Gepost op

Hou-Zee!

Hou-Zee!

Dreggen in de beerput van een nationaalsocialistische familie

Rob Pijpers

Anders dan het na de bevrijding van Nederland graag omarmde geschiedbeeld wil, vormden de leden van de NSB en haar neven­organisaties zowel voor als tijdens de oorlogsjaren vaker wel dan niet juist de ‘ruggengraat’ van de maatschappij. Evenmin vormden deze NSB’ers een van de rest van de maatschappij strikt afgescheiden ‘foute’ enclave. In brede kringen van ‘arisch’ Nederland en ook bij de zelfbenoemde Joodse elite zoals belichaamd in de Joodsche Raad, zetten na de Duitse inval in 1940 aanpassing en collaboratie de toon en effenden het pad voor de deportatie van honderdduizend Joodse Nederlanders. Na de oorlog werd door NSB’ers veelal gezwegen over hun vroegere doen en laten, ook en met name tegenover hun nazaten. De auteur, afkomstig uit wat door de naoorlogse Bijzondere Rechtspleging als een ‘doorgewinterd NSB-milieu’ werd getypeerd, ontrafelt in dit heel persoonlijke opstel het oorlogsverleden – en de nasleep daarvan – van zijn familieleden, die vanaf de oprichting van de NSB begin jaren dertig hun ziel en zaligheid in ‘de beweging’ staken en na ‘Dolle Dinsdag’ in september 1944 de wijk namen naar het beminde Duitse buurland van Führer Adolf Hitler. Hij schildert een onthutsend en ontluisterend tijdsbeeld van het toenmalige Nederland en legt tevens de sociaalhistorische en psychologische wortels van de ‘fascistische mentaliteit’ bloot.

Bekijk hier het inkijkexemplaar

Lees de recensie in De Gooi en Eemlander

Lees de recensie in Historiek

 19.50Boek bestellen

 

 7.95Boek bestellen

Gepost op

De kern van de Holocaust

De kern van de Holocaust

Belzec, Sobibor, Treblinka en Aktion Reinhardt

Stephan Lehnstaedt

Ruim dertig procent van de Nederlandse Holocaustslachtoffers (ca. 33.500) werd vergast in het vernietigingskamp Sobibor. Hierdoor is Sobibor een belangrijk onderdeel van de Nederlandse Holocaust.

Kamp Sobibor was een onderdeel van Aktion Reinhardt die op 15 maart 1942 van start is gegaan. Deze Aktion, genoemd naar de hoge SS’er Reinhardt Heydrich, behelsde de bouw en werking van drie kampen (Belzec, Sobibor en Treblinka) die alleen voor de vernietiging van Joden zijn ontworpen, in het bijzonder het vermoorden van de Poolse Joden. Maar er was ook capaciteit voor Joden uit andere landen.

Tot november 1943 zijn ongeveer twee miljoen mensen in de Aktion Reinhardt-kampen vergast en verbrand. Daarna werden de kampen snel afgebroken en werden zoveel mogelijk sporen gewist. Minder dan 150 Joden hebben de Holocaust en deze vernietigingskampen overleefd. Slechts twee Nederlandse vrouwen wisten Sobibor te ontvluchten, waarvan Selma Engel-Wijnberg de bekendste was.

De Aktion Reinhardt-kampen hebben nooit de belangstelling gehad die Auschwitz-Birkenau (de ‘hoofdstad van de Holocaust’) ten deel is gevallen. Stephan Lehnstaedt corrigeert dit onvolledige beeld met deze compacte doch indringende studie.

De kern van de Holocaust wordt uitgegeven in samenwerking met Stichting Auschwitz, gevestigd te Brussel.

Stephan Lehnstaedt (München, 1980) is professor Holocaust en Joodse studies aan het Touro College Berlin. Zijn belangrijkste aandachtsgebieden zijn de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust en de compensatie van dwangarbeid in de Poolse getto’s.

Bekijk hier het inkijkexemplaar

 22.50Boek bestellen

 

 7.95Boek bestellen

Gepost op

Boekpresentatie – Femke Halsema bevordert Salo Muller tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau

Boekpresentatie – Femke Halsema bevordert Salo Muller tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau

Vanwege de noodzakelijke coronamaatregelen heeft op 11 september 2020 in besloten kring de boekpresentatie van Salo Muller voor zijn nieuwe boek Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst heeft Femke Halsema, burgemeester van Amsterdam, Salo Muller bevordert tot Officier in de Orde van Oranje Nassau voor zijn tomeloze inzet om een individuele tegemoetkoming van de NS voor de naar de concentratiekampen gedeporteerde Joden te realiseren. De doortastendheid van Salo Muller richting de NS is van grote blijvende waarde voor de erkenning van het leed van de Nederlandse Joden. Schade en leed kan nooit meer gecompenseerd worden, vandaar dat Salo een individuele tegemoetkoming heeft bedongen die na een intensieve strijd met juridische druk aanvaard is door de NS.

Hoe deze strijd gevoerd is, met alle intieme details, documenten en e-mails, kunt u lezen in het boek.

 19.50Boek bestellen

 

 7.95Boek bestellen

Omdat niet iedereen bij deze speciale boekpresentatie aanwezig kon zijn hebben we een videopresentatie gemaakt. Hieronder kunt u deze reportage bekijken.

Gepost op

Het Niemann Album

Het Niemann Album

foto’s van vernietigingskamp Sobibor

In samenwerking met Stichting Sobibor

Met de moed der wanhoop kwamen op 14 oktober 1943 Joodse gevangenen in opstand en doodden daarbij ook SS’er en plaatsvervangend kampcommandant Johann Niemann. Pas kort geleden kwamen meer dan 350 foto’s en aanvullende documenten uit zijn bezit boven water. De gedeeltelijk in twee albums verzamelde particuliere foto’s, oorspronkelijk bedoeld als visueel aandenken aan zijn carrière, werpen een nieuwe, indringende blik op de Holocaust in het door Duitsland bezette Polen en de ‘euthanasie’-moorden op lichamelijk en geestelijk gehandicapten in het Derde Rijk waarbij Niemann actief betrokken was.
De in dit boek gepubliceerde unieke fotoverzameling wordt in verschillende bijdragen in een verhelderend historisch kader geplaatst. Ze vormt een even beklemmende als waardevolle informatiebron over de onder de noemer Aktion Reinhardt aangeduide moord op circa 1,8 miljoen Joden in de dodenkampen Belzec, Sobibor en Treblinka, een minder bekend hoofdstuk in de vernietiging van de Europese Joden.

Het Niemann Album (Fotos aus Sobibor.Die Niemann-Sammlung zu Holocaust und Nationalsozialismus) is in het Duits uitgegeven door Bildungswerk Stanisław Hantz e.V. en onderzoeksinstituut Ludwigsburg van de Universiteit Stuttgart. De inhoudelijke bijdragen zijn afkomstig van Martin Cüppers, Annett Gerhardt, Karin Graf, Steffen Hänschen, Andreas Kahrs, Anne Lepper en Florian Ross.

Lees hier de bespreking op NOS.nl

Bekijk hier de NOS herdenking ‘Sobibor: het kamp dat niet bevrijd werd’

Lees de recensie in het Auschwitz Bulletin

Presentatie Fotos aus Sobibor – Dr. Steffen Hänschen

Bekijk hier het inkijkexemplaar

Correctie pagina 141

Uitverkocht

 

Gerelateerde titels

Gepost op

Holocaustexcuses en Zivilcourage – 29 januari 2020

Holocaustexcuses en Zivilcourage

Gerton van Boom

Hilversum, 28 januari 2020

Download de PDF van dit artikel

Tijdens de jaarlijkse Nationale Holocaust Herdenking op zondag 26 januari 2020 in het Wertheimpark in Amsterdam, aan de vooravond van de internationale Holocaustherdenking, dit keer specifiek ter gelegenheid van de bevrijding van Auschwitz door de Russen vijfenzeventig jaar geleden, sprak minister-president Mark Rutte de historische woorden: ‘Nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn, bied ik vandaag namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen.’

Als laatste in Europa, of in ieder geval veel later dan alle andere West-Europese landen om ons heen, erkent de Nederlandse regering dat de overheid een verwijtbare rol heeft gespeeld bij de registratie, isolatie, beroving en deportatie van de Joodse medelanders, die bij overheidsinstanties niet meer dezelfde bescherming genoten als andere burgers. De excuses zijn rijkelijk laat, maar bovenal zeer onverwachts. Hoewel de wetenschappelijke literatuur unaniem ondubbelzinnig is over de rol van onze ambtenaren en met name onze bestuurlijke gezagsdragers, heeft de regering altijd gezwegen over haar eigen rol. Minister-president Wim Kok heeft destijds weliswaar een redelijke compensatieregeling voor in de oorlog geroofde goederen gefaciliteerd, en in 2000 excuses aangeboden voor de ambtelijk-juridisch kille ontvangst van de uit de concentratie- en vernietigingskampen teruggekomen Joden, maar over de rol van de overheid tijdens de bezetting repte hij met geen woord. Was dit beleid ingegeven uit angst voor verdere schadevergoeding (‘Ons bin zunnig!’) of zag men de schuld gewoonweg niet?

Ook moeten we de excuses nauwkeurig analyseren en de vraag beantwoorden: Zijn de verontschuldigingen afdoende? We zullen de vraag waarom de excuses pas 75 jaar na de oorlog niet behandelen. De vraag stellen volstaat.

Al in februari 1941 werd in Het Parool gesproken over ‘het verraad der clercken?’. Tijdens de oorlog heeft de regering in Londense ballingschap weinig voor de Joden gedaan, maar ze heeft wel gewaarschuwd. Op 17 december 1942 brachten de geallieerde radiozenders, waaronder Radio Oranje, het nieuws dat Joden massaal vervolgd en uitgeroeid werden. In 1943 heeft ‘Londen’ al meerdere keren gesproken over het erbarmelijke lot van de Nederlandse Joden. Men was dus op de hoogte! De regering in exil publiceerde in oktober 1943 een aanvulling op de vooroorlogse ‘Aanwijzingen in geval van een vijandelijke inval’ waarin onomwonden gesteld werd dat het de Nederlandse ambtenaren verboden was om mee te werken aan de Jodendeportaties. Daarna zijn nog tienduizenden Joden gedeporteerd en vermoord. Geen ambtenaar heeft zich aan de vooroorlogse richtlijnen (Landoorlogreglement en Aanwijzingen) en de verboden van de Nederlandse regering in Londen gehouden. Geen ambtenaar heeft ze genoemd.

In bijna alle wetenschappelijke studies na de oorlog is de rol van de Nederlandse overheid bekritiseerd en klonk het verwijt waarvoor Rutte nu pas excuses aanbiedt. Beter laat dan nooit, maar wat een geweldig moeilijke bevalling! Wat zegt dat?

Ik schreef hiervoor dat de excuses onverwacht kwamen. Is dat wel zo? Ik ben van mening van niet. Het komt allemaal door historicus Rob Bakker. Hij schreef het boek Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie. Dit boek verschijnt in april 2020 bij de kleine gespecialiseerde uitgeverij Verbum (mijn uitgeverij dus). Het is een lijvig boek geworden van 736 bladzijden met een uitvoerig overzicht van de collaboratie van de Nederlandse overheid. We gaan een boekpresentatie organiseren in De Balie in april met aansluitend een paneldiscussie. We vonden het interessant om minister-president Mark Rutte hiervoor uit te nodigen. Hij is immers indirect de hoogste baas van alle ambtenaren. We hebben hem maanden geleden uitgenodigd. Het antwoord liet lang op zich wachten. Hij kan om agendatechnische redenen helaas niet komen en verwijst naar de minister van Binnenlandse Zaken. Deze heeft nog niet gereageerd. Maar wat schetst onze verbazing toen wij zondag naar de speech van Rutte luisterden: geen openbaar debat, maar direct excuses. Daar moet een link gelegd kunnen worden. Immers, we hebben een uitvoerig persbericht gestuurd en hebben de vraag gesteld hoe het handelen van deze overheid juridisch geduid moet worden. En waarom er nog steeds geen excuses zijn gemaakt. Toeval? U zegt het maar, ik geloof niet in toeval. Of is de aanjagersrol van Gert-Jan Segers van de ChristenUnie doorslaggevender geweest?

Voordat we verder gaan is het aan te raden de speech van Rutte integraal te lezen. Hij is niet lang en geschreven in goed en helder Nederlands (een ander speerpunt van de Rijksoverheid dat hier goed uitpakt: ambtenaren moeten begrijpelijke taal bezigen). En we gaan onze premier ook niet degraderen tot nationale excuustruus omdat hij zo langzamerhand overal zijn verontschuldigingen voor heeft moeten aanbieden: het gas in Groningen, de beschamende fiscale toeslagenaffaire en nu ook excuus voor de desastreuze Jodenvervolging. Kortgeleden hebben we ook al de compensatieregeling van de NS gehad, in de oorlog een staatsbedrijf. We kunnen er ongetwijfeld nog een groot aantal andere kleinere overheidsschandalen aan toevoegen. Maar terug naar de lezing van de premier.

*

Toespraak van minister-president Mark Rutte bij de Nationale Auschwitzherdenking, Amsterdam1

Toespraak | 26-01-2020

Dames en heren,

De kleine Anny Aa was 1 jaar en bijna 10 maanden oud toen zij werd vermoord in de gaskamer van Sobibor. Haar naam is de 1e van 102.000 namen die deze week worden voorgelezen in Westerbork. De namen van meer dan honderdduizend Joodse medeburgers, van honderden Roma en Sinti – mannen, vrouwen, kinderen. Hier vlakbij krijgen zij ook in steen hun naam terug. Wat zij zelf niet terug kunnen nemen, moeten wij hen teruggeven.

De vraag blijft: hoe kon het gebeuren? Hoe kon het er zijn: zoveel haat, wreedheid en rechteloosheid? Hoe konden vervolging, deportatie en moord zich vrijwel ongehinderd voltrekken, onder de ogen van zovelen?

