Gepost op

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog – 20 december 2016

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog

De geschiedschrijving van de Holocaust in Nederland begint, zo zou je kunnen zeggen, met de monografie van Abel J. Herzberg (Kroniek der Jodenvervolging). Later gevolgd door de studie van J. Presser (Ondergang) en Loe de Jong in verschillende delen van Het Koninkrijk. In vergelijking met het buitenland heeft de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging relatief snel plaatsgevonden. Daarna is het stil geworden ten aanzien van de geschiedschrijving van de Nederlandse Sjoa als totaalgeschiedenis. Natuurlijk zijn er veel memoires gepubliceerd, maar die worden in de geschiedschrijving soms argwanend bekeken. Na de hoge heren van de Holocaust (Herzberg, Presser en De Jong) was het de tijd voor verdieping en wetenschappelijk onderzoek. Er verschenen gedetailleerde studies naar het openbaar bestuur tijdens de bezetting (Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd), het functioneren van de politie (Guus Meershoek, Dienaren van het gezag en Geschiedenis van de Nederlandse politie en Frank van Riet, Handhaven onder de Nieuwe Orde: de politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog), de Nederlandse advocatuur (Joggli Meihuizen, Smalle marges. De Nederlandse advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog), de rechtspraak (Derk Venema, Rechters in oorlogstijd, Cojo Jansen m.m.v. Derk Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog en Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van de bezetting en wederopbouw), belastingen (Peter Essers, Belast verleden). Er verschenen ook belangrijke vergelijkende studies waarvan Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945 van Pim Griffioen en Ron Zeller de belangrijkste is. Gerard Aalders schreef een blijvend belangwekkend boek over de ontvreemding van Joods bezit (Roof) en Chris van Heijden heeft een imponerend proefschrift geschreven (Dat nooit meer) over de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog in ons nationaal bewustzijn en media. Deze werd op een gegeven moment gekaapt door de regelmatig terugkerende commotie en verontwaardiging over de Holocaust. Tot slot moet het geruchtmakende boek van Bart van der Boom genoemd worden: Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Voor het gemak vergeten we vele andere boeken die ook een bijdrage aan de historiografie van de Nederlandse Holocaust hebben geleverd zoals ‘Gif laten wij niet voortbestaan’ Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in Nederlandse gemeenten, 1940-1945 van Marnix Croes en Peter Tammes en Jodenjacht: de onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog van Ad van Liempt en Jan Kompagnie.

In de traditie van wetenschappelijk verantwoorde deelstudies past ook de nieuwe loot aan de stam: Kille mist van Raymund Schütz. Een kloeke dissertatie die er wezen mag. Maar het probleem van boeken als Kille mist is dat je van tevoren het resultaat al weet. Het is algemeen bekend, op basis van bovengenoemde studies, dat het Nederlandse bestuur al binnen veertien dagen na de capitulatie, dus eind mei 1940, overeenstemming had met de bezetter over een vergaande vorm van samenwerking. Bestuurlijke continuïteit heette het. Dus waarom zou dat voor het notariaat anders zijn? De ontrechting is in Nederland succesvol geweest en het Joods bezit is snel in andere handen over gegaan en daar heb je notarissen voor nodig, die overigens onderdeel uitmaakten van het openbaar bestuur. ‘Binnen de onzekere bestuurlijke context van mei 1940 was het enige wat de notaris kon doen: op zijn post blijven, het werk zo goed mogelijk blijven doen en hopen dat de functie van het notariaat zou blijven gehandhaafd. Met die houding volgde men de gedragslijn van alle andere functionarissen in het openbaar bestuur.’ Daarmee is de conclusie verteld. Dat wisten we al wel, maar nu ligt er een dikke pil op tafel waar niemand aan voorbij kan gaan. Het belang van het boek is dus het feit dat deze studie er nu is. Dat ook de notarissen zich schuldig hebben gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een gebrekkig ethisch normbesef, angstige, laffe, calculerende en bureaucratische spruitjesmentaliteit, ja, dat wisten we al. Het bewijs is onomstotelijk, voor wie het nog niet wist of nog niet wilde weten.

Is dit een diskwalificatie? Nee, geenszins. Integendeel zou ik willen zeggen. Een hoogtepunt in de historiografie van de Nederlandse Holocaust. Eens in de zoveel jaar verschijnt zo’n dissertatie en dat lezen we met belangstelling en plaatsen een dergelijk werk na gelezen te hebben netjes in de kast, naast de andere doorwrochte studies. Als ik dat zo schrijf, lijkt het toch dat ik een soort voorbehoud maakt, alsof er een ‘maar’ achteraan komt en dat is ook zo. Een maar die niets met het boek te maken heeft, maar met de geschiedschrijving. Boeken als Kille mist wekken in mij een verlangen op naar een goed leesbare synthese van de Nederlandse Jodenvervolging, waarin de studies van Presser en De Jong opnieuw beschreven worden met de kennis van nu. Daar zijn we hard aan toe. Maar wie durft deze handschoen op te pakken? Het is veiliger om jarenlang de diepte in te duiken, dan het werk van de grote meesters opnieuw te doen. De Nederlandse wetenschappelijke afrekencultuur zal daar misschien debet aan zijn, maar heel jammer is dat wel.

Terug naar de notarissen. De onderzoeker Raymund Schütz kan natuurlijk niet verweten worden dat hij voor dit specifieke onderwerp gekozen heeft en niet getracht heeft een plekje te bevechten naast de grote drie.

Kille mist is de publieksuitgave van een dissertatie. Zeshonderd pagina’s, een grote bladspiegel en methodologisch verantwoord. En hoewel de auteur geen groot literator is, leest het boek goed en redelijk makkelijk, zeker als je het onderwerp in aanmerking neemt.

Enkele citaten:

‘Volgens Zygmunt Bauman is de Sjoa niet een toevallig incident, maar komt deze voort uit de organisatiestructuur van modern bestuur. De rationalisering heeft geleid tot een extreme arbeidsverdeling, degenen die het beleid uitvoeren zijn voor een klein deel verantwoordelijk. Het resultaat onttrekt zich aan hun perceptie. De beroepsethiek van beambten wordt bepaald door normen van efficiëntie en de continuïteit van het proces. Een moderne bureaucratie kan met beperkte maatregelen worden getransformeerd in een systeem dat classificeert, selecteert en mensen uitsluit van het recht. Iedere bij het proces betrokken beambte kan zijn eigen aansprakelijkheid ontkennen en functioneren als een bureaucratische robot. De notariële variant van die ontkenning is gebaseerd op de lijdelijkheid en de ministerieplicht.’ p. 73.

