Zij zien het gevaar en duiken onder. Zij weten of voelen aan dat gehoor geven aan de oproep om naar een werkkamp te gaan tot weinig goeds zou leiden. En daar hebben zij (achteraf) gelijk in.
Groningen is de trieste koploper als het gaat om het hoogste percentage Shoah-slachtoffers. Meer dan 90% van de Groningse Joodse bevolking is vermoord, meer dan waar ook in Nederland. Natuurlijk komt er geluk bij kijken, maar voor Joodse Groningers die niet in actie komen, zijn de kansen nog beroerder dan elders.
Liefde, oorlog en onderduik is het verhaal van twee doodgewone mensen en hun families in Groningen en Haren. In 1942 duiken zij onder – in Amsterdam, Utrecht, Den Haag, Nijmegen. Adres na adres na adres. In tegenstelling tot enkele familieleden overleven de twee en keren terug naar Groningen. Teleurgesteld over hun naoorlogse behandeling emigreert het echtpaar in 1965, naar Israël: het land waar zij denken veilig te zijn.
Het verhaal van Toob en Nettie laat zien hoe ze uitgesloten worden; wie het gevaar van het fascisme ziet en er voor waarschuwt en de slachtoffers helpt; hoe onderduik in zijn werk gaat en de problemen die dat met zich meebrengt. Wat de gevolgen zijn van het beleid van een overheid die de belangen van een bepaalde groep van een hogere orde acht dan die van een andere en die economie (en eigenbelang) boven menselijkheid stelt; wat de valkuilen zijn van een op zichzelf fraai klinkend uitgangspunt als ‘gelijke behandeling’; waarom de naoorlogse tijd ‘de kleine sjoa’ wordt genoemd, en wat oorlog en vervolging voor gevolgen hebben, ook voor hen die overleven. Kortom, hoe institutioneel antisemitisme Joden klem kon zetten, niet alleen ín de oorlog.