Het antwoord is donker en ook confronterend.

We kennen de feiten, de verhalen. Van Nederlandse Jodenjagers die duizenden de dood injoegen voor een luttel bedrag aan ‘kopgeld’, zoals dat met een afschuwelijk begrip heette.

Van het verraad dat altijd op de loer lag.

Van het wegkijken, uit zelfbehoud, opportunisme of onverschilligheid – toen mensen werden weggevoerd en hun huizen leeggeroofd.

En ook het wegkijken na de bevrijding, toen de weinigen die uit de hel terugkeerden een kille ontvangst wachtte.

Natuurlijk, er was ook de hoop van onderduik, de moed van verzet, het collectieve opstaan tijdens de Februaristaking. En toch….

En toch was het alles bij elkaar te weinig. Te weinig bescherming. Te weinig hulp. Te weinig erkenning.

En wij vragen ons af wat we in die uitzonderlijke omstandigheden zelf zouden hebben gedaan.

We weten: de Duitse bezetter was meedogenloos. Razzia’s, represailles en marteling waren de instrumenten van een regime van terreur en angst. Hoe moedig zouden wij zijn?

Hopelijk hoeven we die vraag nooit te beantwoorden. Maar het ‘Nooit meer Auschwitz’ bij dit Spiegelmonument vraagt wel om permanente rekenschap van ons, als samenleving. Want 75 jaar na Auschwitz is antisemitisme nog altijd onder ons.

Juist daarom moeten we voluit erkennen wat er destijds is gebeurd en dat ook hardop uitspreken.

Toen een groep landgenoten onder een moorddadig regime apart werd gezet, buitengesloten en ontmenselijkt, zijn we tekortgeschoten. Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.

Zeker, ook binnen de overheid was er individueel verzet, maar te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg. Anderen verdroegen het grote kwaad in de hoop nog iets goeds te kunnen doen – wat soms lukte, maar veel vaker niet. En de bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende onderkend.

Nu de laatste overlevenden nog onder ons zijn, bied ik vandaag namens de regering excuses aan voor het overheidshandelen van toen. Dat doe ik in het besef dat geen woord zoiets groots en gruwelijks als de Holocaust ooit kan omvatten.

Aan ons, de generaties van na de oorlog, is de opdracht te blijven herdenken. Om de doden met hun volle naam te eren. Steeds opnieuw rekenschap af te leggen. Samen pal te staan in het hier en nu.

*

Als we de opbouw van de speech bekijken, neemt de premier een aanloopje naar zijn excuses. Eerst krijgen de criminele medeburgers een verwijt, de Jodenjagers, dan de foute mensen die Joden verraadden. En tot slot de rest van de bevolking dat wegkeek uit ‘zelfbehoud, opportunisme of onverschilligheid – toen mensen werden weggevoerd en hun huizen leeggeroofd’. Pas daarna, en dat zou retorisch de schuld moeten nivelleren alsof de overheid net zo tekort is geschoten als de rest van het land, komt de verwijtbare schuld van de overheidsdienaren. Dat is evenwel een onjuiste voorstelling van zaken; de overheid was schuldiger dan de wegkijkende burger die bang was voor zijn gezin. De gezagdragers hebben het voorbeeld gegeven en aangestuurd op collaboratie. Er is druk uitgeoefend op ambtenaren om gewoon hun werk te blijven doen ongeacht welke consequenties dat werk ook had. ‘Befehl is Befehl’, gold voor de Duitse soldaten, maar ‘Opdracht is Opdracht’ gold voor de ambtenaar. De rot zat aan de top. Heel simpel samengevat is het als volgt gegaan.

Het koningshuis vluchtte onverwachts (en met hulp van de Britten) zonder medeweten en vereiste instemming van de regering. In de chaotische periode van de Duitse invasie besloot de regering min of meer overhaast zelf ook uit te wijken naar Londen. De macht werd overgedragen aan generaal Winkelman die meteen na de capitulatie door de Duitsers uit zijn functie werd ontheven. De Duitsers hebben toen de secretarissen-generaal, de hoogste bazen van de ministeries in Den Haag, in het zadel gehesen. Zo werd de ‘ambtenaar ondergeschikt aan een democratisch gekozen politicus/bewindspersoon’ bevorderd tot ‘ongecontroleerde en ondemocratische zetbaas van een ministerie onder Duits bewind’. Wat was het effect? Een beetje meewerken. Deze houding werd immer gerechtvaardigd door het adagium: ‘meewerken om erger te voorkomen’. En dat heeft dramatisch uitgepakt. De secretarissen-generaal konden invloed uitoefenen maar de prijs was het leven van circa 75% van de Nederlandse Joden. Dat is het hoogste percentage Joodse slachtoffers in West-Europa, zelfs hoger dan in de Heimat van de agressor zelf. Historici spreken van de Nederlandse paradox. Kwam dat alleen door de ambtenaren? Nee, natuurlijk niet, maar zij speelden een rol van betekenis. Zijn de ambtenaren hoofdschuldigen en gelijk aan moordenaars? Evenmin, maar zonder de faciliterende overheid hadden de Duitsers nooit zoveel Joden kunnen deporteren en vermoorden.

De Hoge Raad besloot dat wij in Nederland de Duitse wetten niet mochten toetsen aan de Nederlandse Grondwet en dat we dus moesten gehoorzamen en meewerken. Dit wordt het toetsingsbesluit genoemd. Binnen enkele weken na de Duitse invasie zaten de secretarissen-generaal zelfstandig aan het roer en de Hoge Raad snoerde iedereen de mond met een schandalig, collaborerend en vooral juridisch gemankeerd besluit. Wat moesten de lagere ambtenaren? Wat moesten de burgemeesters? Wat moesten de politieagenten die gedwongen werden? Op deze manier heeft ambtelijk Nederland het land in een hopeloze en buitengewoon compromitterende draaikolk geduwd. En u weet, draaikolken gaan omlaag en sleuren alles mee, in dit geval meer dan honderdduizend onschuldige Joden. Aldus verdronk ook ons collectieve fatsoen. En laten we eerlijk zijn: geen enkele leidinggevende ambtenaar werd gedwongen. Secretarissen-generaal die zouden tegenstribbelen konden alleen worden ontslagen, maar die sanctie bleek overbodig. Het pluche bleek kostbaar een kostbaar bezit. Nazi’s zoals Eichmann, Seyss-Inquart, Rauter, Aus der Fünten en Lages waren enthousiast over hoe het in Nederland ging. Ach, die naïeve Nederlanders… Ze zagen het niet aankomen, ondanks alle voorboden. Maar laat één ding duidelijk zijn: de Nederlandse overheid heeft actief meegewerkt aan een enkele reis van de Joden. Men heeft nooit geanticipeerd en aangestuurd op een retourtje of op terugkeer. Huizen werden verbeurd, inboedels verhandeld, de bezittingen afgenomen met als uitgangspunt dat de Joden niet meer terug zouden komen. Vandaar ook de verbazing van velen toen er toch nog Joden terugkwamen. Dat werpt ook weer licht op de vraag of we geweten hebben van de Holocaust, maar dat is misschien een volgend ‘pijnlijk’ onderwerp.

Ik zou graag willen inzoomen op de volgende zin: ‘Toen het gezag een bedreiging werd, zijn onze overheidsinstanties tekortgeschoten, als hoeders van recht en veiligheid.’ Dat lijkt redelijk. We zijn immers allemaal zwak en kunnen altijd een keer tekortschieten. Maar dat is niet de historische werkelijkheid! Dit is echter slechts een deel van de waarheid omtrent de collaborerende houding van de overheid. Onderzoek toont aan dat het veel erger was. Op tal van punten moeten we concluderen dat de overheid een actieve, initiërende rol heeft gespeeld. De Duitse bezetter werd op zijn wenken en zelfs ongevraagd bediend. Het registreren en de manier waarop dat georganiseerd moest worden was een ambtelijk voorstel. De nazi’s waren aangenaam verrast. Het Ministerie van Sociale Zaken heeft de kwalijkste rol gespeeld. Joden werden mede door de ‘arisering’ van bedrijven werkeloos en moesten voor een uitkering tewerkgesteld worden. Dit ministerie heeft tientallen, zelfs meer dan honderd Joodse werkkampen, opgericht om deze mannen te laten werken. De uitkering ging naar de vrouwen en kinderen. Dat leverde een perfecte administratie op die gratis, ongevraagd en proactief in handen kwam van de Duitsers. Wilt u meer voorbeelden? Die zijn er volop. Lees het boek van Rob Bakker.

‘Zeker, ook binnen de overheid was er individueel verzet, maar te veel Nederlandse functionarissen voerden uit wat de bezetter van hen vroeg.’ Nee, het ging dus soms veel verder. Rob Bakker schrijft er overvloedig over. Houd archiefdeskundige en onderzoeker Lion Tokkie in de gaten die research doet naar de onbekende Joodse werkkampen en de rol van het Ministerie van Sociale Zaken zal blootleggen. De rol van de Joodse Raad is waarschijnlijk geringer geweest dan werd veelal verondersteld. De rol van de overheid daarentegen blijkt veel omvangrijker te zijn geweest dan werd gedacht. Het beeld dat Rutte schetst vertelt slechts de halve waarheid. Negeert Rutte bewust de halve waarheid? Ik vrees van wel. Het kan niet anders. Waarom negeert het kabinet anders de recente stand van wetenschap? Kent hij de holocausthistoriografie wel goed genoeg?

De volgende alinea van Ruttes speech is ook het uitlichten waard: ‘Anderen verdroegen het grote kwaad in de hoop nog iets goeds te kunnen doen – wat soms lukte, maar veel vaker niet.’ Dat klopt helemaal. ‘En de bittere consequenties van registratie en deportatie werden niet tijdig en niet voldoende erkend.’ Dat klopt ook, maar de werkelijkheid duidt dus op een uitruil. Enige vorm van invloed werd geruild tegen de Joden. Collateral damage, gevolgschade noemen verzekeraars dat, er was niets aan te doen, jammer maar helaas voor de Joodse staatsburger. Dat heet institutioneel antisemitisme. En dat is dus iets anders dan wat Rutte zegt.

De excuses van het kabinet, ook al is het 75 jaar na de bevrijding van Auschwitz, moeten niettemin als een zeer belangrijk en niet te onderschatten historisch feit worden beschouwd. Waarom?

Eindelijk hebben we een stap gezet in de richting van onze collectieve schuldverwerking. Ja, u leest het goed, niet alleen de Duitsers als hoofdschuldigen hebben dit verleden te verwerken, ook wij Nederlanders dienen onze bloedeigen paradox te verwerken. Voorheen waren wij Nederlanders alleen maar slachtoffer, Joden en niet-Joden tezamen, maar nu beginnen we eindelijk te wennen aan onze historisch juiste rol: die van collectief medeplichtige. En als we deze treurige rol hebben omarmd kunnen we de volgende stap zetten in de verwerking van ons verleden en dichterbij onze opdracht komen om Auschwitz zich nooit meer te laten herhalen. ‘Nooit meer Auschwitz’ begint bij onszelf. De premier heeft die deur verder opengezet. Maar we zijn er nog lang niet. De veelgeprezen historicus Katja Happe (een Duitse die het ons moet uitleggen!) schreef iets over de Nederlandse volksaard toen ze Veel valse hoop publiceerde over de Jodenvervolging in Nederland. Historici kunnen (of willen) niets met het begrip volksaard. Misschien kunnen anderen dit wel. Waarom wilden de Nederlandse ambtenaren (en veel anderen) zo graag een wit voetje halen bij de nazi’s? Waarom wilden we meewerken en proactief en ongevraagd collaboreren terwijl we wisten dat het voor de Joden schadelijk zou zijn? Dit onderwerp moeten we nu eerst aanpakken.

Daarna moeten we consequenties verbinden aan de kreet ‘Nooit meer Auschwitz’. Er moet een wet komen waarin het niet-solidair zijn met en het niet-opkomen voor kwetsbare en belaagde medeburgers strafbaar wordt gesteld. Een wet voor burgers, individuele ambtenaren (die nu niet in functie aangesproken kunnen worden) en overheidsinstanties. Deze wet moet opgenomen worden in het Wetboek van Strafrecht en op basisscholen al onderwezen worden bij het vak burgerschap. En u zult zien, denk maar even door, dat deze wet veel meer heilzame consequenties heeft dan alleen het voorkomen van genocides. Uw eerste reactie is mogelijk dat dit een naïeve gedachte is? Misschien is dat ook wel zo, maar een andere oplossing is er niet. ‘Nooit meer Auschwitz’ moet in ons DNA gestampt worden, langjarig en door onontkoombare, onherroepelijke sancties omkleed. Iedereen moet weten dat gebrek aan solidariteit niet getolereerd wordt en dat afgedwongen dapperheid de norm is. Zivilcourage als eis. Je kan je niet verschuilen achter regeltjes en belangen. Solidariteit moet juridisch en maatschappelijk een sociaal dwingend moreel kompas worden. ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’

Reacties kunt u sturen naar: g.vanboom@verbum.nl

 

1 https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-algemene-zaken/documenten/toespraken/2020/01/26/toespraak-van-minister-president-mark-rutte-bij-de-nationale-auschwitzherdenking-amsterdam. We spreken overigens niet meer van de Nationale Auschwitzherdenking maar van de Nationale Holocaust Herdenking.

Gepost op

Diamantkinderen

Diamantkinderen

Amsterdamse Diamantjoden en de Holocaust

Bettine Siertsema

Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden de nazi’s plannen om een eigen diamantindustrie op te zetten. Met het oog op de benodigde expertise bleef een groep Joden die werkzaam was in die bedrijfstak met hun gezinnen lange tijd vrijgesteld van deportatie.
Toch werden in 1944 ook zij naar Bergen-Belsen gestuurd. Toen het Duitse plan op niets uitliep werden van de ene dag op de andere de mannen en vervolgens de vrouwen afgevoerd naar andere kampen, waar velen omkwamen. De kinderen bleven ontredderd en zonder bescherming achter. Zij zouden ten dode opgeschreven zijn in het door honger en tyfus geteisterde kamp, als een Pools-Joodse vrouw, ‘Schwester Luba’, zich niet over hen ontfermd had. Dankzij haar overleven de meeste van de bijna vijftig kinderen. Diamantkinderen vertelt hun opmerkelijke verhaal, zoveel mogelijk in hun eigen woorden. Daarbij is gebruik gemaakt van video-interviews uit de jaren negentig en van speciaal voor dit boek uitgevoerde interviews met nog in leven zijnde kinderen.