‘…, want het Dagelijks Bestuur riep de notarissen in feite op hun persoonlijke geweten bij de ambtsuitoefening niet mee te laten wegen. De overheidsdienaar moest de maatregelen trouw uitvoeren. Indien daarvan werd afgeweken, zou er bij de bezetter twijfel ontstaan over de betrouwbaarheid van de beroepsgroep en dan kwam de bestuurlijke positie van het notariaat in gevaar.’ p. 156

‘De loyaliteit aan de bezetter was een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van de beroepsgroep.’ … ‘Men hoopte op meer werk voor de notaris en dus meer inkomsten, maar de vraag was of die loyale houding inderdaad extra inkomsten opleverden.’ p. 157

‘De kanteling van de afwachtende houding naar een proactieve, faciliterende opstelling vond plaats in februari 1941. De belangrijkste drijfveer voor het Hoofdbestuur was toen de versterking van de bestuurlijke en financiële positie van de beroepsgroep.’ p. 158

‘De Hoge Raad wijdde twee vergaderingen aan deze zeer ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hoogste rechtscollege ging na stemming akkoord met de maatregel [ariërverklaring], omdat men zich kon indenken dat de bezetter de Joodse ambtenaren wantrouwde en hen als tegenstander beschouwde. De nazi’s hadden de Joden immers zo slecht behandeld, dat er geen basis kon zijn voor samenwerking. Corjo Jansen, de geschiedschrijver van de Hoge Raad in de bezettingstijd, concludeert dat het rechtscollege zelden een cynischer redengeving heeft opgesteld dan in deze kwestie.’ p. 161

Het notariaat liep moeiteloos mee ‘in de bredere bestuurlijke context, want de Nederlandse overheid richtte zich tijdens de bezetting op de handhaving van de continuïteit van het openbare leven’. De onafhankelijke positie van het notariaat werd verlaten door de slaafse opvolging van de verordeningen van de Duitse bezette. In coöperatieve opstelling was ook ingegeven door de hoop op meer inkomsten voor de notarissen, hetgeen niet is gelukt. ‘Toen het notariaat werd geconfronteerd met de arisering van het Joodse vermogen, eigendommen en onroerend goed heeft het Hoofdbestuur niet beseft dat medewerking aan dergelijke maatregelen een ethisch dilemma vormde.’ p. 187

Alle notariële kerncompetenties, zoals het bewaken van de rechtszekerheid, de rechtsongelijkheid, de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en geheimhoudingsplicht werden moeiteloos geschonden.

‘De pragmatische houding ten aanzien van de Duitse ariseringsmaatregelen van de Broederschap staat in schril contrast met de opstelling van de Belgische notarissen. Zij kozen, binnen de weerbare Belgische bestuurlijke context, eerst voor de vertragingstactiek en uiteindelijke voor weigering van medewerking aan de Duitse ariseringsmaatregelen. Maar in de Nederlandse bestuurlijke en juridische context was geen plaats voor ethische argumenten en evenmin voor toetsing aan de grondwet of aan het volkerenrecht. Het Hoofdbestuur riep de notarissen op om hun geweten uit te schakelen en om de verordeningen naar de letter en de geest van de wet uit te voeren. Morele overwegingen mochten volgens het Hoofdbestuur daarbij geen rol spelen, maar ondanks dat namen sommige individuele notarissen wel degelijk een ethisch standpunt in.’ p. 188

Een voorbeeld daarvan is notaris Kruisinga uit Vriezenveen.

Na de oorlog rest de zuivering van de beroepsgroep en het rechtsherstel. En u voelt het al aankomen. Op last van de regering in ballingschap moest het openbaar bestuur op zijn plaats blijven en bestuurlijke chaos en erger voorkomen. De notarissen hebben zich hieraan (vrijwillig en met hart voor de zaak) gecommitteerd. De verordeningen van de bezetter moesten nauwgezet gevolgd worden. En nu bij de noodzakelijke zuivering was samenwerking eerder een vorm van collaboratie! Daarnaast hadden de notarissen geld verdiend aan onder andere de gedwongen overdracht van Joods onroerend goed. De notaris was lijdelijk en conformeerde zich aan het accomoderende beleid van het openbaar bestuur en wordt nu door de minister van Justitie aangesproken op haar ‘foute’ rol en houding tijdens de oorlog. Deze schoen wringt natuurlijk. Veel notarissen, in ieder geval aanvankelijk de Broederschap, keerden zich tegen het gedwongen terugbetalen van vergoedingen die tijdens de oorlog aan Joods vastgoed zijn verdiend. Het terugbetalen betekende immers een schuldbekentenis en de ontrechting was niet de schuld van de notarissen maar van de Duitse verordeningen en het honorarium van de notaris was betaald door de koper, niet door de onteigende Joden. De ring Amsterdam keerde zich fel tegen het Hoofdbestuur. Veel andere notarissen waren ook van mening dat het passeren van deze akten principieel onjuist was geweest. En ook hier wringt weer de schoen. Want waarom hebben deze notarissen hun stem en protest niet eerder laten horen? Was men niet een beetje laf of schijnheilig? Uiteindelijk moest de Broederschap bakzeil halen. In ruil voor het restitutiebesluit kregen de notarissen immuniteit voor verdere rechtsvervolging. Hiermee heeft de minister van Justitie persoonlijk rechtstreeks ingegrepen in de rechtsgang en de vervolging van notarissen gestopt dan wel voorkomen.

‘In 1947 verzuchtte de Amsterdamse Ring van Notarissen in het jaarverslag: ‘Als een kille mist hangt in en over de kantoren klamme rechtsonzekerheid. Welke notaris vermag van na 1942 overgedragen onroerende goederen een rechtsgeldige titel te garanderen?’ p. 316

Dit betekent dat de titel van het proefschrift gaat over de rechtsonzekerheid en is dus niet zozeer een directe kwalificatie van de rol die notarissen hebben gespeeld. Dat maakt de titel enigszins onbruikbaar. Lafhartigheid en gebrek aan ethisch besef, was een betere titel geweest, maar deze titel houdt meer een moreel oordeel in.

Na de zuivering en rechtsherstel was het tijd de ethische principes van het ambt van notaris te herijken. De Eindhovense notaris mr. L.J.M. Claessens schreef hierover dat de formalisering van onrecht het grootste notariële vergrijp is, omdat de notaris de sociale plicht heeft de rechtszekerheid te bewaken. ‘Nadat Cleassens de lijdelijkheid een fabel noemde, konden notarissen zich in ethisch en juridisch opzicht niet langer daarachter verschuilen.’ De lijdelijkheid was een versteend dogma en in strijd met het moderne notarisambt. p. 431

