Nederland ging. Ach, die naïeve Nederlanders… Ze zagen het niet aankomen, ondanks alle voorboden. Maar laat één ding duidelijk zijn: de Nederlandse overheid heeft actief meegewerkt aan een enkele reis van de Joden. Men heeft nooit geanticipeerd en aangestuurd op een retourtje of op terugkeer. Huizen werden verbeurd, inboedels verhandeld, de bezittingen afgenomen met als uitgangspunt dat de Joden niet meer terug zouden komen. Vandaar ook de verbazing van velen toen er toch nog Joden terugkwamen. Dat werpt ook weer licht op de vraag of we geweten hebben van de Holocaust, maar dat is misschien een volgend ‘pijnlijk’ onderwerp.

Ik zou graag willen inzoomen op de volgende zin: ‘Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.’ Dat lijkt redelijk. We zijn immers allemaal zwak en kunnen altijd een keer tekortschieten. Maar dat is niet de historische werkelijkheid! Dit is echter slechts een deel van de waarheid omtrent de collaborerende houding van de overheid. Onderzoek toont aan dat het veel erger was. Op tal van punten moeten we concluderen dat de overheid een actieve, initiërende rol heeft gespeeld. De Duitse bezetter werd op zijn wenken en zelfs ongevraagd bediend. Het registreren en de manier waarop dat georganiseerd moest worden was een ambtelijk voorstel. De nazi’s waren aangenaam verrast. Het Ministerie van Sociale Zaken heeft de kwalijkste rol gespeeld. Joden werden mede door de ‘arisering’ van bedrijven werkeloos en moesten voor een uitkering tewerkgesteld worden. Dit ministerie heeft tientallen, zelfs meer dan honderd Joodse werkkampen, opgericht om deze mannen te laten werken. De uitkering ging naar de vrouwen en kinderen. Dat leverde een perfecte administratie op die gratis, ongevraagd en proactief in handen kwam van de Duitsers. Wilt u meer voorbeelden? Die zijn er volop. Lees het boek van Rob Bakker.

‘Zeker, ook binnen de overheid was er individueel verzet, maar te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg.’ Nee, het ging dus soms veel verder. Rob Bakker schrijft er overvloedig over. Houd archiefdeskundige en onderzoeker Lion Tokkie in de gaten die research doet naar de onbekende Joodse werkkampen en de rol van het Ministerie van Sociale Zaken zal blootleggen. De rol van de Joodse Raad is waarschijnlijk geringer geweest dan werd veelal verondersteld. De rol van de overheid daarentegen blijkt veel omvangrijker te zijn geweest dan werd gedacht. Het beeld dat Rutte schetst vertelt slechts de halve waarheid. Negeert Rutte bewust de halve waarheid? Ik vrees van wel. Het kan niet anders. Waarom negeert het kabinet anders de recente stand van wetenschap? Kent hij de holocausthistoriografie wel goed genoeg?

De volgende alinea van Ruttes speech is ook het uitlichten waard: ‘Anderen verdroegen het grote kwaad in de hoop nog iets goeds te kunnen doen – wat soms lukte, maar veel vaker niet.’ Dat klopt helemaal. ‘En de bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende erkend.’ Dat klopt ook, maar de werkelijkheid duidt dus op een uitruil. Enige vorm van invloed werd geruild tegen de Joden. Collateral damage, gevolgschade noemen verzekeraars dat, er was niets aan te doen, jammer maar helaas voor de Joodse staatsburger. Dat heet institutioneel antisemitisme. En dat is dus iets anders dan wat Rutte zegt.

De excuses van het kabinet, ook al is het 75 jaar na de bevrijding van Auschwitz, moeten niettemin als een zeer belangrijk en niet te onderschatten historisch feit worden beschouwd. Waarom?