Bettine Siertsema (1955) werkt als universitair docent geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zij publiceerde een studie naar de levensbeschouwelijke aspecten van Nederlandse concentratiekampdagboeken en -memoires, Uit de diepten (diss. 2007) en in 2018 Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 en een bundeling essays over Holocaustliteratuur, Verhalen van kwaad.

Download of bekijk het inkijkexemplaar

Download het persbericht

Lees de recensie in Het Parool

 24.50Boek bestellen

 

 9.95Boek bestellen

Het eBook is alleen verkrijgbaar in een EPUB3 formaat. Let er op dat deze op oudere ereaders mogelijk niet ondersteund wordt.

Gepost op

Boekhouders van de Holocaust

Boekhouders van de Holocaust

Nederlandse ambtenaren en collaboratie

Rob Bakker

De Holocaust kent volgens historicus Raul Hilberg daders, slachtoffers en omstanders. Maar twee groepen verdienen een aparte vermelding: de overheden en het bedrijfsleven die volgens Hilberg in Duitsland onder de daders vielen. In de bezette landen werden de overheden niet onder de daders geschaard, maar toch speelde de bureaucratie in ieder bezet land een belangrijke rol. Ook de overheid in Nederland waar dit boek over gaat. Van aanvang af waren de Nederlandse ambtenaren niet alleen gesprekspartner van de Duitsers, maar waren ook betrokken bij planning en uitvoering van de Jodenvervolging.

Vrijwel alle van de 200.000 ambtenaren vulden tijdens de bezetting een ariërverklaring in, mede in navolging van ’s lands hoogste rechtscollege de Hoge Raad. Ambtenaren van de bevolkingsregisters in 1050 gemeenten registreerden 160.000 burgers van Joodse afkomst. Zoals een Nederlandse topambtenaar schreef aan de Duitsers tijdens de bezetting: ‘Bevolkingsboekhouding is dienen.’

De Joodse burgers werden ontrecht door overheid en juristen, beroofd met medewerking van het bedrijfsleven, notarissen, makelaars en bemiddelaars. Nederlandse politieagenten haalden Joodse burgers uit hun huis. De Nederlandse Spoorwegen en gemeentelijke tramdiensten vervoerden de gedeporteerden. Nederlandse marechaussee en politie bewaakten de kampen. Van de 140.000 zogenoemde vol-Joden zou bijna 75% de oorlog niet overleven, het hoogste percentage in bezet West-Europa. Na de oorlog moesten de Joodse overlevenden zich uit een ‘juridisch getto’ vechten om hun afgenomen bezittingen terug te krijgen. Dat laatste lukte pas (deels) in het jaar 2000.

Een ongemakkelijke geschiedenis.

Rob Bakker (Bussum, 1949) is journalist, auteur en historicus. Hij studeerde Holocaust- en Genocidestudies (UvA). Op basis van zijn doctoraalscriptie uit 2011 deed hij aanvullend onderzoek en in combinatie met de laatste actuele Holocauststudies maakt hij van de voorheen ‘Joodse’ geschiedenis stap voor stap een uitgesproken Nederlandse geschiedenis.

 29.50Boek bestellen

 

 14.50Boek bestellen

Download het persbericht

Download of bekijk het inkijkexemplaar

Lees de recensie in de Gooi en Eemlander

Lees de recensie in het Nederlands Dagblad

Lees de recensie in de Telegraaf

Lees de recensie in het Binnenlands Bestuur

Bekijk hier het interview met Rob Bakker bij Paperback Radio

Gratis side-boekjes

Rob Bakker – Landoorlogreglement en Aanwijzingen

Waar ambtenaren zich aan moesten houden tijdens de Duitse bezetting…

Jacob L. Lentz – Ambtelijke herinneringen

Vanaf 1938 hoofd van de Rijksinspectie van
de Bevolkingsregisters, tijdens de Duitse bezetting van Nederland van 10 mei 1940-oktober 1944

Bekijk een interactief verhaal over Jacob L. Lentz

 0.00Boek bestellen

Gepost op

Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen

Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen

De eenzame strijd van een Holocaust-overlevende

Salo Muller

Het begon als een persoonlijke kruistocht en het werd een schadeclaim voor alle Nederlandse slachtoffers van de Holocaust die door de Nederlandse Spoorwegen zijn vervoerd naar Westerbork en vanuit Westerbork naar de Duitse grens op weg naar de concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland en Polen.

Salo Muller is vasthoudend als het gaat om de nalatenschap van zijn in Auschwitz vermoorde ouders. Als klein jongetje zat hij ondergedoken op verschillende adressen en overleefde hij de naziterreur. Hij schreef hierover in zijn oorlogsherinneringen Tot vanavond en lief zijn hoor! Zijn ouders werden opgepakt en gedeporteerd en vonden de dood in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau. Meer dan honderdduizend andere Nederlands-Joodse slachtoffer overkwam eenzelfde lot in Auschwitz, Sobibor of een ander kamp. De kosten voor het treinkaartje van de Nederlandse Spoorwegen – ze kregen alleen een enkeltje – moesten ze zelf betalen of werden betaald uit geroofde Joodse tegoeden. Bloedgeld?

Toen de Franse spoorwegen overgingen tot het toekennen van een schadevergoeding, bond Salo Muller de strijd aan met de Nederlandse Spoorwegen. En hoewel hij aanvankelijk het gevecht alleen moest voeren, kreeg hij de NS toch op de knieën en bedong een individuele tegemoetkoming voor alle overlevende Joodse slachtoffers van de Nederlandse Holocaust.

Salo Muller (Amsterdam, 29 februari 1936) werd bekend als fysiotherapeut van Ajax ten tijde van de hoogtijdagen in de jaren zeventig. Over zijn belevenissen tijdens de gouden jaren van Ajax schreef hij in 2006 het boek Mijn Ajax (herdruk 2017: Mijn Ajaxjaren). Na Ajax richtte hij zich op het opbouwen van zijn fysiotherapie praktijk. In 2005 verscheen de eerste editie van Tot vanavond en lief zijn hoor! In 2013 debuteerde hij als romanschrijver met De foto, over Holocaust en wraak. In 2017 publiceerde hij de familiekroniek Nunes Vaz.

 19.50Boek bestellen

 

 7.95Boek bestellen

Lees de recensie in het Auschwitz Bulletin

Boekpresentatie – Femke Halsema bevordert Salo Muller tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau

 

Gratis side-boekje Rechtsherstel als moreel design

Rechtsherstel als moreel design is een gratis side-boekje bij het in september 2020 verschenen boek van Salo Muller, Het gevecht met de Nederlandse Spoorwegen. De eenzame strijd van een Holocaust- overlevende (Uitgeverij Verbum, Hilversum, 2020).

 0.00Boek bestellen

Gepost op

Dossier Abel de Jong – Had het anders gekund? – 28 oktober 2019

Download de PDF van dit artikel

Dossier Abel de Jong – Had het anders gekund?

Van wie is de oorlog?

Menige nacht heb ik wakker gelegen over sommige boeken die ik heb uitgegeven. Dat heeft niet alleen betrekking op de vaak gruwelijke inhoud, maar heeft ook te maken met de historische betrouwbaarheid van de manuscripten. Ik garandeer niet dat alles klopt wat er in memoires of herinneringen staat. Naar eer en geweten toets ik op consistentie, hoewel ik niet alles kan controleren. Van huis uit ben ik historicus, althans ik heb geschiedenis gestudeerd in Groningen, en heb geleerd dat getuigenissen niet altijd betrouwbaar zijn. Er zijn ook deskundigen die menen dat er geen slechte bronnen bestaan, maar alleen slechte historici die hun bronnenmateriaal niet goed wegen.1

Memoires, dagboeken en herinneringen over de oorlog, en dus ook over de Holocaust, worden niet vanzelfsprekend beter en accurater naarmate de tijd vordert. Persoonlijke feiten en omstandigheden vermengen zich gemakkelijk met de op dat moment dominante geschiedopvatting. Herinneringen moeten bij voorkeur voldoen aan het traditionele beeld. ‘Op de Rampe van Birkenau dirigeert Mengele de voor arbeid geschikten naar links en de anderen naar rechts, naar de gaskamer.’ Dat kwam regelmatig voor, maar niet bij elk transport. Toch wil men soms graag aan een dergelijk beeld voldoen. Dat maakt alles herkenbaarder. Het leed wordt soms ietwat aangedikt, maar soms ook juist niet. Sommigen hebben het ‘bekende beeld’ onbewust opgenomen in hun herinneringen. Onschuldig misschien, maar historisch onjuist.

De memoires die 75 jaar na de oorlog zijn opgeschreven worden vanwege deze vervorming minder geraadpleegd als historisch betrouwbare bron dan het dagboek dat in de oorlog naar waarheid en authentiek werd opgetekend. Ik weet zeker dat ik boeken heb uitgegeven met informatie over de Holocaust die inaccuraat of zelfs wel aantoonbaar onjuist zijn. In een paar gevallen heb ik onjuistheden ontdekt en deze in overleg met de auteur altijd gecorrigeerd. Maar ik steek mijn hand er niet voor in het vuur dat alle details de toets der wetenschappelijke kritiek altijd helemaal glansrijk kunnen doorstaan. De affaire over Oorlogsouders. Een familiekroniek over goed en fout in twee adellijke families van Isabel van Boetzelaer (Just Publishers, Meppel, 2017) staat ons nog vers in het geheugen. De auteur heeft een valse voorstelling van zaken over haar vader Willem baron van Boetzelaer opgenomen in haar boek. Ook andere auteurs worstelen met dit probleem. Zo werd Sytze van der Zee geïnterviewd in de Volkskrant over zijn nieuwe boek Wij overleefden. De laatste ooggetuigen van de Duitse bezetting. ‘Soms moet je in discussie over herinneringen,’ luidt de kop boven dit interview. ‘Hoe kan hij hun hoogst persoonlijke herinneringen verifiëren?’

Vraag: ‘Wat deed u als u vermoedde dat bepaalde details in die verhalen niet klopten?’ Antwoord: ‘Dan moet je, hoe pijnlijk dat ook is, met de mensen in discussie gaan over hun eigen herinneringen. Ik ben tenslotte geen postkantoor waar je zomaar alles kunt deponeren. Maar als je aan het vijlen en herschikken slaat, vraag je je weleens af: Is dit nog wel oral history?’

De affaire Van Boetzelaer is een voorbeeld van een omvangrijker historisch fenomeen; het toe-eigenen van (een deel van) de oorlog. Van wie is de oorlog? Van de overwinnaars, de slachtoffers, hun nabestaanden, het verzet, de politiek of de ambtelijke herdenkingselite? Het antwoord is natuurlijk een open deur: de oorlog is van de waarheid. De cynicus zal direct repliceren: welke waarheid, wiens waarheid?

Afgelopen zomer heb ik veel tijd en energie gestoken in het boek van Abel de Jong, de oudste zoon van Sally de Jong, tweelingbroer van Loe de Jong. De kwestie heb ik inmiddels herdoopt in ‘Dossier Abel de Jong’. Tot publicatie van dit problematische manuscript is het helaas niet gekomen. Wat was er aan de hand?

In mei 2017 publiceerde ik het boek De oorlog bestond niet van Sophia van Heeks. Rond de datum van de boekpresentatie waren we ook bezig met de heruitgave van alle passages over de Holocaust uit Het Koninkrijk van Loe de Jong. Deze tweedelige serie is inmiddels bij Verbum verschenen onder de titel Jodenvervolging in Nederland 1940-1945. Bij de presentatie van Sophia’s herinneringen bij Boekhandel Jimmink in Amsterdam, kwam na afloop een oudere, fysiek kwetsbare man naar mij toe. Per e-mail hadden we vooraf contact gehad. Het was Abel de Jong, de oudste zoon van Sally de Jong. Hij had een belangrijk manuscript van zijn vader bij zich dat hij wilde laten uitgeven. Enkele weken daarvoor, tijdens een bijeenkomst bij het niod over het boek van Loe de Jong sprak ik diens biograaf Boudewijn Smits. Hij wees mij toen ook al op het manuscript dat in het archief van het niod lag: De ondergang van het Nederlandse Jodendom van Sally de Jong, geschreven in 1943 in Brussel. Het was dus toevallig dat Abel de Jong zich meldde met een manuscript waarover ik kort daarvoor door Boudewijn Smits was getipt.

Ik heb Abel verteld dat ik samen met Boudewijn Smits en hem dit essay van zijn vader graag zou willen uitgeven. Boudewijn zou een wetenschappelijk verantwoorde biografische inleiding schrijven bij het rapport en Abel zou een nawoord schrijven over zijn door de nazi’s vermoorde vader en moeder. We hebben gedrieën meerdere gesprekken gevoerd in Abels pied-à-terre in Ammerstol. We hebben inhoudelijke afspraken gemaakt en taken afgestemd en afgebakend, we hebben foto’s en illustraties verzameld en laten scannen, een cover laten ontwerpen, een catalogustekst opgemaakt en gepubliceerd en ons project in wording bezegeld met een lunch in restaurant Belvédère in Schoonhoven. Abel trakteerde.

Gaandeweg werden de verhoudingen stroever. Abel wilde niet langer ‘alleen’ een kort nawoord schrijven. Hij wilde zijn bijdrage uitbreiden met een omvangrijk verhaal over zijn ouders. Zijn bijdrage moest veel groter worden en niet ondersneeuwen bij het verhaal van Boudewijn Smits. Het omgekeerde was geen probleem. Het was zelfs beter als de bijdrage van Boudewijn ondergeschikt zou zijn aan zijn tekst.