Wat moeten we nu met de uitkomsten van de studie van Raymund Schütz? Het doel van het onderzoek was hoe het gedrag van de notarissen tijdens de bezetting zich verhield tot de eigen beroepsopvatting en het eigen ethische kader. Hierboven zijn de conclusies al genoemd: spilfunctie bij Jodentransporten, pragmatische houding, bestuurlijke continuïteit, bredere bestuurlijke context, accommodatie, lijdelijkheid, facilitering, conformisme, onmisbaarheid van het notariaat, slaafse acceptatie van arisering van de beroepsgroep, formaliseren van onrecht, meegaande houding, ontbreken van een erecode, gebrekkige beroepsethiek, opportunisme, gebrek aan empathie met Joden, grootschalige medewerking aan de ontrechting van de Joden, kille en technocratische houding, gesneuveld gelijkheidsbeginsel, robotisme, ontbreken maatschappelijk fatsoen, gebrek aan reflectie op rechtsbeginselen en beroepsethiek, kostenefficiëntie. Het staat er allemaal, en ja het is terecht, beslissingen moesten genomen worden in een repressieve omgeving. Maar welke conclusie wordt hieraan verbonden? Schütz sluit af: ‘Als de rechtstaat geweld wordt aangedaan, terwijl iedereen wegkijkt, blijft er achter de kille mist van het geformaliseerde onrecht alleen nog maar chaos over.’ Een terechte conclusie op basis van het onderzoek. Maar een gemiste kans voor open doel. Als je onderzoek doet waarbij ethisch normbesef onderwerp van het onderzoek is, mag je wat mij betreft ook een morele conclusie vellen en een aanbeveling doen voor de toekomst. Het beleid van de notarissen (en de overheid in zijn algemeen en het bedrijfsleven in het bijzonder) is mogelijk gemaakt door een principieel verkeerde beslissing en inschatting van de Nederlandse overheid. Door mee te werken met de vijand (om erger te voorkomen) is het allemaal veel erger geworden, is er meer onrecht gedaan en zitten we opgescheept met een situatie dat we momenteel al meer dan zeventig jaar met enige felheid discussiëren over de Duitse bezetting en Jodenmoord, terwijl dit anders was geweest als iedereen samenwerking met de vijand om principiële redenen zou hebben afgewezen. Een categorisch en principieel nee tegen een bezetter en onrecht zou de leidraad moeten zijn voor alle overheidsdienaren en het bedrijfsleven. Dit moet in een wet vastgelegd worden en van de daken worden geschreeuwd. Is dit een oordeel of conclusie die een historicus mag formuleren? Van mij wel. Ja, laten we het maar ronduit zeggen: door lafheid is veel ellende ontstaan. We hadden onszelf moeten dwingen dapper te zijn. Dat had de slotconclusie van het boek moeten zijn. En daarmee zijn we weer bij Loe de Jong.

Raymund Schütz doet dus bijna alles goed, maar kopt de bal krachteloos net naast het doel.

Holocaust in het nieuws

Het is merkbaar dat Holocaust Memorial Day eraan komt (27 januari). De belangstelling voor de Sjoa leeft hierdoor op. We doen een willekeurige greep uit de media.

Poort van Dachau is teruggevonden, de Volkskrant, 3 december 2016. ‘De gestolen deur van voormalig concentratiekamp Dachau is teruggevonden in Noorwegen. De politie van Bergen trof na een anonieme tip de 100 kilo zware ijzeren hekpoort aan met de beruchte tekst ‘Arbeit Macht Frei’. De deur werd in de nacht van 2 november 2014 bij de ingang van het herdenkingscentrum Dachau uit de hengsels gelicht.’

De kanarie in de kolenmijn, NPO2, Eerste aflevering zondag 4 december 2016. Hanneke Groenteman gaat op zoek naar het antisemitisme in Nederland en komt tot een schokkende conclusie. De kolenmijn is allang vergiftigd.

De claim, NPO1, maandag 5 december 2016. Een documentaire over de Restitutiecommissie die moet oordelen over de eigendomsvraag van geroofde kunst van met name Joden uit de Tweede Wereldoorlog. Een aanvrager moet aannemelijk maken dat de kunst toebehoorde aan zijn familie. Lion Tokkie slaagt daar niet in omdat hij zich als kind niet alle details met zekerheid kan herinneren en er 62 schilderijen van Isaac Israël zijn met ezeltjes. Mevrouw Hamburger uit Zwitserland was succesvoller met het terughalen van twee schilderijen van Ferdinand Bol uit het gemeentemuseum uit Roosendaal.

In de ban van sport, RTL7, maandag 5 december 2016, ex-Feyenoorder Jan Boskamp is bezeten van de Tweede Wereldoorlog. In deze reportage brengt hij onder andere een bezoek aan Yad Vashem, het graf van Oskar Schindler in Jeruzalem, het Joods Museum en het Holocaustmonument in Berlijn.

We moeten het echt over de Holodomor hebben, NRC Handelsblad, woensdag 7 december 2016. Een artikel van slavist Tobias Wals over het uitroeien door verhongering van de bevolking van Oekraïne door de Sovjet-Unie tijdens het Interbellum, een vorm van genocide waar de Amerikaanse historicus Timothy Snyder een belangwekkend boek over heeft geschreven.

Nieuwsbrief Verzetsmuseum, donderdag 8 december 2016, activiteiten in de kerstvakantie en aankondiging vijfdelige lezingenserie ‘Helden en schurken 2017’ in samenwerking met het Historisch Nieuwsblad, NTR/VPRO/NPO Geschiedenis en NIOD.

Nieuwsbrief Herinneringscentrum Kamp Westerbork, donderdag 8 december 2016. ‘Op zondag 18 december aanstaande vertelt Bertien Minco, directeur van het Jeugdcultuurfonds, over haar autobiografische boek Liever niet op reis in het museum van Kamp Westerbork. Minco’s grootmoeder Bertha Henriette Denneboom overleefde als enige van haar Joodse gezin de oorlog, maar sprak daar nooit over. Sinds een aantal jaren doet Minco onderzoek naar haar familiegeschiedenis. Liever niet op reis is haar debuutroman.’

Den Haag wil foute behandeling Joden na WOII rechtzetten, Den Haag Centraal, donderdag 8 december 2016. ‘De weinige Haagse Joden die de kampen overleefden vonden bij terugkeer gemeentelijke aanslagen voor erfpacht en straatbelasting op hun deurmat. Uiteindelijk is er mogelijk zo’n 100.000 gulden geïnd. De stad zal dat geld,  omgerekend naar de huidige waarde zo’n één miljoen euro, waarschijnlijk aan Joodse doelen schenken.’

Aangiften roofkunst online, de Volkskrant, 8 december 2016 van Michiel Kruijt. ‘Veertienduizend formulieren waarin Joodse Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog aangifte hebben gedaan van roof van goederen door de Duitse bezetter, zijn vanaf vrijdag te raadplegen op internet. Op de website herkomstgezocht.nl kunnen erfgenamen nagaan of hun voorouders kunst en cultuurgoederen als vermist hebben opgegeven.’

Auschwitz Bulletin, december 2016, kwartaalblad van het Nederlands Auschwitz Comité met onder andere een interview met professor Timothy Snyder die de ‘Nooit Meer Auschwitz Lezing 2017’ zal houden (‘De Holocaust is levende geschiedenis’), Zoni Weisz: ‘Met kleindochter naar Auschwitz’ en het eerste deel van een drieluik over Juda en Hansje Swaab.

Laren richt een monument op voor de 46 vermoorde Joodse kinderen van de Berg-Stichting, Larense zaken, december 2016. In dit artikel van burgemeester Elbert Roest wordt de oprichting van het monument aangekondigd en tevens wordt een oproep gedaan aan voormalige bewoners van de Berg-Stichting zich te melden zodat zij geïnterviewd kunnen worden voor het boek De slag om de Berg-Stichting.