Eindelijk hebben we een stap gezet in de richting van onze collectieve schuldverwerking. Ja, u leest het goed, niet alleen de Duitsers als hoofdschuldigen hebben dit verleden te verwerken, ook wij Nederlanders dienen onze bloedeigen paradox te verwerken. Voorheen waren wij Nederlanders alleen maar slachtoffer, Joden en niet-Joden tezamen, maar nu beginnen we eindelijk te wennen aan onze historisch juiste rol: die van collectief medeplichtige. En als we deze treurige rol hebben omarmd kunnen we de volgende stap zetten in de verwerking van ons verleden en dichterbij onze opdracht komen om Auschwitz zich nooit meer te laten herhalen. ‘Nooit meer Auschwitz’ begint bij onszelf. De premier heeft die deur verder opengezet. Maar we zijn er nog lang niet. De veelgeprezen historicus Katja Happe (een Duitse die het ons moet uitleggen!) schreef iets over de Nederlandse volksaard toen ze Veel valse hoop publiceerde over de Jodenvervolging in Nederland. Historici kunnen (of willen) niets met het begrip volksaard. Misschien kunnen anderen dit wel. Waarom wilden de Nederlandse ambtenaren (en veel anderen) zo graag een wit voetje halen bij de nazi’s? Waarom wilden we meewerken en proactief en ongevraagd collaboreren terwijl we wisten dat het voor de Joden schadelijk zou zijn? Dit onderwerp moeten we nu eerst aanpakken.

Daarna moeten we consequenties verbinden aan de kreet ‘Nooit meer Auschwitz’. Er moet een wet komen waarin het niet-solidair zijn met en het niet-opkomen voor kwetsbare en belaagde medeburgers strafbaar wordt gesteld. Een wet voor burgers, individuele ambtenaren (die nu niet in functie aangesproken kunnen worden) en overheidsinstanties. Deze wet moet opgenomen worden in het Wetboek van Strafrecht en op basisscholen al onderwezen worden bij het vak burgerschap. En u zult zien, denk maar even door, dat deze wet veel meer heilzame consequenties heeft dan alleen het voorkomen van genocides. Uw eerste reactie is mogelijk dat dit een naïeve gedachte is? Misschien is dat ook wel zo, maar een andere oplossing is er niet. ‘Nooit meer Auschwitz’ moet in ons DNA gestampt worden, langjarig en door onontkoombare, onherroepelijke sancties omkleed. Iedereen moet weten dat gebrek aan solidariteit niet getolereerd wordt en dat afgedwongen dapperheid de norm is. Zivilcourage als eis. Je kan je niet verschuilen achter regeltjes en belangen. Solidariteit moet juridisch en maatschappelijk een sociaal dwingend moreel kompas worden. ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’

Reacties kunt u sturen naar: g.vanboom@verbum.nl

 

1 https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-algemene-zaken/documenten/toespraken/2020/01/26/toespraak-van-minister-president-mark-rutte-bij-de-nationale-auschwitzherdenking-amsterdam. We spreken overigens niet meer van de Nationale Auschwitzherdenking maar van de Nationale Holocaust Herdenking.

Gepost op

Diamantkinderen

Diamantkinderen

Amsterdamse Diamantjoden en de Holocaust

Bettine Siertsema

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de nazi’s plannen om een eigen diamantindustrie op te zetten. Met het oog op de benodigde expertise bleef een groep Joden die werkzaam was in die bedrijfstak met hun gezinnen lange tijd vrijgesteld van deportatie.
Toch werden in 1944 ook zij naar Bergen-Belsen gestuurd. Toen het Duitse plan op niets uitliep werden van de ene dag op de andere de mannen en vervolgens de vrouwen afgevoerd naar andere kampen, waar velen omkwamen. De kinderen bleven ontredderd en zonder bescherming achter. Zij zouden ten dode opgeschreven zijn in het door honger en tyfus geteisterde kamp, als een Pools-Joodse vrouw, ‘Schwester Luba’, zich niet over hen ontfermd had. Dankzij haar overleven de meeste van de bijna vijftig kinderen. Diamantkinderen vertelt hun opmerkelijke verhaal, zoveel mogelijk in hun eigen woorden. Daarbij is gebruik gemaakt van video-interviews uit de jaren negentig en van speciaal voor dit boek uitgevoerde interviews met nog in leven zijnde kinderen.

Bettine Siertsema (1955) werkt als universitair docent geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij publiceerde een studie naar de levensbeschouwelijke aspecten van Nederlandse concentratiekampdagboeken en -memoires, Uit de diepten (diss. 2007) en in 2018 Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 en een bundeling essays over Holocaustliteratuur, Verhalen van kwaad.

Download of bekijk het inkijkexemplaar

Download het persbericht

 24.50Boek bestellen

 

 9.95Boek bestellen