We hadden eerder al besloten dat er passages zouden worden opgenomen uit een briefwisseling tussen zijn vader en moeder. Hij kon daar beter over schrijven dan Boudewijn. Zijn vader heeft een tijd in Westerbork gewerkt als gedetacheerd arts van de Joodse Raad. Zijn moeder bleef thuis met de jonge Abel en later ook zijn jongere broertje Daan. Ik ben met Abel naar Herinneringscentrum Kamp Westerbork (13 juni 2018) gegaan om met de directeur en de curator te overleggen hoe deze brieven het beste ‘bewaard’ konden worden en welke mogelijkheden er waren voor een kleine tijdelijke tentoonstelling.

Het hoge woord kwam er daarna al snel uit. Abel vond, zoals gezegd, zijn bijdrage onredelijk bescheiden en de samenwerking met Boudewijn moest beëindigd worden. Het boek moest bestaan uit zijn verhaal over zijn ouders aangevuld met passages uit de Westerbork-brieven. Het essay van zijn vader zou integraal opgenomen worden. Boudewijn heeft zich hierin geschikt en als gentleman een stap terug gezet uit respect voor de familie en het geraadpleegde dossier netjes geretourneerd aan Abel. Natuurlijk hadden we ten aanzien van de oorspronkelijke planning veel tijd verloren, maar dat moest dan maar.

Boudewijn was dus exit (Abel was hier later tijdens een bespreking in Gorinchem erg content over). Abel ging aan de slag. Zijn eerste versies waren zodanig geschreven dat ik er niet mee uit de voeten kon. Abel heeft toen twee familieleden die Neerlandicus zijn de tekst onder handen laten nemen. Dat leverde in ieder geval een betere basistekst op. Maar nog steeds was er veel werk aan de winkel en moest het manuscript ingrijpend geredigeerd worden. Dat komt vaker voor en met geduld kom je vaak een heel eind.

Op 22 mei 2019 hadden Abel en ik een afspraak om het uitgeefproces door te nemen en spijkers met koppen te slaan. We spraken af in Gorinchem. Hun huis in Ammerstol stond destijds te koop. Bij het gesprek waren ook aanwezig: echtgenote Ruth de Jong-Hotze en Abels schoondochter Sanderien de Jong. Tijdens deze bijeenkomst maakten we afspraken over de cover, het voorwoord van opperrabbijn Binyomin Jacobs, de publicatiedatum en de boekpresentatie. Ook lichtte ik toe hoe de boekbezorging verder tot stand zou komen. Ik zou het door de twee nichten gecorrigeerde manuscript zorgvuldig lezen, redigeren en corrigeren. Dit zouden we gedurende de zomermaanden ter hand nemen zodat we in augustus 2019 een definitief manuscript gereed zouden hebben. In oktober zou Abel naar Nederland komen voor de boekpresentatie. Boekhandel Jimmink zou hiervoor een goede gelegenheid bieden.

Dit is het vertrekpunt van ‘Dossier Abel de Jong’ en de gevoerde e-mailcorrespondentie. Cruciaal was mijn e-mail van 11 juli 2019. Toen ging het mis en brak Abel met mij. Voor deze datum hebben Abel en ik meer dan 50 e-mails uitgewisseld met een doorgaans wederzijds vriendelijke en soms, van zijn kant, licht dwingende toon. Boudewijn had al eerder voorspeld dat Abel ook met mij als uitgever zou breken. Het bleek een vooruitziende blik. Abel had al eerder een vergelijkbare stap gezet bij de opnames van de documentaire Het zwijgen van Loe de Jong dat zijn nichtje Simonka de Jong in 2011 regisseerde.2 Hij is tijdens de opnames weggelopen.

Ik geef zonder commentaar de e-mailwisseling integraal weer vanaf 11 juli 2019. De lezer oordele zelf.

Gerton van Boom, uitgever

 

1 In de kantlijn van het interview met Sytze van der Zee in de Volkskrant van 9 oktober 2019, ‘Soms moet je in discussie over herinneringen’, geeft Holocaust-deskundige prof. dr. J.T.M. (Johannes) Houwink ten Cate zijn visie op het gebruik van dergelijke herinneringen als historische bron.

Zie de bespreking in De Groene Amsterdammer van 9 maart 2011. https://www.groene.nl/artikel/het-verhaal-van-een-zoon. In dit artikel wordt ook al betwijfeld of de Mengele-associatie klopt.

 


 

E-mailwisseling Abel de Jong en Gerton van Boom (Uitgeverij Verbum)

Hilversum, 11 juli 2019

Beste Abel,

Afgelopen weken heb ik je manuscript zorgvuldig gelezen en daar waar nodig (mijn oordeel) voorzien van correcties en opmerkingen.

Er zijn drie zaken waar we dringend een aanpassing in moeten maken:

  1. Calmeyer-dossier. Enkele maanden geleden heb ik Petra van den Boomgaard, die gespecialiseerd is in het Calmeyer-archief en daar onlangs op gepromoveerd is, gevraagd of zij het dossier van jouw moeder zou willen bekijken. Dat heeft ze gedaan (samen met Boudewijn Smits) en ze kwam heel snel tot de conclusie dat jouw moeder gegarandeerd zou zijn afgewezen als haar aanvraag/verzoek in behandeling zou zijn genomen. Jij schrijft op meerdere plekken in je manuscript dat de Calmeyer-aanvraag een escape of uitkomst had geboden of had kunnen bieden. Dat wordt door Petra stelling ontkend. Misschien dat jouw moeder dat idee zelf ook wel had, waardoor ze de documenten niet meegenomen heeft op de vlucht. Jouw visie ten aanzien van dit onderwerp is helaas evenwel niet meer houdbaar, zodat het manuscript hierop aangepast moet worden.
  2. Werken voor Mengele. Ik heb een goede relatie met Franciszek Piper, voormalig hoofd research van het Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau. Ik heb hem gevraagd of hij in het archief van Auschwitz of elders ondersteuning kan vinden voor de getuigenis van kolonel Van Velzen dat jouw vader werkzaamheden en/of onderzoek heeft moeten doen voor Mengele. Hoewel ongeveer 90% van het SS-archief voor de bevrijding van het kamp vernietigd is, kan er geen ondersteunend bewijs worden gevonden voor een link tussen Sally en Mengele. Hij heeft ook navraag gedaan bij een bevriende Mengele-expert. Deze kwam met de stellige mededeling dat de link met Mengele niet vastgesteld kan worden. Sally is wel arts-verpleger geweest in het Zigeunerlager van Birkenau en zat dus wel dicht bij het vuur, maar er is nooit een getuige geweest die Sally linkt aan de verwerpelijke onderzoeken van Mengele. Met andere woorden, Piper en de deskundige komen tot de conclusie dat Sally de Jong niet voor Mengele heeft gewerkt. Dit betekent dat de koppeling met Mengele sterk afgezwakt moet worden in het manuscript. Dat leidt tot herschrijven van door mij gemarkeerde passages.
  3. Uit het archief van Auschwitz blijkt ook dat Sally arts is geweest in Auschwitz-Monowitz, Buna dus. Ik denk dat je dit ook moet vermelden in je boek.

Verder denk ik dat mijn correcties voor zich spreken en niet inhoudelijk van aard zijn.

Gezien de inhoud van het manuscript denk ik dat de coverfoto van de tweeling het sterkste is. De relatie tussen de broers is een rode draad in het boek. De andere coverfoto heeft alleen, op zijn best, een indirecte link met het boek en ervaar ik als veel zwakker voor op de cover.

Ik realiseer mij dat deze e-mail inhoudelijk lastig voor je is, maar ik vertrouw erop dat je mijn onderzoekingen gunstig beschouwt. Althans, ze zijn slechts positief bedoeld met de opzet het boek beter te maken.

Laat het eerst maar even rustig bezinken.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

Bij de vorige e-mail zaten vier bijlagen, die we hieronder integraal opnemen.

 


 

Bijlage 1

E-mailcorrespondentie met Petra van den Boomgaard inzake de Calmeyer-lijst

Hallo Petra,

Je hebt met Boudewijn Smits het Calmeyer-archief bekeken en het dossier van Liesje van Male, de vrouw van Sally de Jong bekeken.

Ik ben nu met het manuscript van Abel de Jong, de zoon van Sally en Liesje, bezig en hij schrijft hierover het volgende:

‘Deze Calmeyer was, kort gezegd, door de Duitsers belast met het nemen van een beslissing in twijfelgevallen of iemand al dan niet Joods was. Hoewel de personen die een beroep deden op Calmeyer zich in 1941 als vol-Joods hebben laten registreren, was er kennelijk ruimte om aan de eigen interpretatie te twijfelen. Calmeyer heeft enige duizenden Joden, vaak van Portugees-Joodse afkomst op die lijst gezet. De Duitsers hebben zijn lijst gerespecteerd en ongeveer twee derde van de erop voorkomende personen zijn van deportatie gevrijwaard gebleven. Mijn moeder, die door geboorte half-Joods, maar door huwelijk vol-Joods was heeft zich met succes laten registreren bij Calmeyer. Ze schijnt als bijkomende reden opgegeven te hebben dat ze christelijk was opgevoed. Merkwaardig is dat Sally en Liesje niet meer vertrouwen gesteld hebben in die Calmeyer-lijst. De hele tocht naar Zwitserland is niet nodig geweest. Tijdens die tocht is het bewijs van registratie op de lijst-Calmeyer, nog steeds in mijn bezit, in Nederland achtergelaten.

Als Liesje voor de oorlog niet met Sally getrouwd was, zou ze half-Joods zijn omdat haar vader Jannis Jacob van Male, Zeeuwse boerenzoon, zondermeer Arisch was. Door haar huwelijk met een vol-Jood werd Liesje ook als vol-Jood aangemerkt. Het blijft onbekend welke argumenten ze gehanteerd heeft. Sefardische Joden waren overigens een afzonderlijk groep, waarvan het Joodzijn aan twijfel onderhevig was. Ongeveer twee derde van de vier- tot vijfduizend Joden op de Calmeyer-lijst werden aldus gered. Sally had in zoverre gelijk dat Liesje een goede kans maakte. Niet alleen zij maar ook de twee kinderen. Sally zou dan als gemengd gehuwd eveneens tot een andere categorie gaan behoren. Het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Het had overigens ook anders gekund. Op de vlucht heeft Liesje het Calmeyer-certificaat niet meegenomen en haar ouders waren te laat om het reddende papier alsnog te bezorgen toen ze eenmaal in Frankrijk gearresteerd was.’

Abel schrijft dat zijn ouders meer hadden moeten en mogen vertrouwen op de Calmeyer-lijst, maar ik begreep van Boudewijn dat hun aanvraag gegarandeerd afgewezen zou zijn. Kan jij op bovenstaande commentaar geven?

Alvast bedankt!

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Reactie Petra van den Boomgaard dd 9 juli 2019

Gerton, het is inderdaad zoals Boudewijn het heeft uitgelegd. Ze zouden gegarandeerd zijn afgewezen omdat ze buiten het beslissingskader vielen waarover ik heb geschreven. Zoals het hier staat klopt het in ieder geval niet.

 


 

Bijlage 2

E-mailcorrespondentie met Franciszek Piper

Dear mister Piper,

We are working on a book about Sally de Jong. He was the twin brother of Loe de Jong, the famous Dutch Jewish historian who wrote about The Netherlands during the Second World War. Loe de Jong is one of the acclaimed experts on the Dutch Holocaust.

It is said that Sally was a doctor in Auschwitz or better said in Birkenau. There are witnesses who saw him as a doctor in the Zigeunerlager in Birkenau. Another witness told that he was a right hand of Mengele and that Sally had to participate in twin treatments on behalf of Mengele. We don’t know if this is true. Can you help us investigating these testimonies?

The author of the book is Boudewijn Smits, the biographer of Loe de Jong. Sally’s son Abel is also writing a book about his father and mother.

What we do know is that Sally left Auschwitz during the death marches on the 29th of January 1945. That he was interned in Dora-Mittelbau. The last trace was a sub camp of Dora Mittelbau, Ellrich. His camp number there was 107287. Sally probably died in Ellrich. Enclosed you will find a letter from the Red Cross.

Sallys camp number in Auschwitz was 169834.

His wife, Elizabeth de Jong-Van Male (Deventer, May 7th 1915) died earlier in Auschwitz.

Can you help us with our investigations on Sally in Auschwitz-Birkenau? When this is helpfull, Boudewijn and I can come to Oswiecim. I hope to hear from you.

With kind regards,

Gerton van Boom

 

Reactie van Franciszek Piper dd 26 juni 2019

Dear Mr van Boom,

I confirm receipt of your e-mail from June 24 regarding Sally de Jong.

I am going back to Oswiecim today and I will have the ability to check archival materials on the subject.

Sincerely,

Franciszek Piper

 

Reactie van Verbum dd 27 juni 2019

Dear mister Piper,

Thank you very much for your assistance. Please let me know if there are costs involved.

With kind regards,

Gerton van Boom

 

Reactie van Franciszek Piper dd 28 juni 2019

Dear Mr. van Boom,

Today I have found that in the files of the Auschwitz Museum, there are several documents regarding Sally de Jong.

It follows from them that Sally de Jong was brought to Auschwitz from the Drancy camp, he was among others in a hospital in the Auschwitz Buna filial camp, as a doctor he was the nurse (Arzt-Pfleger) in the Gypsy camp (Zigeunerlager).

If you or someone interested would like to receive an official letter from the Museum in this matter and copies of documents, please write directly to the Auschwitz Museum:

Panstwowe Muzeum Auschwitz-Birkenau

ul. Wiezniow Oswiecimia 20

32-600 Oswiecim

Poland

Sincerely,

Franciszek Piper

PS In 1995 and 2018 information about Sally de Jong was received from the Museum by Ruth and Abel de Jong.

 

Reactie van Verbum dd 1 juli 2019

Dear mister Piper,

Thank you very much for your inquiry. I have a few question concerning your reaction:

You write ‘amongs others’. That means there is more informations?