Life writing, Fictie/non-fictie: een kritiek, de Nederlandse Boekengids, jaargang 1, nummer 6. Een artikel van Maarten Asscher. ‘Hoewel het begrip life writing een zeker nut heeft, verhult het als we niet uitkijken meer dan het verheldert. Over het contract met de lezer en over moraal op de dunne lijn tussen fictie en non-fictie, aan de hand van Anne Frank en Christophe Boltanski’ (De schuilplaats).

Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset, documentaire EO op NPO2, 14 december 2016 van regisseur In-Soo Radstake. Een dag later wordt deze documentaire besproken in NRC Handelsblad door Hans Beerekamp (‘Bittere familiestrijd tweede generatie’). ‘ Kinderen van oorlogsslachtoffers, de zogeheten ‘tweede generatie’, hebben vaak te maken met rivaliteit in verdriet. Hun eigen problemen kunnen nooit opwegen tegen wat hun ouders hebben meegemaakt, in Auschwitz, het Jappenkamp of een onderduikadres. Als ze pech hebben krijgen de affectief verwaarloosde broertjes en zusjes ook nog eens onderling heibel, voor zover ze al niet tegen elkaar worden opgezet. Het is een bekend gegeven, maar zelden werd het zo pijnlijk geïllustreerd als in de documentaire Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset (2DOC/EO) van regisseur In-Soo Radstake. De film is het antwoord op – en bijna een wraakoefening wegens de eerdere documentaire Verlies Niet de Moed (2DOC/VPRO) uit 2014. Daarin voerde kunstenares Hella de Jonge-Asser moeilijke gesprekken met haar vader, tekstschrijver en journalist Eli Asser, over diens zwijgen na de oorlog. Hella’s oudere zus en broer werden in die film niet of nauwelijks genoemd. Choreograaf Joosje en advocaat David Asser vertellen in de nieuwe film interviewer Frénk van der Linden hun visie, hoe hun zus alle aandacht naar zich toe heeft getrokken en zonder hun toestemming het hele familiearchief tentoonstelde in herinneringscentrum.’

Nieuwsbrief Nederlands Auschwitz Comité, 16 december 2016. ‘Het Nederlands Auschwitz Comité presenteert het nieuwe ontwerp van het Holocaust Namenmonument Nederland. Ontworpen door de wereldberoemde architect Daniel Libeskind. Het Nederlandse Auschwitz Comité heeft samen met de Pools-Joodse architect Daniel Libeskind op 16 december 2016 het nieuwe ontwerp voor het Holocaust Namenmonument Nederland gepresenteerd. Dit nationale monument komt – meer dan 70 jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog! – in het hart van het Joods Kwartier in Amsterdam, daar waar het zich heeft afgespeeld.’

Nieuwsbrief Anne Frank Stichting, 16 december 2016. ‘Onderzoek Anne Frank Stichting geeft ander perspectief. Nieuwe invalshoek arrestatie Anne Frank. Niet de bekende vraag ‘Wie heeft Anne Frank verraden?’ stond in het onderzoek centraal, maar de vragen ‘Waarom vond de inval in het Achterhuis plaats, en op grond van welke informatie?’. Het onderzoek biedt nieuwe inzichten: mogelijk heeft illegale arbeid en bonnenfraude een rol gespeeld bij de inval in het pand aan de Prinsengracht 263 en geleid tot de ontdekking en arrestatie van Anne Frank.’ Een dag later bericht de Volkskrant erover met een voorpublicatie van het bericht (‘Werd Anne wel verraden?’).

‘Identiek aan zijn regime.’ Recensie in de Volkskrant, 17 december 2016, over de nieuw vertaalde biografie van Hitler door Peter Longerich. ‘In zijn nieuwe biografie van Adolf Hitler buigt Peter Longerich zich over de vraag in hoeverre de nazileider verantwoordelijk was voor de uitvoering van zijn beleid.’

Onderzoek uitgelicht. Over herdenken, vieren en herinneren, uitgave van Nationaal Comité 4 en 5 mei. Jaargang 5, nr. 2. Themanummer Indonesië.

Getekend nieuws, uitgave van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 25e jaargang (2016), nummer 2. Onderwerpen: Herinneringscentrum breidt uit, Kinderen met een ster (tentoonstelling en boek van Martine Letterie), bespreking boek De bewakers van Westerbork, Potocari Memorial Centre.

Gerton van Boom

Gepost op

Raul Hilberg

De vernietiging van de Europese Joden 1939-1945

Het standaardwerk over de holocaust

Raul Hilberg

Professor Raul Hilberg heeft zijn hele werkzame leven gewijd aan wetenschappelijk onderzoek van de Holocaust. Zijn magnum opus, De vernietiging van de Europese Joden, verscheen voor het eerst in 1962. Tot aan zijn dood in augustus 2007 heeft Hilberg zijn monumentale studie bijgewerkt en uitgebreid. De Nederlandse uitgave is daarmee de meest complete versie van zijn onvolprezen werk. De vernietiging van de Europese Joden is geen boek over de slachtoffers, maar een studie van de daders. Hilberg concentreerde zich op de Duitse politieke en de administratieve systemen. Het lijden van de Joden speelde in zijn werk geen grote rol. In ruim 45 jaar is Raul Hilberg uitgegroeid van grondlegger en pionier van het onderzoek naar de Jodenvervolging tot hoogste autoriteit op het gebied van onderzoek naar de Shoah. Raul Hilberg ontving op 22 januari 2004 in Amsterdam van het Nederlands Auschwitz Comité de Annetje Fels-Kuperschmidtonderscheiding.

Lees de recensie in de Volkskrant:

www.volkskrant.nl

 69.50 Boek bestellen

Gepost op

Joden op drift – 27 november 2016

Joden op drift

Afgelopen weken was er weer veel aandacht voor de Holocaust. Op 23 november 2016 werd de eerste aflevering vertoond van de miniserie De Zaak Menten naar het onderzoek en boek van Hans Knoop. Ook werd op deze dag een poëziealbum-gedicht van Anne Frank uit 1943 geveild voor € 140.000. Eerder besteedde De Volkskrant aandacht aan de nieuwe geannoteerde versie van Mein Kampf van Adolf Hitler (‘Van Mein Kampf kun je leren wat de kracht van onzin is’). Een belangrijk werk, want zonder Hitler geen Holocaust.

We werden opgeschrikt door het smakeloze bericht van Holocaust on Ice. IceAge, een programma dat te vergelijken is met Sterren dansen op het ijs. Gekleed in een streepjeskostuum met gele davidster voerden olympisch kunstschaatskampioen Tatiana Navka en acteur Andrei Burkovsky een routine uit waarin zij gevangenen uit een concentratiekamp voorstellen. In het begin van de kuur kijkt het paar elkaar serieus aan, maar al snel breekt een lach door en worden de kenmerkende draaien en sprongen uitgevoerd. Ook zien we hoe Navka en Burkovsky elkaar zogenaamd neerschieten met een geweer. De kuur was gebaseerd op de film La Vita e Belle. Verontwaardiging alom, maar het is toch intrigerend wat de makers in gedachte hadden toen ze dit ballet bedachten? Nu is het wel bekend dat de Holocaust niet heel veel aandacht heeft gekregen in de Sovjet-Unie, maar iedereen kan aanvoelen dat er een dergelijke vermaak zich moeilijk laat combineren met een tafereel uit het concentratiekamp.

Daarnaast verschenen er vier nieuwe boeken die vermeldenswaard zijn: The Holocaust, Israel and ‘the Jew’. Histories in Postwar Dutch Society, een uitgave van het NIOD (Remco Ensel en Evelien Gans red.), Lenteloos voorjaar. Oorlogsdagboek 1940-1941 van Hanny Michaelis, De bewakers van Westerbork van Frank van Riet en Joden op drift van Joseph Roth. En dat laatste boek zullen we hier bespreken.

Jospeph Roth is een belangwekkend Joods-Oostenrijks auteur van boeken als Radetzkymars en Job. Zijn essaybundel Juden auf Wunderschaft uit 1927 werd in 1937 aangevuld met een tweede aanvulling. Het boek is nu voor het eerst vertaald in het Nederlands voorzien van een voorwoord van Geert Mak, tekeningen van Paul van der Steen en een nawoord van vertaalster Els Snick. Als een boek van een dergelijk bekend auteur nooit eerder uitgegeven kan dat twee dingen betekenen: het is een verloren pareltje of het was niet de moeite waard. We gaan op onderzoek uit…

Geert Mak opent zijn inleiding met: ‘Joden op drift is een zeldzaam juweel uit een verloren tijd.’ Ja, dat zet de toon natuurlijk. Volgens mij is Geert Mak wel een verdienstelijk auteur van geschiedkundige werken, maar geen erkend deskundige op het gebied van de geschiedenis van het Joodse volk, de Jodenvervolging en wat daarmee samenhangt. De inleiding ademt daardoor de sfeer van een vriendendienst uit. Aan het einde van zijn inleiding schrijft Mak: ‘In de kern is dit kleine juweel een liefdesverklaring aan het “armenhuis” waaruit Roth zelf voortkwam, aan die schimmige Oost-Europese joden die we enkel nog kennen als een handvol foto’s, als een enkel beeld op een vergeten film.’ In vijf opstellen wil Roth de niet-joden en de joden uit West-Europa begrip bijbrengen voor het ellendige bestaan van de Oost-Europese joden. Hij doet dat op een animerende maar generaliserende manier. Dat maakt het wel tot vermoeiende lectuur op een gegeven moment. De jood bestaat natuurlijk niet.

In 1937 schrijft Roth het tweede voorwoord bij zijn boek en dit epistel is het meest boeiende van de bundel geworden. Hij is erg duidelijk, als je in 1937 het gevaar nog niet ziet… Hij windt zich op over de Duitse joden het trekken verleerd zijn. Ze voelen zich in de eerste plaats Duits. Het ware joodse karakter hebben ze afgelegd. ‘Het zijn als slakken met twee huizen op hun rug.’ … ‘Hij trekt – of nee, hij wankelt eerder, in de ijdele hoop dat het allemaal zo erg niet zal worden – een hoop die niets anders is dan moreel verderf. Hij beschuldigt de Duitse joden ervan dat ze bereid zijn tot een compromis waarbij ze als minderwaardig worden behandeld. Hij is bozen op ze omdat ze zwijgen over alle vernederingen die ze moeten ondergaan. ‘Hun vermogen die vernedering te verdragen is hun grootste geluk.’

‘Miljoenen proleten hebben dringend een paar honderdduizend  joodse stakkers nodig om – zwart-op-wit – hun superioriteit te bewijzen.’ De tirade gaat door en is terecht. Maar wat is de oplossing? Joseph Roth geeft eerlijk toe dat hij geen toverstokje heeft. ‘Tot volledige gelijkberechtiging en waardigheid die nodig is om vrij te leven, kunnen joden pas komen als hun ‘gastheervolkeren’ zelf vrije mensen zijn geworden met een waardigheid die hun toestaat begrip te hebben voor menselijk leed. Het is nauwelijks aan te nemen dat de ‘gastheervolkeren’ de weg naar deze vrijheid en deze waardigheid zullen inslaan. Gelovige joden blijft de hemelse troost. De anderen het ‘vae victis’. We schrijven 1937.

Een juweel is Joden op drift niet. Wel is het een eerlijk en onbarmhartig boek van iemand die zijn broeders niet de hand boven hun hoofd hield. Een keiharde spiegel en een les voor de toekomst.

Gepost op

Austerlitz – 18 november 2016

Austerlitz

Op IDFA 2016 worden ongeveer 300 documentaires getoond. Vier ervan hebben betrekking op de Holocaust. We hebben gekozen voor de film die de meeste aandacht kreeg: Austerlitz van de Oekraïense cineast Sergei Loznitsa. Na afloop was er ook een extended Q&A met moderator Max van Weezel en Joël J. Cahen, directeur van het Nationaal Holocaust Museum.

En ja, laat ik maar met de deur in huis vallen: dat viel allemaal niet mee!

Een zwart-wit documentaire van negentig minuten waarin niet gesproken wordt. De camera werd geplaatst in (hoofdzakelijk) Sachsenhausen en Dachau en de bezoekers werden vanuit verschillende posities commentaarloos geobserveerd. De Volkskrant noemde het in een artikel van 11 november 2016 crowdfilming. Op zomerse dagen is gefilmd. De bezoekers komen in T-shirt en korte broek naar de kampen.

Je verwacht een film waarin bezoekers van een concentratiekamp zich niet weten te gedragen en dat we daarover verbolgen kunnen zijn. Vooraf moest ik denken aan een bezoek aan Birkenau. Een VMBO-klas rende door Birkenau alsof het een speeltuin was. Ik was er samen met Rob Cohen, kampoverlevende en auteur van zijn autobiografie Niet klein gekregen. We wilden de SS-uitkijkpost boven de ingang van het kamp bezoeken. Maar daarvoor moesten kaartjes gekocht worden die uitverkocht waren. Rob werd boos en liet met veel gebaar zijn kampnummer zien. De vrouw achter het loket schrok zich rot en liet ons spoorslags en beschaamd door. Ik was ook een beetje ontdaan door het ongegeneerde gebruik van zijn tatoeage. In ieder geval werkte het wel. Rob: ‘Auschwitz is van ons, niet van hen.’

We konden doorlopen. En boven in de toren kwamen we een klas tegen. Schelden, tieren en ontevreden schreeuwden de leerlingen door het gebouw: ‘Wat een kutzooi, hier!’ Ik schaamde me diep om Nederlander te zijn. Wat een ongepast gedrag van deze blanke, ‘welopgevoede’ pubers. Ik vroeg aan een docent, die er schaapachtig bij stond en niet ingreep, waar ze vandaan kwamen. Uit Den Haag zei hij verontschuldigend, terwijl hij zich niet moest verontschuldigen dat ze uit Den Haag kwamen maar voor het gedrag van zijn leerlingen. Rob keek er niet van op. Hij gaf veel gastlessen op vooral multiculturele ROC’s. Op deze scholen waren de kinderen respectvoller dan de ontevreden blanke Hageneesjes.