Is there proof in the documents that Sally de Jong worked for/with dr. Mengele? There is one eyewitness/survivor who claims this to be true. We can’t seem to find more confirmation on this point. Can we somewhere (in what archive) find out more?

Is there more to be investigated in Auschwitz-Birkenau or is this file (documents on Sally de Jong) all there is?

Is it useful for us to come to Auschwitz-Birkenau? Can you be of further assistence?

During or after the death marches Sally received another camp number (MITTELBAU HÄFTLINGSNUMMER: 197287). Can this be relevant for the Auschwitz archives?

There are more persons who are related to Sally de Jong who can be investigated, like his wife Elisabeth de Jong-van Male

https://www.joodsmonument.nl/nl/page/185185/elisabeth-de-jong-van-male

Born Deventer, 7 mei 1915 died in Auschwitz, 1 Maart 1944. She reached the age of 28 years. We don’t know her camp number.

With kind regards,

Gerton van Boom

 


 

Bijlage 3

Reactie van Franciszek Piper dd 9 juli 2019

Dear Mr van Boom,

There are no documents in the Auschwitz Museum records that would suggest that Sally de Jong did collaborate with Dr. Mengele in connection with his experiments on twins.

The Auschwitz Museum archives contain the following information about Sally de Jong:

– The name of Sally de Jong appears on a transport register drawn up in France during the war (The original of the register is in the Center for Contemporary Jews in France, the Museum only has a copy and was published by Serge Klarsfeld).

– The Sally de Jong number (without a surname) appears in the illegally made by prisoners of a partial copy of the surname list of newcomers. The copy contains only the date of arrival of the transport, from where, and numbers which were marked by the given transport who were able to work. Incapacitated for work killed immediately after importing in the gas chamber numbers were not allocated.

– The Sally de Jong number (without a surname) is in the Nummernbuch camp document. At the numbers, various information was written about a given prisoner, eg death, transfer to another camp. In the case of Sally de Jong, there is no annotation at his number.

– According to camp documents, Sally de Jong was in a hospital in the Buna Monowitz branch camp.

– The name Sally de Jong is in the Prämienschein document, from which it appears that Sally de Jong worked in 1944 as a physician – a nurse in a Gypsy camp.

I consulted with an expert on experiments on twins, Helena Kubica, who will inform me if there is any information about Sally de Jong’s cooperation with Dr. Mengele. After receiving her answer, I will provide you with the information I have been given.

I would like to explain that during the liquidation of the camp, the Germans burned the majority (probably about 90%) of the camp files, hence the lack of much information on the history of the camp and data on individual persons deported to the camp.

To obtain the confirmation of the above information, please contact the Auschwitz Museum, special department that informs about the fate of Auschwitz prisoners.

I have been retired for 11 years and usually live with my daughter in Krakow. I’m leaving for the sea in a few days for two weeks.

Greetings,

Franciszek Piper

 


 

Bijlage 4

Reactie van Franciszek Piper dd 10 juli 2019

Dear Mr van Boom,

Today, my friend Helena Kubica told me that she had not only examined the camp documents related to Mengele’s experiments, but also many of the former prisoners’ accounts, memories and trial statements.

No source has information that Sally de Jong has been involved in Mengele’s medical experiments.

Mrs. Kubica has mentioned an article about a hospital in a Gypsy camp, where Mengele carried out his experiments.

The article was written by three former prisoners of Szymański, Szymańska and Śnieżka. (Przegląd Lekarski – Medical Review – 1965, page 98) who were employed in a hospital in a Gypsy camp. They also do not mention the relationship between Sally de Jong and Mengele experiments. They knew Dr. de Jong and put his name and prisoner number on the list hospital staff. Dr. de Jong is called a prison doctor.

I think all these data definitely exclude Dr. de Jong’s participation in Mengele’s experiments.

Sincerely,

Franciszek Piper

 


 

Bijlage 5

Manuscript ‘Had het anders gekund’

Dit document is door Verbum gecorrigeerd en voorzien van diverse redactionele vragen en opmerkingen.

Peki’in, Israël, 11 juli 2019

Beste Gerton,

Het meest doet ons in je commentaar pijn dat je achter mijn rug om “deskundigen”, waaronder die stront-vervelende plak-Boudewijn, die ik dacht afgeschud te hebben, hebt benaderd. Niet kosher zeggen we hier. Het laat ook wel een beetje zien hoe jij in elkaar steekt. Navrant dat je niet naar mijn gezondheid informeert trouwens.

Ik neem het boek hierbij terug en bezin mij op andere manieren om tot uitgave te geraken. Ik voel er niets voor de inhoud naar de zin van de door jou benaderde derden aan te passen. Alles is zo goed mogelijk gedocumenteerd en verschil van inzicht zal altijd wel blijven bestaan. Het Calmeyer verhaal van die Petra bijv. is ten enen male onjuist. Ik ga geen discussie meer met jou of met wie dan ook aan.

Stuur de in jouw bezit zijnde papieren maar naar mijn zoon David: … [adres verwijderd].

Het beste verder,

Groeten,

Abel & Ruth

Hilversum, 11 juli 2019

 


 

Beste Abel,

Ik heb natuurlijk wel verwacht dat je kwaadaardig zou kunnen reageren, maar nogmaals mijn intenties zijn goed geweest. Ik had evenwel niet verwacht dat je op deze manier zou reageren. Het is jammer dat je de inhoud niet even hebt laten bezinken.

Wat betreft die stront-vervelende plak-Boudewijn zoals jij hem noemt het volgende. Het is alweer heel lang geleden dat ik Petra van den Boomgaard met Boudewijn in contact heb gebracht en dat ze het dossier van je moeder hebben ingezien. Dat was op een moment dat het met ons gezamenlijke project nog iets zou kunnen worden. Dus toen heb ik daar geen kwaad in gezien. We hadden, toen zeker en nu ook nog, een gezamenlijk belang.

Voorts nog het volgende. Ik ben in verleden vaker benaderd met manuscripten waarin mensen zeiden oog in oog met Mengele te hebben gestaan. Daarmee moet ik voorzichtig zijn. En daar waar twijfel is, en dat is t.a.v. jouw manuscript mogelijk het geval, moet ik nader onderzoek doen. In dit geval was dat makkelijk omdat ik de heer F. Piper ken en zaken met hem doe. Als er twijfel is moet je m.i. beide kanten belichten en wellicht minder stellig zijn. Ik kan het mij niet permitteren geheel onzorgvuldig te zijn.

Nogmaals, het was bedoeld om het boek beter te maken, met de beste intenties.

Nu is het ook zo dat ik inmiddels heel veel werk in je manuscript en boek heb gestoken. Dat heb ik niet voor niets gedaan. Ten eerste omdat ik geloof in het boek en tweede omdat ik van mening was dat jouw verhaal wereldkundig gemaakt moet worden. Vandaar dat ik je wil vragen om e.e.a. rustig te overpeinzen en je standpunt te herzien.

Ik hoor graag van je.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

PS: Natuurlijk hoop ik ook dat het goed gaat met je gezondheid!

 


 

Peki’in, Israël, 12 juli 2019

Beste Gerton,

Ik ben niet van gedachten veranderd. Mijn reactie was niet onbekookt. Jij gaat veel te ver met je inhoudelijke bemoeizucht. Dat alles zonder overleg vooraf. En dan nog weer die Boudewijn erbij betrekken. De limit!

De nadere informatie over Mengele en Calmeyer heeft mij niet kunnen overtuigen het boek op deze punten bij te stellen. Bovendien heb ik in de inleiding gezegd niet te pretenderen een wetenschappelijk werk te schrijven met literatuurlijsten, tientallen voetnoten etc.

Ik ga de inhoud van mijn boek niet wijzigen en zoek een andere uitgever.

Wees zo goed om de documentatie die je van mij gekregen hebt t.b.v. illustraties etc. aan mijn zoon David in Dodewaard te doen toekomen.

Met groet,

Abel

 


 

Hilversum, 12 juli 2019

Beste Abel,

Helaas, zou ik zeggen. Het is jammer voor alle partijen, omdat we er allemaal al zoveel tijd en energie in hebben gestoken. En op geheel onverwachte wijze trek jij de stekker eruit. Dat heb je natuurlijk veel vaker gedaan en daarmee heb je meer mensen schade berokkend. Ik had dus gewaarschuwd moeten zijn. Maar vooral, isoleer je jezelf ermee en dat is spijtig. En dat patroon zie je ook terug in het manuscript en hoe jij ermee om gaat. Het klopt dat je niet gepretendeerd hebt een wetenschappelijk werk te schrijven. Maar dat is toch wat anders dan een werk met aantoonbaar onjuiste informatie of, beter gezegd, aantoonbaar twijfelachtige informatie. Het feit dat je in het geheel geen oog hebt voor feitenmateriaal en opinies van deskundigen zorgt ervoor dat ik er vrede mee kan hebben dan ons project niet doorgaat. Ik kan het me niet veroorloven een boek uit te geven met onjuiste of onzorgvuldige historische informatie. Jouw onwelwillendheid om deze feiten op eigen merites te beoordelen, te wegen en te verwerken zodat een correct geschiedkundig beeld ontstaat is natuurlijk zorgwekkend. Waarom wil je met alle geweld dit beeld in tact houden? Waarom klamp je je zo graag vast aan een mogelijke associatie van je vader met Mengele, op basis van een getuigenis die niet geheel smetteloos is, terwijl de archieven niets zeggen en er geen echte getuigendeskundige zijn die de getuigenis van Van Velzen onderschrijven. Eén getuige is geen getuige! Sterker nog, dezelfde echte (onderkende) getuigen (die voor Mengele hebben moeten werken) geven aan dat Sally arts-verpleger was in het Zigeunerlager en niet tot het artsenteam van Mengele behoorde. Maakt deze informatie jouw beeld van jouw vader minder waardevol? Is een nagedachtenis aan jouw vader beter als hij wel gedwongen zou zijn geweest om voor Mengele dubieuze praktijken te hebben moeten verrichten? Of past het beeld van je vader je niet waarin hij ‘slechts’ arts-verpleger was terwijl hij voorbestemd was om op een Nobelprijs af te steven? Moet het beeld gecreëerd of in stand gehouden worden dat jouw vader terecht alleen in de medisch-wetenschappelijk top actief behoorde te zijn?

Het zijn natuurlijk harde vragen die je wellicht zo niet hoort voor te leggen aan een slachtoffer van de Holocaust die schrijft over zijn vermoorde ouders. Daarvoor bied ik mijn excuses aan, maar deze vragen raken evenwel aan de kern van jouw aandrang om het geschiedbeeld van je vader en moeder op mogelijk onjuiste bronnen te monopoliseren. Daar heb ik vrede mee, maar niet als er concrete informatie voorhanden is die wellicht een ander, historisch evenwichtiger beeld zou construeren.

Kortom, ik kan me erin schikken dat al mijn werk (op aanvechtbare gronden) terzijde wordt geschoven en teniet wordt gedaan. Ik heb er dan ook vrede mee dat ik niet een boek hoef uit te geven dat niet helemaal (of helemaal niet) juist is en waarin dus bepaalde mythes (door jou gecreëerd) in stand worden gehouden of zelfs wel worden uitvergroot. Zoals je weet schrijf ik regelmatig blogs over mijn ervaringen. Dit onderwerp en onze e-mailwisseling zou zich goed lenen voor een dergelijke blog. Ik vind ook dat ik ertoe verplicht ben opperrabbijn B. Jacobs te informeren over onze correspondentie.

Nogmaals betreur ik de gang van zaken. Ik ben evenwel niet rancuneus en indien je van gedachten bent veranderd, bereid de handschoen weer op te rapen, omdat ik van mening blijf dat jouw verhaal en dat van jouw vader en moeder wereldkundig gemaakt moeten worden. Daarnaast hoop ik dat het heel goed gaat met je gezondheid en dat je de publicatie van je boek lang mag overleven.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

Peki’in, Israël, 14 juli 2019

 


 

Beste Gerton,

Helaas is ons gezamenlijk project op de klippen gelopen. Ik beraad me nog wat ik verder met het boek zal doen.

Nu heb jij de afbeeldingen die we zouden opnemen nog in je bezit.

Beseffend dat jij door het stoppen van het project schade hebt geleden wil ik tot een afronding met jou komen voor een zekere schadeloosstelling. Ik had gedacht aan 750 Euro. Als jij dan als tegenprestatie het illustratiemateriaal aan mijn zoon David in Dodewaard [adres weggelaten] zou willen doen toekomen. Graag je bankgegevens.

Met vriendelijke groet,

Abel de Jong

Peki’in, Israël, 16 juli 2019

 


 

Beste Gerton,

Je blijft zwijgen. Wat is hier aan de hand? Mij laten spartelen?

Ik hoor graag op de kortst mogelijke termijn van je.

Met groet,

Abel de Jong

Hilversum, 17 juli 2019

 


 

Beste Abel,

Ik ben niet zoals Boudewijn.

Ik wil me beraden op de situatie. We hebben duidelijke afspraken gemaakt over het uitgeven en in Gorinchem daarover gezamenlijke afspraken gemaakt. Een van de afspraken was dat ik je manuscript zou gaan lezen en eventueel met opmerkingen zou komen. Dus dat zou geen verassing mogen zijn. Ik wil daarom overleggen met mijn advocaat hierover. Hij is evenwel op vakantie.

Ik heb daarom de voorbereidingen voorlopig gewoon door laten gaan.