Ik dacht dat Austerlitz het ongepaste en ongemakkelijke gedrag van de bezoekers zou vastleggen. Maar dat viel reuze mee. De meeste mensen gedroegen zich serieus en respectvol. En ja, velen maakten selfies bij het Arbeit Macht Frei-hek. Is dat verwerpelijk? Is dat een onethische vorm van herdenken? Sensatiebelust? Nee, dat valt reuze mee. Mensen willen thuis laten zien waar ze geweest zijn. Daar is niet zoveel op tegen. Kortom, er was dus helemaal niets boeiends te zien. Negentig minuten lang hebben we gekeken naar mensen die op een normale manier een concentratiekamp bezoeken. En hoe doe je dat op een normale manier? Geïnteresseerd, rustig en met respect. Dat was dus precies wat er grosso modo te zien is.

Het concept van de film was (te) eenvoudig. Op een vaste plek werd de camera geplaatst en draaide ongeveer tien minuten. Na tien minuten een andere locatie. Een kind kon de was doen. Je zou verwachten dat een dergelijk simpel concept op een gegeven moment de kijker dwingt tot bepaalde overpeinzingen en gewaarwordingen. Dat klopt! Als eerste kwam bij mij de vraag boven: Waar zitten we naar te kijken? Als de filmer hetzelfde concept zou hebben gehanteerd op een andere plaats, zou dat ongeveer hetzelfde resultaat opleveren, maar iedereen zou de documentaire afdoen als oninteressant. Nu het over bezoekers van een concentratiekamp gaat, moet er haast wel een intellectuelere laag in zitten. Maar deze laag weigert boven te komen drijven. Is er misschien niet. Een manier om een culturele subsidie los te krijgen? Hiermee exploiteert de filmmaker de Holocaust eigenlijk voor zijn intellectueel nietszeggende experiment. Een niet geslaagd en te pretentieus project dus.

De tweede gedachte die bij mij boven kwam was dat alle bezoekers blank zijn. Geen moslim gezien. Dit betekent dat de kampen alleen bezocht worden de nazaten van de overlevenden van de Tweede Wereldoorlog. Dat is goed, maar waarschijnlijk zijn deze bezoekers al overtuigd van het feit dat de Endlösung zich niet mag herhalen. De multiculturele medemens lijkt niet geïnteresseerd en misschien is dat juist de doelgroep die deze musea (of zijn het herdenkingsoorden?) moet bezichtigen. Waar is de moslim in de herinneringscentra? Waarom komt de gekleurde medemens niet een kijkje nemen in het crematorium? Waarom blijven de Aziaten massaal weg, terwijl ze elders als zwermen de toeristische bezienswaardigheden overlopen? Ja, het zijn vragen die niet beantwoord worden. Je kan zeggen dat dit de kwaliteit is van Austerlitz. Omdat je je verveelt en wanhopig zoekt naar de dieperliggende intellectuele laag onder de film die er niet is en je zelf dus een laag verzint…

Even over de titel. Austerlitz verwijst, volgens de documentarist, naar een roman van W.G. Sebald. Jacques Austerlitz is een jonge Joodse vluchteling die in 1939 Engeland bereikt met een kindertransport. Op latere leeftijd gaat hij op zoek naar zijn wortels. Zijn ouders hebben de oorlog niet overleefd maar echte sporen weet Austerlitz niet te vinden.

Het blijft onduidelijk wat de link is tussen de documentaire en de roman van Sebald. In het artikel in De Volkskrant wordt het uitgelegd. Loznitsa zou geïnteresseerd zijn in het systeem achter de nazi-gruweldaden. In het boek van Sebald schenkt de auteur veel aandacht aan de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. Nu wil ik veel geloven maar de film ging niet over de architectuur en esthetiek van de vernietigingskampen. De film gaat over mensen die zo’n oord bezoeken.

In de Q&A vermeldt de filmmaker ook nog even dat Austerlitz ook een (thans Tsjechisch) plaatsje is waar in december 1805 de Driekeizerslag heeft plaatsgevonden, die door de Franse keizer Napoleon op miraculeuze wijze gewonnen werd terwijl de tegenstanders in overtal waren. Het zou in Tolstojs Oorlog en Vrede genoemd worden. Ook deze verwijzing blijft in nevelen gehuld.

Nu zijn we inmiddels bij de extended Q&A aangekomen. De samenvatting van dit onderdeel is heel eenvoudig: pijnlijk op alle fronten. De deelnemers moesten allemaal Engels spreken en dat ging ze zichtbaar moeilijk af (‘It’s still question…’). De Q&A was ook pijnlijk en schaamteverwekking doordat de moderator Max van Weezel zich niet serieus voorbereid had. Hij is politiek commentator van Vrij Nederland en heeft een Joodse achtergrond. Het gesprek met Sergei Loznitsa verliep heel moeizaam, ook doordat Van Weezel de film niet begrepen had. Van Weezel: Is de film een aanklacht tegen leeghoofden? Loznitsa: Nee. Van Weezel: Veroordeel je de selfies? Loznitsa: Nee, we weten niet hoe we ons moeten gedragen. De filmmaker heeft een film zonder waarden willen maken, maar de moderator wil zingeving en dieperliggende lagen naar boven halen en die krijgt hij niet van de filmer. Dit is het. Het wordt verwarrender als je in De Volkskrant leest dat de filmmaker de absurditeit van de situatie goed wilde vastleggen en zodoende ringtones en foto-klikgeluiden heeft toegevoegd. Van Weezel vraagt er niet naar.

Dan maar vragen uit het publiek. De antwoorden laten het volgende samensmeltende beeld achter: ‘Mensen interviewen heeft geen zin, mensen zijn moeilijk en niet eerlijk. Daarom kunnen we beter naar de mensen kijken. Er hoeven geen regels te komen. Hij pleit voor waardenvrijheid van de ziel. Only education can help. It’s family thing. School? I don’t know.’

We worden uit ons lijden verlost door het afsluitende compliment van Joël J. Cahen aan Sergei Loznitsa: ‘Congratulations with your impressive documentary.’ Ja, je moet er iets van maken en het positief afsluiten. Maar we hadden medelijden met Cahen; het was ongetwijfeld een van zijn moeilijkste en meest ongeloofwaardige complimenten uit zijn leven, vrees ik.

Gerton van Boom

Gepost op

De nazi en de kapper – 6 november 2016

De nazi en de kapper

Satire en Holocaust is een moeilijke combinatie. Mag het? Kan het? Het is balanceren als het om de Holocaust gaat. Je moet goed op je woorden letter een verkeerde intonatie kan al rampzalig zijn en hevige reacties opwekken. Een van mijn eerste ervaringen als Holocaust-uitgever was een opmerking tijdens een boekpresentatie dat Joden zich als schapen naar de slachtbank hebben laten leiden. Dat was een opmerking die zwaar bekritiseerd werd. Hoezo schapen? Dat was een dom dier en Joden vergelijken met domme dieren was ‘not done’. Dat klopt. Het was een onzorgvuldige opmerking, die ook de pogingen tot verzet en bijsturing negeerde. Al jaren probeer ik ook het woord ‘leuk’ uit te bannen als het om een onderwerp gaat dat met de Jodenvervolging verband houdt. ‘Leuk’ kan beter door ‘interessant’ vervangen worden, maar het gezellige gewoontewoord is bijna onuitroeibaar. En dit zijn nog maar twee gewone voorbeelden. Bij humor en Holocaust liggen de grenzen nog vele malen ongunstiger voor de argeloze schrijver en lezer.

Een van de weinige voorbeelden waarbij de combinatie geslaagd genoemd kan worden is De nazi en de kapper van Edgar Hilsenrath, het Roemeense slachtoffer van de sjoa met de gitzwarte humor. Hij schreef ook boeken als Nacht (over zijn jeugdervaringen in het getto van het stadje Moghilev-Podolsk in Transnistrië, het land aan de overkant van de Dnjester dat destijds onder Roemeens bestuur stond), De thuiskomst van Jossel Wassermann, De belevenissen van Ruben Jablonksi, Het sprookje van de laatste gedachte (Armeense genocide) en Fuck America.

Hilsenrath is altijd omstreden geweest en heeft in het begin van zijn schrijverscarrière veel moeite gehad om zijn werk te publiceren. Vaak werd gezegd dat de Joden nog niet rijp waren voor zijn werk; het was te zwartgallig. Hij liet zien dat Joden ook gewoon mensen zijn met goede en slechte eigenschappen. Hij schreef zijn belangrijkste werken in een tijdgewricht waarin filosemitisme heerste over antisemitisme. Hilsenrath noemde dit filosemitisme dan weer een vorm van geniepig en schrijnend antisemitisme. Hilsenrath had een Céline-achtige humor, van het foute soort dus dat moeilijk te verkopen was.

Maar het boek De nazi en de kapper is ongekend populair geworden. En nu is er ook de toneelbewerking. Wij gingen op zaterdag 5 november 2016 kijken in Theater Ins Blau in Leiden. We hebben anderhalf uur lang geboeid zitten kijken. En gelachen dat we hebben! Geen moment was dat storend, nergens voelde je schaamte opkomen omdat het om een loodzwaar onderwerp handelt dat geen lach verdraagt. De twee acteurs, René van ’t Hof en René Groothof, maakten er een geweldig toneelspel van.

De kern van het boek is gebaseerd op een waargebeurd verhaal; een nazi die de gedaante van een Jood aanneemt. In een interview in De Groene Amsterdammer lezen we het volgende: ‘Het artikel was afkomstig uit The Jewish Echo van oktober 1948 en ging over Erich Hohn, een Gestapo-man die na de oorlog zijn naam in Julius Israel Holms had veranderd en zichzelf uitgaf als joods slachtoffer van een Duits concentratiekamp. Voor hij ontmaskerd werd, had Hohn/Holms zich zelfs laten verkiezen tot vice-voorzitter van een gezelschap dat vervolgden van het naziregime verenigde.’

In het boek en toneelstuk neemt de nazi en massamoordenaar Max Schulz na de oorlog de gedaante aan van zijn Joodse jeugdvriend en kapperszoon Itzik Finkelstein die hij in de oorlog samen met zijn ouders in een concentratiekamp vermoord had. Max emigreert naar Israël en gaat daar als kapper werken en maakt daarna carrière als Joodse vrijheidsstrijder tegen de Engelsen.

De vragen die hierbij naar boven komen zijn: Waarom kruipt Max Schulz in de huid van Itzak Finkelstein? Wat is de moraal of boodschap van het verhaal?

Het onbeantwoord blijven van deze vragen zet natuurlijk aan tot nadenken. Onbevredigd dreig je de schouwburg te verlaten. Dat maakt het toneelstuk zo boeiend. Er wordt gelachen en gehuild en het zet aan tot nadenken. De twee René’s kwamen na de voorstellen ook aan de bar een biertje drinken en we hebben Van ’t Hof even aangeschoten. Hij wist de moraal van het verhaal ook niet onder woorden te brengen. Hij zag met name een verbinding met het heden en de vluchtelingen en de PVV. Hij vond het een waarschuwing. Maar dat bevredigt toch niet helemaal, hoewel het natuurlijk kan kloppen. De auteur van het werk onthult de ware boodschap ook niet. Wat dan overblijft is een bizarre bewerking van een verhaal dat grotendeels waar gebeurd. Maar wat moeten wij daarmee, anders dan verbazing en verpozing?

Na enig wikken en wegen kwamen we tot de volgende slotsom. Max Schulz is nazi geworden uit jaloezie en hebzucht (de kapsalon van de vader van Itzak deed het beter dan de kapsalon van vriend Max). Zijn antisemitisme was een middel voor economische en maatschappelijke verbetering. De massamoordenaar kreeg aandacht en status voor zijn rol als moordenaar. Na de oorlog sloeg deze waardering om in walging en afwijzing. Door in de huid van zijn slachtoffer te kruipen gaat hij weer voor zijn eigen lijfsbehoud en persoonlijke gewin. Dat hij zelfs naar Israël emigreert en de rest van zijn leven onder en met de Joden leeft en voor hen strijdt geeft aan dat zijn (voor-) oorlogse antisemitisme instrumenteel was; geen diepgevoelde weerzin. Het was een middel om een doel te bereiken en geen doel in zichzelf. Feitelijk had hij niets tegen de Joden, maar hij was wel ontevreden of zijn eigen positie en status. Zijn afgunst en jaloezie voedden zijn antisemitisme. Afgunst en jaloezie zijn menselijke trekken, nietwaar!

Is dit de boodschap die Edgar Hilsenrath ons wil vertellen? Lees het boek, ga kijken naar het toneelstuk en oordeel zelf.

Gerton van Boom

https://www.groene.nl/artikel/het-is-allemaal-echt-gebeurd

Gepost op

Broos Rood

Broos Rood

Josua Ossendrijver

Treurende klaprozen, zo had ze het schilderij altijd enigszins gekscherend genoemd. Het schilderij dat als een rode draad door het leven van Will, Chaja en Arjan loopt. Ze kennen elkaar niet, hebben zelfs nooit van elkaar gehoord. Maar in korte tijd brengt het lot hen samen en blijken hun levens door afschuwelijke gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog met elkaar verbonden te zijn. Ontnuchterend ontdekken ze niet alleen hoe de waarheid anders kan zijn dan gedacht, maar ook hoe de werkelijkheid zelfs na zeventig jaar het leven met een verwoestende uitwerking volledig op zijn kop kan zetten.

 17.95 Boek bestellen

 4.95 Boek bestellen

Gepost op

Over leven

Over leven

Ernst Verduin

‘Toeval bestaat niet,’ mag gerust een lijfspreuk van Ernst Verduin worden genoemd. De op 22 juni 1927 in Amsterdam geboren en in Bussum opgegroeide Verduin beseft na het uitbreken van de oorlog in mei 1940 al snel wat het betekent om Jood te zijn volgens de definities van een systeem dat de Joden naar het leven staat. Als dan twaalfjarige is Verduin reeds een zeer alert jong mens dat het aan het toeval ook niet gunt om er iets aan over te laten.