In beginsel ben ik van mening dat we al veel te ver in het uitgeefproces zitten om zonder al te grote kleerscheuren van elkaar af te komen. Gezien de ellende die hieruit zou voortvloeien is het daarom, wat mij betreft, beter het manuscript aan te passen en het uitgeefproces netjes af te ronden. Wat mij betreft kan dat zonder ‘hard feelings’.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 17 juli 2019

Beste Gerton,

Ik wil graag de strijdbijl begraven en met je verder gaan op de ingeslagen weg hoewel zich intussen een paar grote uitgevers geïnteresseerd hebben getoond. Er is zelfs al een uitgever bij ons op bezoek geweest in Israel. Dat laat ik even voor wat het is. Ik stel wel een paar voorwaarden:

  1. Geen derden achter mijn rug om raadplegen. De adviezen die je reeds gevraagd hebt wil ik liever niet in de teksten verwerken. Het boek is opgesteld a.d.h.v. documentatie die ikzelf heb. Dat geldt met name de Calmeyer registratie. Het lezend publiek is m.i. weinig deskundig.
  2. Afgezien van kleinere correcties wil ik de tekst zoals die nu luidt handhaven.
  3. Jij vertelt mij waar de meegegeven documentatie is. Je moet weten dat ik de laatste tijd in toenemende mate aan geheugenverlies lijd. Ik weet dus niet of je de spullen in Gorcum hebt achtergelaten. Met name wil ik weten waar het handgeschreven boekje van mijn ouders is. Het zat in een witte doos en heeft een blauwe kaft. Je kent het wel.

Dit even voor nu.

Graag je reactie.

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Peki’in, Israël, 18 juli 2019

Beste Gerton,

Bij mij draait alles om de vraag waar het handgeschreven boekje dat mijn ouders in Brussel hebben gemaakt en dat zich in drie of vier ingebonden schriftjes is opgetekend, zich bevindt.

Als je mij daarover geen uitsluitsel verschaft wordt samenwerking problematisch ook al schakel je twintig advocaten in. Je vermijdt steeds op deze cruciale vraag antwoord te geven.

Ik hoop dat e.e.a. goed bij je landt!

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Hilversum, 18 juli 2019

Beste Abel,

Dit is geen cruciale vraag. Ik heb alle documenten en foto’s en tekeningen in Gorinchem bij onze laatste bespreking afgegeven. De tekening van je vader was verzakt in de lijst tijdens de autorit. Weet je dat nog? De ingebonden schriftjes zitten erbij!

Ik heb nu alleen nog drie foto’s in mijn bezit die jullie mij na de laatste bespreking hebben toegestuurd. Deze foto’s stuur ik natuurlijk terug, ongeacht waar onze samenwerking op uit draait!

Gaat het goed met je gezondheid?

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 18 juli 2019

Beste Gerton,

Eindelijk duidelijkheid over die ingebonden schriftjes. Bedankt hiervoor!

Blijft nog de vraag hoe we met de teksten omgaan. Verandervoorstellen van mij onbekende derden vallen niet lekker bij mij. Hiervoor vraag ik begrip. Het boek is gemaakt op basis van bij mij aanwezige kennis en documenten. Of dat de absolute waarheid belichaamt, ach ik weet het niet en vind het ook niet cruciaal. E.e.a. staat ook in het voorwoord.

Graag nog even een laatste reactie en dan kunnen we voorwaarts.

Hartelijke groet,

Abel de Jong

 


 

Hilversum, 19 juli 2019

Beste Abel,

Hoe gaat het met je gezondheid, Abel? Ik hoop goed.

Ik vind het heel prettig te horen dat je de strijdbijl wilt begraven en dat we weer verder kunnen. Dat is voor jou en voor mij het beste, denk ik.

In het rood zal ik onderstaand reageren op de drie punten.

Als we verder gaan wil ik ook graag een uitgeefovereenkomst met je aangaan.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

  1. Geen derden achter mijn rug om raadplegen. De adviezen die je reeds gevraagd hebt wil ik liever niet in de teksten verwerken. Het boek is opgesteld a.d.h.v. documentatie die ikzelf heb. Dat geldt met name de Calmeyer registratie. Het lezend publiek is m.i. weinig deskundig. Verbum: Ik heb het nooit zo ervaren, dat ik achter je rug om wil gaan. Het zijn immers openbare bronnen die iedereen kan raadplegen of had kunnen raadplegen. Als uitgever van boeken over de Holocaust heb ik een verantwoordelijkheid. Ik kan het niet maken om boeken uit te geven waarin onjuiste informatie is opgenomen. Ten aanzien van Calmeyer: Ik kan Petra vragen een nadere toelichting te geven. Dat moet voor jou toch interessant zijn? Jij hebt dit dossier toch niet zelf ingezien of wel? Petra is hierop gepromoveerd en de expert op het gebied van aanvragen bij Calmeyer. Haar overtuigende en deskundige opinie zegt toch wel iets? Ten aanzien van Mengele is het sowieso ‘gevoelige’ informatie. Ook voor jou. Als topdeskundigen van mening zijn dat jouw vader niet voor Mengele gewerkt kan hebben, dan is dat een gegeven dat je niet zomaar kan wegpoetsen. Je moet er in ieder geval melding van maken en je stelligheid afzwakken. Ik wil/moet graag historisch verantwoorde boeken uitgeven. Ik ga niet verder graven, maar vind dus wel dat de gemelde bevindingen op een nette manier verwerkt moeten worden. Ik snap dat je gezond veel van je energie opslokt. Ik wil daarom voorstellen dat ik een voorstel doe voor deze noodzakelijke aanpassingen. Ik beloof daarbij dat ik jouw verhaal en aanpak zoveel mogelijk in tact hou.
  2. Afgezien van kleinere correcties wil ik de tekst zoals die nu luidt handhaven. Verbum: ik neem aan dat je akkoord bent met de door aangebrachte tekstuele, niet-inhoudelijke correcties.
  3. Jij vertelt mij waar de meegegeven documentatie is. Je moet weten dat ik de laatste tijd in toenemende mate aan geheugenverlies lijd. Ik weet dus niet of je de spullen in Gorcum hebt achtergelaten. Met name wil ik weten waar het handgeschreven boekje van mijn ouders is. Het zat in een witte doos en heeft een blauwe kaft. Je kent het wel. Verbum: Deze vraag heb ik al separaat per e-mail beantwoord. Ik zal nooit foto’s en documenten als drukmiddel, zo ik dat al zou willen, achterhouden.

 


 

Peki’in, Israël, 21 juli 2019

Beste Gerton,

Ik begrijp dat jij je verantwoordelijk voelt voor de juistheid van te publiceren historisch boeken. Ik sta evenwel in voor de correctheid van hetgeen ik opgeschreven heb. Het had eleganter geweest als jij mij op die Petra had geattendeerd. Dan had ik zelf met haar in contact getreden.

De Calmeyer registratie is onaantastbaar. Zie bijv. pag. 67.

Dat Sally als wetenschapsman met Mengele zelf – wellicht vluchtige – contacten heeft gehad lijkt mij ook boven alle twijfel verheven. Zie bijv. het citaat van Anton van Velsen op blz. 117. Van Velsen was een militair van het oude stempel en 100% betrouwbaar.

Echt, Gerton, ik ga deze passages niet wijzigen omdat ene Petra of hoe die vrouwen ook mogen heten het beter denkt te weten. Zo is absoluut zeker dat Sally nooit op de Buna fabriek gewerkt heeft. Ies Spetter wel. Archiefgegevens zijn ook niet altijd betrouwbaar. Zo kwam mij nichtje vorig jaar met de ontdekking dat Sally “tot eingeliefert” was in Buchenwald. Bleek op een foutieve interpretatie van een lijst te berusten.

Als jij blijft bij je stellingname moeten we daar de consequenties maar van nemen en uit elkaar gaan. Jij hebt veel tijd in mij en ik in jou gestoken. Jammer, maar we hebben geen enkele contractuele band. Dit zijn allemaal voorfasen tot het echte werk. Een paar andere uitgevers die eveneens kennis genomen hebben van het concept staan te trappelen om het stokje over te nemen. Ik begrijp je vasthoudendheid om deze kip met wellicht gouden eieren niet te slachten, maar ik heb het gevoel met jou uitgepraat te zijn. We hebben dan wel de vredespijp gerookt, maar je blijft maar corrigeren (in rood nota bene: de schooljongen maakt fouten…). Ik ben als jurist echt niet bang voor advocaten. Ik woon in Israel. Lastig procederen lijkt mij.

Hartelijke groet,

Abel

 


 

Peki’in, Israël, 21 juli 2019

Beste Gerton,

Ik heb eerlijk gezegd mijn buik vol van topdeskundigen. Mijn informatie is uit de eerste hand en die laat ik niet zomaar door welke Petra dan ook wegpoetsen. Daarmee heb je bij mij op de verkeerde knoppen gedrukt. Ik ben, evenals jij, vasthoudend.

We zijn echt op elkaar uitgekeken en ik ga een punt zetten achter onze contacten. Het neemt teveel van mijn kostbare energie in beslag. Ik wil met positief ingestelde mensen graag verder gaan. We kissebissen al veel te lang.

Het ga je goed.

Hartelijke groet,

Abel

 


 

Tot slot

Hilversum, 23 oktober 2019

Beste Abel,

Ik heb mijn gedachten ten aanzien van jouw manuscript en onze discussie daarover op papier gezet. Voordat ik dit document op mijn website plaats leek het mij gepast je vooraf hierover te informeren. Je commentaar is welkom.

Met vriendelijke groet,

Gerton van Boom

 


 

Peki’in, Israël, 24 oktober 2019

Beste Gerton,

Als je dit echt nodig vind houd ik je niet tegen. Ik vind het wel kinderachtig om hier steeds op terug te komen. Heb je geen corrigerende partner naast je? Mijn vrouw stopt zulke mailtjes voor ze uitgaan. Het lange stuk is trouwens slaapverwekkend. Ach, zie maar wat je doet.

Toch een hartelijke groet,

Abel

 


 

Op zaterdag 26 oktober 2019 verscheen een groot artikel in De Telegraaf van Bert Dijkstra over het boek van Abel de Jong dat uit kwam bij Uitgeverij Van Praag.

 


 

Flaptekst

Sally de Jong, de tweelingbroer van Loe de Jong, de gelauwerde chroniqueur van de geschiedenis van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, was de eerste die geschreven heeft over de Jodenvervolging in Nederland. Zijn essay heette De ondergang van het Nederlandse Jodendom. Hij schreef het in Brussel tijdens zijn vlucht uit Nederland om aan de deportatie en vervolging te ontkomen. Het document bereikte medio 1943 de Nederlandse regering in ballingschap in Londen en werd ter kennis gebracht van koningin Wilhelmina. Loe de Jong, werkzaam op het Bureau Inlichtingen in Londen, maakte zich van het manuscript meester en hield het tot kort voor zijn overlijden in 2005 onder zich.

Sally heeft een half jaar in het ziekenhuis van Westerbork gewerkt en nauwgezet beschrijft hij in brieven aan zijn vrouw wat hij waarnam, tot hij uiteindelijk ontdekte dat zijn werk er alleen maar toe diende de Joden in het doorgangskamp gezond te maken voor transport naar het onheilspellende oosten. Samen met zijn vrouw Liesje van Male en een bevriend echtpaar heeft Sally getracht het neutrale Zwitserland te bereiken. Dat mislukte. Een tweede poging moest hun naar Spanje leiden. Ook deze poging strandde. De desperate tocht werd een aaneenschakeling van dramatische gebeurtenissen. Het net sloot zich rond het onfortuinlijke viertal. Het lot dat meer dan 100.000 Nederlandse Joden zou treffen strekte zijn klauwen nu ook naar Sally en Liesje uit. De bestemming werd Auschwitz.

De twee kleine kinderen overleefden de Holocaust in onderduikgezinnen. De oudste van de twee, Abel, reconstrueerde het hoopvolle en veelbelovende leven van zijn ouders aan de hand van documenten die hij meer dan zestig jaar in huis had en nooit had bestudeerd.

Abel de Jong werd op 31 december 1940 geboren als oudste zoon van Sally de Jong en Liesje van Male, beiden Joods, in Amsterdam aan de Nieuwe Prinsengracht 31. Zijn Joodse ouders probeerden naar Zwitserland en later naar Spanje te vluchten. Beide pogingen mislukten op het allerlaatste moment bij de grens. De beide zoons, Abel en Daniël (1942 – 2014) waren op onderduikadressen ondergebracht. Beiden zijn, toen hun eigen ouders na de oorlog niet meer terugkeerden, opgevoed door deze pleegouders. Abel bezocht in Leiden het gymnasium en studeerde in 1967 aan de Universiteit van Leiden af als jurist. Hij begon zijn carrière bij een adviesbureau in de ruimtelijke ordening en leidde later een eigen adviespraktijk waarbij hoofdzakelijk gemeenten als opdrachtgever had. Hij is in 1968 met Ruth Hotze getrouwd. Het paar heeft vier kinderen. In 2007 zijn ze in Israël gaan wonen, maar hun binding met Nederland bleef in tact. Na zijn pensionering in 2006 is Abel gaan schrijven.

Gebonden, 250 bladzijden

Prijs: € 24,50

E-book: € 7,95

ISBN: 9789493028135

Verwachte verschijningsdatum: 24 oktober 2019

Gepost op

1942. Het jaar van de stilte – 14 oktober 2019

1942. Het jaar van de stilte

Er is weer een overvloed aan Holocaust-gerelateerde onderwerpen: het vonnis over het Holocaust Namenmonument, de schadevergoeding door de NS, het turbulente afscheid van Dirk Mulder, directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork (en met name de commotie en de beschuldigingen aan zijn adres over de vluchtelingen-wandeling), bijna wekelijks maakte de Jodenmoord zijn opwachting in de kranten en overige media, een mer à boire. Ik heb evenwel gekozen voor een minder in het oog springend onderwerp.

De afgelopen maanden ben ik samen met auteur Rob Bakker druk doende geweest om zijn begin 2020 verschijnende kolossale studie over de omvangrijke Nederlandse ambtelijke collaboratie af te ronden: Boekhouders van de Holocaust. Nederlandse ambtenaren en de collaboratie. Tijdens deze werkzaamheden werd de aandacht mede opgeëist door het nieuwe boek van Herman Van Goethem, Belgisch historicus en jurist, rector van de Universiteit Antwerpen en directeur en mede-initiator van Kazerne Dossin, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten in Mechelen, het Belgische Westerbork zullen we maar zeggen.

Het boek gaat over het jaar 1942, het jaar van de stilte, volgens Van Goethem. ‘Hij analyseert onder meer het geleidelijke afglijden naar extreem geweld bij de politie, alsook de schijnbaar voortschrijdende acceptatie vanuit de Joodse gemeenschap. In deze studie over collaboratie en verzet komen niet enkel de extremen aan bod, maar wordt vooral ook ingegaan op de complexiteit van een door de oorlog ontregelde samenleving waarin de toekomst onzeker en onduidelijk is. 1942 is wat dat betreft een scharnierjaar,’ aldus de website van de Universiteit Antwerpen.

In 1942 valt de Duitse Wehrmacht de Sovjet-Unie binnen en dringt nazi-generaal Rommel de Engelsen aanvankelijk terug in Noord-Afrika. Wie gaat er winnen? Op welk paard moet gewed worden? In de periode 1940-1942 lijken de nazi’s aan de winnende hand. Eind 1942 slaat de onoverwinnelijk lijkende Duitse oorlogsroes om in verliezen bij El Alamein en Stalingrad. Is het hitlerisme toch te verslaan? De gemiddelde mens is voorzichtig (en zwak) en kiest graag eieren voor zijn geld. Als de Duitsers Europa blijvend overheersen of als er een uitonderhandelde compromisvrede komt waarbij de kleine landen als Nederland en België onder de Duitse invloedssfeer vallen, is het verstandig een beetje met de nazi’s mee te werken. Maar als de geallieerden aan de winnende hand zijn, is er opeens volop ruimte voor verzet en kunnen we maar beter een draai maken en rekening houden met de unconditional surrender die Roosevelt en Churchill nu eisen. De burgers van de bezette gebieden wegen in 1942 in meerderheid angstvallig de oorlogskansen van de strijdende partijen af. Deze internationale ontwikkelingen bepalen tot in hoge mate de lokale seismografische verhoudingen. Dit is de centrale leeswijzer die Van Goethem biedt. Plaats de ontwikkelingen in de tijd en veel wordt opeens duidelijk(er). Immers, ‘Je kan pas lezen als je weet wat er staat’, aldus zijn graag geuite Cruijffisme. Een geweldige open deur natuurlijk, maar daarom niet minder waar.

In 1942. Het jaar van de stilte onderzoekt Van Goethem de Jodenrazzia’s in zijn Antwerpen. Wat was de rol van de lokale overheid hierin? Met name de rol van de politie wordt in een diepgravend onderzoek dat 14 jaar duurde geanalyseerd. Hij concludeert dat tot eind 1942 veel burgers en ambtenaren kozen voor collaboratie. Vanaf eind 1942, begin 1943 gaat het roer om en wordt men dapperder en gokt men op de geallieerden.

Het interessante van het boek is dat de auteur drie verhaallijnen door elkaar weeft: de rol van de lokale Antwerpse overheid (met name de politie), het dagboek van Max Gevers en ten slotte Van Goethems eigen familiegeschiedenis, waarbij hij eerlijk schrijft over zijn extreemrechtse (en ter dood veroordeelde maar niet ter dood gebrachte) opa.

In de Nederlandse pers is niet veel aandacht besteed aan dit, door de aanpak van de auteur, baanbrekende boek. Ik ken alleen een recensie van Chris van der Heijden in De Groene Amsterdammer (11 april 2019, pagina 66). Hij concludeert: ‘Dit engagement [drie verhaallijnen en zijn persoonlijke invalshoek van de auteur] maakt 1942 veel meer dan een geschiedenisboek. Het is een aanklacht tegen het leven.’ Wat Van der Heijden schrijft is allemaal waar, u moet het maar nalezen, maar mij vielen geheel andere onderwerpen in het boek op. Als je een boek leest over de Jodenvervolging in België ontkom je niet aan de neiging om te vergelijken met de Nederlandse situatie. Dat is natuurlijk in het verleden veelvuldig gepoogd, maar lang niet altijd bevredigend. Argumenten voor het verklaren van de Nederlandse collaboratie met de nazibezetter lijken opeens anders door de kracht van de argumenten van onze zuiderburen. Zij pakten het soms anders aan en tonen het ongelijk van de nog altijd aangehangen Nederlandse argumenten.

Wat is dus de waarde van de argumenten om de Nederlandse paradox te verklaren? Deze paradox moet een verheldering bieden waarom in Nederland 75% van de Joden is gedeporteerd en vermoord terwijl dat percentage in België veel lager was (circa 45%) en Frankrijk een nog aanzienlijk lager percentage kende. Vergelijken we de Nederlandse met de Belgische Jodenvervolging dan lijkt na kennisneming van het boek van Van Goethem een herijking van de gegeven verklaringen voor de ‘succesvollere’ Nederlandse Jodenvervolging noodzakelijk.

Op dinsdag 24 maart 1942 (pagina 87-88) oordeelde een rechtbank in Luik dat de wetgevende macht van de secretarissen-generaal, bij afwezigheid van de wettige regering, ongeldig is. ‘Dit vonnis haalt niet alleen de juridische positie van de secretarissen-generaal onderuit, het ondergraaft ook het systeem van welwillende overheidscollaboratie met de bezetter. (…) Dit [vonnis] is het begin van een krachtmeting tussen de Belgische overheid en bezetter.’ Van Goethem schrijft gedreven verder: ‘De Conventie van Den Haag uit 1907 garandeert de Belgische overheid een grote autonomie en geeft ze een stevige onderhandelingsmarge. Ambtenaren en magistraten kunnen perfect “legaal verzet” plegen en bij een twijfelachtige Duitse vraag argumenteren dat ze onbevoegd zijn.’ Maar hij gaat verder en nu komt het belangrijke punt: ‘Publiek protest door gezagsdragers van stand is belangrijk vanwege de impact op de publieke opinie. Het goede voorbeeld inspireert en werkt aanstekelijk; het is een tegengif tegen defaitisme.’ Verzet tegen de Jodenvervolging is door een groot deel van de bestuurlijke top in gang gezet door het goede voorbeeld te geven. Dat was geen massaal verzet, maar het was een begin, een goede intentie.

Als we dit afzetten tegen de Nederlandse verhoudingen gedurende de oorlogsjaren dan kan de opstelling van de Nederlandse ambtenaar, met name aan de top, gekarakteriseerd worden als de houding van de schurftige hond.1 In Nederland was de situatie in grote lijnen vergelijkbaar met België. De secretarissen-generaal, als hoogste ambtenaren, kregen door afwezigheid van de rechtmatige en democratisch gekozen regering de bestuurlijke macht in handen. Onder Duits bevel natuurlijk, maar de besluiten die de SG’s namen hadden kracht van wet, die op geen enkele wijze gecontroleerd of aan banden gelegd werd. Ook de Nederlandse regering in Londen heeft nooit ingegrepen en voor zover dit getracht is, werd niet naar het wettig gezag op afstand geluisterd.

De Conventie van Den Haag resulteerde in 1907 in het Landoorlogreglement dat ook in Nederland van toepassing was. De ambtenaren hebben dit document nooit een rol laten spelen. Aanvullend hierop hebben we in Nederland de zogenaamde Aanwijzingen gehad waarin het functioneren van de ambtenarij onder vreemde heerschappij was geregeld. Daar stond onder andere letterlijk in dat nooit door ambtenaren meegewerkt mocht worden aan de deportatie van een bevolkingsgroep. In de oorlog heeft de regering in Londen in mei 1943 ook nog een Commentaar op de Aanwijzingen opgesteld waarin expliciet gewaarschuwd werd om niet mee te werken aan de Jodenvervolging en -deportaties. De Aanwijzingen en het Commentaar erop zijn op alle punten ten aanzien van de rechtsbescherming van de Joden flagrant met voeten getreden. In het Nederlandse debat over de Holocaust zijn het Landoorlogreglement, de Aanwijzingen en het Commentaar erop bijna nooit een onderwerp van belang. In België speelt het Landoorlogreglement wel een grote rol in het debat. En wat mij aanspreekt is het benadrukken van het belang van het ‘publiek protest door gezagsdragers van stand’. In Nederland is altijd beargumenteerd dat ambtenaren, waaronder burgemeesters, maar beter op hun post konden blijven en mee moesten werken om erger te voorkomen, om te beletten dat NSB’ers aangesteld zouden worden en het leed van de Joden nog veel groter zou zijn. Maar het tegenovergestelde is dus aantoonbaar juist. In België zijn er bestuurders en magistraten opgestaan die zich verzet hebben tegen de Jodenvervolging. Zij vervulden een voorbeeldfunctie die defaitisme tegenging. In Nederland heeft de ambtelijke collaboratie zich als een verstikkend net om de Joden gesloten: de regering in Londen was voorstander van medewerking, de secretarissen-generaal zagen hun positie opgewaardeerd worden en reikten de bezetter in ruil daarvoor de Joden op een presenteerblaadje aan de Duitse bezetter aan. Zo heeft de Hoge Raad zonder protest zijn Joodse president laten afzetten en heeft het met het schandalige Toetsingsbesluit de legitimiteit van Duitse misdaden trachten te onderschrijven. Wat moest in deze constellatie de lagere ambtenaar doen? Hij werd, voor zover hij verzet had willen plegen, op geen enkele wijze gesteund door zijn meerdere. Integendeel! Hij werd gesommeerd te collaboreren.

We kunnen gerust concluderen dat het aangevoerde Nederlandse argument om massaal ambtelijk te collaboreren ‘om erger te voorkomen’ onjuist is als het gaat om de Jodenvervolging. Feit blijft ook dat Nederland een veel hoger percentage slachtoffers heeft dan België. Er zal zeker hiervoor een keur aan verklaringen gegeven kunnen worden; de ambtelijke collaboratie is niet de enige verklaringsgrond van de Nederlandse paradox, maar wel een belangrijke, of althans veel belangrijkere dan we tot op heden hebben ingezien.

Maar wat ook telt is het gevoel van eigenwaarde dat altijd in het geding is geweest. Doordat de Nederlandse Joden door bijna iedereen in de steek werden gelaten en de Joden middels de Joodse Raad zelf ook meewerkten aan deportatie en de anti-Joodse Duitse maatregelen, moet een sfeer ontstaan zijn van defaitisme. Je moest wel van heel goeden huize komen om in Nederland Joden te helpen… De schurftige hond kroop liever tegen de Duitse moordenaar aan in de hoop een afgekloven botje toegeworpen te krijgen. Dat was het Nederlandse beleid. Het is niet fraai en ik zeg het niet graag. We hebben geen grijze maar een gitzwarte geschiedenis te verwerken. Alle hulde dus aan de dappere houding van de Brusselse gemeentebesturen: ‘Eerst weigerden de gemeentelijke overheden (op Jette na) de Jodenster uit te reiken. En in september 1942 werkte het politiekorps niet mee aan de grote Jodenrazzia in Brussel.’ Zij wel!

Ondanks alle terechte loftuitingen voor Van Goethems boek, valt het lezen soms zwaar. Het is een lange aaneenschakeling van schokkende, maar vaak voorspelbare verhalen gedecoreerd met foto’s van de slachtoffers. Het boek moet aansluiten bij de benadrukking van persoonlijke verhalen in de Holocaustgeschiedschrijving; de slachtoffers moeten een naam en een gezicht krijgen en uit de anonimiteit treden. Een gevoel van déjà vu maakt zich wel meester van deze lezer. Het lijkt te passen in de trend van modern effectbejag die furore maakt in de herdenkingscentra.

In België zijn over het algemeen de door de nazi’s vereiste quota in aantallen Joden ook gehaald en dus is er op grote schaal natuurlijk ook door de politie en gemeentebestuurders meegewerkt aan de Jodendeportatie. Op pagina 228 en 229 schrijft Van Goethem het volgende: ‘Maar wie zijn wij om een oordeel te vellen over die agenten in Deurne? Ze bevonden zich niet enkel in een heel lastige situatie, maar werden ook fel opgejaagd door commissaris Hendrickx, die onwilligen aan de Duitsers dreigde te verklikken. Dat de herinnering na de oorlog ging verglijden is niet helemaal onbegrijpelijk. In een zwart-witte naoorlogse analyse kun je niet accepteren dat agenten die in het verzet zaten en daardoor in Duitse kampen zijn beland voordien ook effectief meewerkten aan een grootscheepse razzia. Augustus-september 1942 is echter een heel ander tijdvak dan de periode na de Grote Ommekeer, vanaf november 1942, toen alles anders werd.’

Tja, nu doemt de vraag op of we in Nederland ook een Grote Ommekeer hebben gezien? Ten aanzien van het verzet tegen de Arbeidsinzet, de spoorwegstakingen en dergelijke is er wel een kentering zichtbaar. Maar van een Grote Ommekeer ten aanzien van de (hulp aan de) vervolgde Joden is wat mij betreft duidelijk geen sprake geweest in Nederland. De deportaties gingen onverminderd door. De ambtelijke opsporingscollaboratie ten aanzien van de Joden verscherpte en verdiepte zich eerder. Ook dit punt draagt wellicht bij aan het herzien van de conclusies over de Nederlandse paradox. Terwijl elders in Europa de bereidwilligheid afnam naarmate de tijd verstreek, nam deze in Nederland toe.

Op pagina 269 stipt Van Goethem een andere saillante zaak aan. ‘Dit is de compromitterende collaboratie ten voeten uit: wie meent deals met de Duitsers te kunnen sluiten, werkt hoe dan ook mee aan de Jodenvervolging. Ook als dat niet de bedoeling is.’ Het ging over de Joodse kinderen van een tehuis in Wezembeek die vrijgesteld werden van transport, maar waarvoor zieken uit het Sint-Erasmusziekenhuis in de plaats moesten komen. Maar Van Goethem formuleert in algemene zin en dus bedoelt hij deze uitspraak generiek. Wat hij aan de kaak stelt is precies hetgeen in Nederland op grote schaal en met volle overtuiging heeft plaatsgevonden. Onderhandelen, zo zijn wij immers gewend, is iets weggeven in de hoop er iets voor terug te krijgen. Er moest aan de Duitsers veel gegeven worden. Per saldo was er winst omdat een andere houding niets zou hebben opgeleverd. Ja, u hoort uzelf al zo redeneren. Dit is dus, zoals we eerder aanhaalden, de diplomatie van de schurftige hond. Vergeten daarbij wordt dat met een dergelijke vorm van collaboratie veel meer wordt weggegeven dan beoogd. We hebben daarmee onze waardigheid en trots ook verkwanseld. In Nederland is dat vol overtuiging en massaal gebeurd. In België soms ook, maar er zaten bij onze zuiderburen meer remmen op. Wat Van Goethem betoogt is mij uit het hart gegrepen. Hij is een historicus die de bronnen centraal stelt en feiten aandraagt met empathie, moraliteit en besef dat we iets moeten leren van onze rol in de Holocaust. Dat ontbreekt er ook vaak aan in het Nederlandse debat, dat veelal gevoerd wordt door historici die de emotie uit het debat willen halen en zich concentreren op louter kille feiten.2 Die benadering kan bij de Holocaust niet. De feiten zijn er om lering uit te trekken. De feiten moeten verbonden worden aan het uit alle macht willen voorkomen van een nieuwe genocide. Van Goethem doet dat moeiteloos en dat is in de Nederlandse verhoudingen onzichtbaar. Katja Happe schreef in haar boek Veel valse hoop over de Nederlandse volksaard die van invloed zou zijn geweest op de Jodenvervolging in Nederland. Maar geen enkele Nederlandse historicus kan daar iets mee, ‘de Nederlandse volksaard’. Geen enkele historicus wil er zelfs een poging toe wagen. Dat is natuurlijk ook drijfzand, en onherroepelijk komen we dan uit bij de houding van de schurftige hond.

Van Goethem stapt evenwel moeiteloos over al dergelijke bezwaren heen. Bijna achteloos. Vanzelfsprekend. Een historicus met een hart.

Gerton van Boom, uitgever

 

1 Deze term heb ik ontleend aan een column van Max Pam in de Volkskrant van 2 juli 2019. Hij hanteert de term overigens voor het vaak laffe Nederlandse buitenlandbeleid en diplomatie.

2 Ik heb deze blog vooraf aan de heer Van Goethem voorgelegd. Hier plaats hij de volgende voetnoot:

‘Tussendoor in dit verband iets over wat u hogerop schreef i.v.m. déjà vu en effectbejag: wil ook u niet op zijn Hollands de emotie uit het debat halen?

Precies om wat u hièr schrijft laat ik ook slachtoffers zo zien, de ene na de andere, zoals inderdaad ook de herinneringscultuur wil doen. Ik denk dat dit een noodzakelijke component is in de analyse van extreem massageweld (al kan het blijkbaar dus gaan vervelen en storen). Maar je kunt niet volstaan met een kille analyse van de mechanismen (die ik dus meer bloot leg dan men in Nederland doet). Je moet tevens de slachtoffers laten zien, want ook dat is noodzakelijk ‘om lering uit te trekken’: door te laten zien dat elk van hen een mens van vlees en bloed is, met elk van hen een eigen verhaal met hoop en verwachtingen.

Het eindeloze defilé van slachtoffers mag niet gaan vervelen. Maar dat was wat net wel gebeurde (b.v. gewenning bij de politieagenten) en nog steeds gebeurt. Laat het dan maar vervelen, zo vind ik. Ik wil vervelend zijn, zeker en vast.

Wat dat déjà vu betreft ook dit: anders dan in Nederland is in België dit soort verhalen over Joodse slachtoffers uit het eigen land weinig bekend. Verklaring: 80% van de Joden had de Nederlandse nationaliteit en was ingeburgerd; er waren dus na de oorlog vele Nederlanders die dan toch maar belangstelling opbrachten en de verhalen gingen traceren in hun dorp, hun wijk, hun straat. In België ging het vooral om vreemdelingen, arme paupers, ‘vuile Joden’. Nadien werden ze helemaal vergeten en uitgewist. Nou, ik zit helemaal in een debat. Ik hou op. Groet!’

 

 

Meer lezen? Hierna is een artikel opgenomen van Herman Van Goethem over de administratieve collaboratie in België. Interessant is ook de podcast op www.deburen.eu van vrijdag 7 juni 2019. Op YouTube is ook een aardige lezing van de auteur te zien, Boekvoorstelling ‘1942. Het jaar van de stilte’ van Herman Van Goethem en LangZullenWeLezen Herman Van Goethem in De afspraak 11 02.

 

De meanders van de administratieve collaboratie in België tijdens WO II

Herman Van Goethem

De collaboratie in België tijdens WOII wordt sterk geassocieerd met Oostfrontstrijders, met rechtse politieke groeperingen (Rex, VNV, Verdinaso…) en met oorlogsburgemeesters afkomstig uit die partijen. Het is ook mogelijk om de collaboratie vanuit een andere hoek te bekijken, met name die van het dagdagelijkse overheidsbestuur (administratie en gerecht), zoals dat overal ten lande werd gevoerd, van Aarlen tot Oostende.

Zulke niet-politieke analyse legt niet enkel andere klemtonen maar komt ook tot andere vaststellingen.

Dé moeilijkste dossiers waren wel de bestrijding van het verzet en de Jodenvervolging. Met het eerste kregen alle arrondissementen en vele steden en gemeenten wel te maken, het andere beperkte zich vooral tot Antwerpen-Brussel-Luik-Charleroi en in mindere mate ook Gent, Oostende enz. In welke mate mocht/moest het Belgische bestuur meewerken? We zullen deze dossiers bespreken vanuit de hiernavolgende gegevens.

De reglementen van de Haagse Conventie uit 1907 zetten regels uit voor het bestuur van een bezet gebied. Het uitgangspunt is de permanentie van de nationale instellingen, die een samenwerking tussen het bezettingsleger en de nationale overheden noodzakelijk maakt op twee domeinen: de ordehandhaving en het ‘herstel van het publieke leven’. In 1914-1918 ontwikkelde zich in bezet België een praktijk van verregaande institutionele samenwerking met de bezetter, waarbij ook van Belgische zijde de Haagse Conventie zeer ruim werd geïnterpreteerd. Het ging daarbij vooral om niet-politieke zaken, zoals het bestrijden van criminaliteit of het herstel van de publieke infrastructuur. Het Belgische staatsapparaat werkte zo mee aan de uitvoering van Duitse bevelen en verordeningen, ook wanneer ze op ingrijpende wijze tegen de Belgische wetgeving ingingen. Het Hof van Cassatie aanvaardde zulks zelfs expliciet in een arrest uit mei 1916! Vanaf februari 1918 kwam het echter tot een clash: uit protest tegen de Duitse Flamenpolitik legde de Belgische magistratuur collectief het werk neer. Dat leidde in de daaropvolgende maanden tot een grote desorganisatie van het land.

In de jaren 1930 was het de Belgische regeringen duidelijk dat men lessen moest trekken uit het verleden. De ruime interpretatie van de Conventie van Den Haag uit 1914-1918 werd bevestigd, onder meer in het Mobilisatieboekje (1936) dat elke ambtenaar in bezettingstijd meekreeg. Daarin stond onder meer aangaande ambtenaren: ‘Indien zij door den inval worden verrast, mogen zij den overweldiger generlei weerstand bieden. (…) Indien de bezetter zulks vereist, mogen zij, bij geschrifte, uitdrukkelijk de verbintenis aangaan hun ambt nauwgezet en trouw te blijven uitoefenen en niets te doen en alles te laten dat schadelijk zou zijn voor het vijandelijk bestuur in het bezet gedeelte van het Belgisch grondgebied.’ Een wet van 10 mei 1940 bepaalde uitdrukkelijk welke ambtenaren bij een bezetting ter plaatse moesten blijven om het staatsapparaat (administratie, gerecht) in stand te houden.

Wat echter indien de bezetter het spel niet correct speelde? Een collectieve staking zoals die van de magistratuur tussen februari en november 1918 was klaarblijkelijk geen optie meer. Het Mobilisatieboekje legde de verantwoordelijkheid nu bij de individuele ambtenaren. Vroeg de bezetter iets wat strijdig was ‘met de plicht tot getrouwheid jegens het Vaderland’, dan moest de betrokken ambtenaar zijn medewerking weigeren. In geval van twijfel diende hij schriftelijk het advies van zijn hiërarchische overste vragen en dan moest hij zich schikken naar dat advies. De praktijk echter zou uitwijzen dat de ambtenaren overal op elk niveau deze geïndividualiseerde verantwoordelijkheid trachtten te ontlopen. Zo kwam het tijdens de bezetting frequent voor dat hogere ambtenaren gewoon niet antwoordden op de schriftelijke vragen om advies. Het werd uiteindelijk een ‘eenieder voor zich’, waarbij de uiteindelijke beslissing ook duidelijk verschoof naar het lokale niveau (de procureurs des konings, de burgemeesters), dat veel aan macht en invloed won. Het dient daarbij benadrukt dat de bezetter zelf de Belgische ambtenaren erg veel ruimte gaf om administratieve medewerking te weigeren op grond van de Conventie van Den Haag.

In heel België begon dus vanaf mei 1940 een intense administratieve samenwerking tussen de Belgische overheid en de Duitse bezetter, vooral op het vlak van de ordehandhaving. Ze betekende onder meer dat Belgische politie en rijkswacht overal ook op verzoek van de bezetter overging tot het opleiden en aanhouden van personen en deze aan hen overleverde. Het betrof, zoals in 1914-1918, vooral apolitieke medewerking, inzake kleine en grote criminaliteit. Gaandeweg begon echter duidelijk te worden dat de bezetter ook politieke oogmerken nastreefde. Wat bijvoorbeeld indien de bezetter de medewerking van het Belgische gerecht vroeg bij het opsporen van verzetslui die aanslagen gepleegd hadden? Dit was een uitermate moeilijk probleem.

Tegelijk speelde het volgende mee. De Belgische medewerking was niet enkel op gang gekomen in het kader van de ruime interpretatie van de Conventie van Den Haag uit WOI. Doordat men rekening hield met een Duits overwicht in Europa na de oorlog, tolereerde de Belgische administratie ook op al zijn niveaus, met instemming van de secretarissen-generaal en dit tenminste tot diep in 1941, Duitse maatregelen die de Conventie manifest schonden.

Het eerste grote dossier van een overal ingeburgerde doch manifest illegale medewerking met de bezetter, betrof de anti-Joodse verordeningen. Een nauwkeurige lectuur van teksten en adviezen uit het najaar van 1940 toont aan dat de medewerking daaraan toen de principiële en expliciete instemming kreeg van de hoogste Belgische autoriteiten (secretarissen-generaal, Raad van Wetgeving). In gans het land werkten de lokale overheden dus ‘loyaal’ mee (Antwerpen, Brussel, Luik, Charleroi, of bijvoorbeeld ook Jette en Philippeville); niet zelden gingen ze daarbij ook verder dan wat de Duitsers vroegen. Voor zover thans geweten, was er tot aan de Jodendeportaties (augustus-september 1942) geen wezenlijk verschil in de houding van de diverse gemeentelijke overheden in België tegenover de manifest illegale Jodenverordeningen.

De andere grote illegaliteit betrof een verordening uit maart 1941 van de VNV’er Romsée over de pensionering op 60 jaar. Daarmee deed de Nieuwe Orde een greep naar de macht. Belangrijk is dat de Belgische hoogste overheden niét protesteerden tegen deze manifest illegale maatregel die ook niet door de Haagse Conventie kon worden verantwoord. Men verleende er integendeel overal expliciet zijn medewerking aan.

De enige uitzondering betreft Brussel, waar burgemeester Van de Meulebroeck als protest tegen deze ‘ouderdomsverordening’ einde juni 1941 op spectaculaire wijze ontslag nam. Daarmee begon in dat arrondissement langzaam het tij te keren. In juli begon de Brusselse procureur des konings moeilijk te doen bij ‘aanhoudingen’ op vraag van de Duitsers. Vermoedelijk groeide er vanaf de zomer van 1941 in het arrondissement Brussel onder de ambtenaren en magistraten meer en meer een anti-Duits klimaat. In de loop van 1942 was het in dat arrondissement niet meer ‘normaal’ om op vraag van de bezetter individuen aan te houden, zeker niet wanneer het om collectieve arrestaties ging.

In het najaar van 1942 keerde overal het tij: het Reich voerde de verplichte tewerkstelling in Duitsland in, wat zowat overal in België grote ‘administratieve onwil’ uitlokte, zoals ook gewapend clandestien verzet. Bovendien keerden de Duitse oorlogskansen vanaf de herfst van 1942 (El Alamein oktober 1942, Stalingrad december 1942-januari 1943).

Het Belgische overheidsapparaat werkte globaal genomen niet meer mee, de enige ambtenaren die nog, nu meer dan ooit, de Duitsers bleven dienen waren de Nieuwe-Ordegezinden. Ze kozen voor een verdere samenwerking, enerzijds uit overtuiging, anderzijds ook omdat er voor hen, door hun openlijke politieke engagementen, geen weg terug meer was.

Ook de Belgische regering in Londen bekende nu openlijk kleur door een strenge repressiewetgeving die – de chronologie is geen toeval – pas in december 1942 werd uitgevaardigd, waardoor enerzijds de bestuurlijke collaboratie tot dan toe werd toegedekt, anderzijds die samenwerking naar de toekomst toe onmogelijk werd gemaakt (‘willens’ meewerken werd vervangen door ‘wetens’ meewerken met de vijand).

Literatuur

Van Goethem, H., “La Convention de La Haye, la collaboration administrative en Belgique te la persécution des Juifs à Anvers, 1940-1942“ in: Cahiers d’Histoire contemporaine – Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 2006, p. 117-197.

Van Goethem, H. (eds.), Local Government and Collaboration in Occupied Europe, 1939/1940-1945, Gent, Academia Press, 2006.