Die eigenschap of houding zal in de jaren daarna in sterke mate zijn lot bepalen. Op momenten waarop het erop aankomt om een situatie razendsnel te overzien en nog sneller besluiten te nemen, pakt dat voor Ernst Verduin steeds gunstig uit. Binnen uiteraard de bizarre kaders van een land en een wereld in oorlog en de door de nazi’s nauwkeurig uitgestippelde marsroute om hele bevolkingsgroepen – Joden, Roma, Sinti – uit te roeien en uit te wissen.

Ernst Verduin doorstond de kampen Vught, Westerbork, Auschwitz, Monowitz en Buchenwald en bouwde na de bevrijding een leven op waarin de diepe sporen van de oorlog onmiskenbaar aanwezig waren en zijn, maar waarin hij er toch in slaagde een behoorlijk en gelukkig bestaan op te bouwen.

Tegenover Gerton van Boom en Matthijs Smits deed hij zijn eigen geschiedenis uitvoerig uit de doeken, culminerend in dit boek dat zowel over leven gaat als over overleven.

 14.95 Boek bestellen

 4.95 Boek bestellen

Gepost op

De leegte van Auschwitz

De leegte van Auschwitz

In mijn fotografie probeer ik de verlatenheid, de stilte, de triestheid en de gruwelijkheden van deze plek weer te geven. Niet zozeer met schokkende foto’s, maar door details weer te geven. De lijnen in mijn foto’s symboliseren de rails. Het verval staat voor het niet mogen vervagen van de herinnering, een getuigenverklaring van wat is geweest. Zo heb ik deze werkelijkheid ervaren. Het is de bedoeling om esthetische beelden neer te zetten van iets gruwelijks, de leegte van de mensen die er niet meer zijn. De foto’s vertellen hun eigen verhaal, er is bewust voor gekozen om hier geen gezichten of namen aan te verbinden. De wijze waarop ik het weergeef heeft niets met de foto’s uit de geschiedenisboeken te maken. Mijn benadering is anders.

De ervaringen van overlevenden heb ik meegenomen in mijn fotografie. Veel ervaringen komen op hetzelfde neer zoals niet gehoord, geloofd en gezien worden bij terugkeer, aversie tegen streepjeskleding, niet ver willen lopen, hechtingsproblemen met de overgebleven familie, de lucht van kool en verbranding… Degenen die mij hierover verteld hebben doen dat onafgebroken, urenlang, ogenschijnlijk emotieloos, maar het maakt hen moe. Ik hoor en lees, te veel, om te weten dat je dit zelf nooit hoopt mee te maken. Ik heb ongelooflijk respect voor deze mensen, zij vertellen opdat het nooit vergeten mag worden, sommigen hebben er hun missie van gemaakt, het houdt hen sterk en geeft hen redenen om door te gaan met leven.

De bewust gekozen esthetische vormgeving van mijn fotografie doet recht aan de authenticiteit van Auschwitz-Birkenau. Het zijn ethisch verantwoorde, bijna “getekende” beelden, die de leegte weergeven en tevens de referentie zijn naar de door ervaringen getekende levens van degenen die het hebben weten te overleven. Het is de bedoeling dat met name de jongere generaties op een andere manier naar de realistische beelden van Auschwitz-Birkenau gaan kijken en er voor gaan zorgen dat dit gedeelte van onze geschiedenis niet vergeten wordt, levend blijft.

Een boek, een fotografisch monument om op tafel te leggen en open te slaan op een willekeurige pagina, een bladzijde uit de zwartste periode in de wereldgeschiedenis. Dit boek is een eerbetoon aan iedereen die in Auschwitz-Birkenau is omgebracht, omgekomen. Als stenen konden spreken.

De leegte van Auschwitz…

Ga naar www.deleegtevanauschwitz.nl om het boek te bestellen.

 24.50 Boek bestellen

Gepost op

Verdoezeld verleden

Verdoezeld verleden

Josua Ossendrijver

In veel gevallen is het duidelijk wie de slachtoffers van de Holocaust waren. In het geval van Josua Ossendrijver is dat lange tijd onduidelijk geweest. Op 67-jarige leeftijd heeft hij de ontdekking gedaan die zijn leven veranderde. Tot dat moment heeft Josua altijd een ‘unheimisch’ gevoel gehad. Hij voelde dat er iets niet goed zat. In Verdoezeld verleden gaat Josua op zoek naar zijn wortels.

Josua Ossendrijver (Rotterdam, 9 november 1943, geboren als Klaas Slegt) heeft vanaf 1967 in het basisonderwijs gewerkt. Eerst als onderwijzer, vanaf 1970 als directeur van een basisschool in Rijnmond.

 14.95 Boek bestellen

 4.95 Boek bestellen

Beluister hier een interview met Josua Ossendrijver:

Bekijk een interview met Josua Ossendrijver te gast bij Tijd voor Max hier.

Gepost op

Tot vanavond en lief zijn hoor!

Tot vanavond en lief zijn hoor!

Salo Muller

Salo heeft in de Tweede Wereldoorlog als Joods kind vanaf 1942 ondergedoken gezeten nadat hij vanuit de crèche van de Hollandsche Schouwburg werd gered. Hij zat ondergedoken op acht adressen, onder meer in Friesland, waar hij Japje werd genoemd. Zijn beide ouders zijn omgekomen in Auschwitz. De onderduikouders die de jonge Salo anderhalf jaar onder hun hoede namen, Klaas Vellinga en Pietje Heddema-Bos, zijn in 2008 geëerd met een Yad Vashem eremedaille. Over zijn belevenissen in de oorlogsjaren schreef hij Tot vanavond en lief zijn hoor!. Dit waren de laatste woorden die zijn moeder tegen hem sprak toen ze hem bij de kleuterschool afzette. Die dag werd ze opgepakt door de Duitsers.

Salo Muller (Amsterdam, 29 februari 1936) werd bekend als fysiotherapeut van Ajax ten tijde van de hoogtijdagen in de jaren zeventig. Hij zat naast Rinus Michels op de bank en behandelde de blessures van Johan Cruijff en Piet Keizer.

Over zijn belevenissen tijdens de gouden jaren van Ajax schreef hij in 2006 het boek Mijn Ajax. Na Ajax richtte hij zich op het opbouwen van zijn fysiotherapie praktijk. Hij was daarnaast dertig jaar lang hoofdredacteur van het blad voor de fysiotherapie, Fysioscoop, en schreef een tweetal boeken over blessures. In 2007 verscheen Blootgeven, een boek over zijn werk als fysiotherapeut. Muller beschrijft hierin een groot aantal van zijn bijzondere patiënten. In 2013 debuteerde Salo Muller met zijn roman De foto. Het thema van dit boek is wederom de Holocaust. Het waarom van deze tragedie laat hem niet los. ‘Er gaat geen dag voorbij of ik moet wel even huilen.’

 14.95 Boek bestellen

 4.95 Boek bestellen

Bekijk de video van de boekpresentie: