Gepost op

‘Een duivelsche legkaart’ – 7 mei 2020

‘Een duivelsche legkaart’

Gerton van Boom

Hilversum, 7 mei 2020

Download de PDF van dit artikel

In zelfisolatie hebben we afgestemd op de Nationale Herdenking zonder publiek op de Dam. Om het gebrek aan mensen en ´verbinding´ te compenseren zal onze koning een toespraak houden. Dat doet hij normaliter nooit. Zijn excuses aan de Indonesiërs eerder dit jaar kwamen niet zonder hapering zijn mond uit. We zaten loom te wachten op een plichtmatige hakkelende toespraak van het soort waarvan we er de afgelopen jaar 75 jaar veel hadden gehoord. Maar wat schetst onze verbazing; na de toespraak van Arnon Grunberg in de Nieuwe Kerk met een sterke waarschuwing aan politici als Wilders en Baudet (zonder deze rechtspopulisten met naam te noemen), is nu ook onze koning met een verpletterende toespraak gekomen. Een rede die onze geschiedschrijving eindelijk en definitief een duw in de goede richting geeft. Na de excuses van minister-president Rutte aan de Nederlandse Joden in verband met het ‘foute’ en actieve optreden inzake registratie en deportatie van het ambtelijke apparaat bij de Holocaust en de reeds genoemde excuses voor de oorlogsmisdaden gepleegd door Nederland in Nederlands-Indië wordt met de toespraak van koning Willem-Alexander een belangrijk drieluik afgesloten. Waarom is deze uitspraak zo belangrijk? Daarvoor gaan we eerst terug naar de belangrijkste passage uit de toespraak, die overigens als bijlage integraal is opgenomen.

‘Werkelijke helden die bereid waren te sterven voor onze vrijheid en onze waarden. Maar er is ook die andere realiteit. Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.’

Koning Willem-Alexander vindt dus dat zijn overgrootmoeder en de regering in Londen de Nederlandse bedreigde Joden in de steek hebben gelaten. En dat zit hem dwars. De Volkskrant noemt het terecht ‘de open zenuw’ van onze geschiedschrijving.¹ Het handelen van ons staatshoofd en de regering was niet goed, het schoot tekort. Vijfenzeventig jaar lang, sinds het einde van Tweede Wereldoorlog hebben we ons evenwel gekoesterd met het beeld dat we niet (echt) ‘wisten’ van de Jodenvervolging. Tegen dat beeld is ook jarenlang veel protest aangetekend. Want als we wel ‘wisten’ doemt de vraag op waarom ‘we’ dan zo weinig geholpen hebben en de Joden hebben laten vermorzelen? Waarom we de Joden als wisselgeld aan de nazi’s hebben uitgeleverd? Deze vraag is niet schaamteloos te beantwoorden met: we ‘wisten’ het niet. Dan hadden we moeten toegeven dat ‘we’ angstig, zelfs laf waren, egoïstisch, niet solidair, misschien ook wel een beetje antisemitisch, verzuild, machteloos, ongeïnteresseerd, kleine kooplieden die bij nader inzien grijze muizen waren. Kortom, we waren niet de dappere dwerg die manhaftig weerstand bood aan de nationaalsocialistische reus, het militair superieure Derde Rijk met zijn virulent antisemitische leidsman Adolf Hitler. We hebben na de oorlog stelselmatig een beeld proberen te creëren van ‘goed en fout’. De Duitsers waren fout en wij waren, afgezien van de nazi-sympathisanten en nsb’ers, over het algemeen goed. Dit beeld ligt onlosmakelijk verankerd in onze geschiedschrijving. Ironisch genoeg hebben de drie voormalige mastodonten van de Nederlandse Jodenvervolging, de Joden Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong hieraan onweerlegbaar bijgedragen.

Dit beeld van ‘niet-geweten-hebben’ paste iedereen als een handschoen: de koningin, de Nederlandse regering, het ambtelijke apparaat, de burgers, de Joden (Joodse Raad in de oorlog, de hierboven genoemde geschiedschrijvers van Joodse afkomst na de oorlog) en zelfs de daders. Het gaf een excuus voor ‘niets-gedaan-hebben’. Cynisch genoeg hebben we de daders hiermee ook een ontsnapping geboden. Zelfs zij wisten het niet. Commandant Gemmeker van kamp Westerbork kreeg, om een voorbeeld te noemen, hierdoor een milde straf en een voortijdige strafvermindering.

Laten we Loe de Jong als voorbeeld nemen. Op de dag van de capitulatie ontsnapte hij ternauwernood naar Londen. Hij werkte als verslaggever voor Radio Oranje. Dit door de regering in Londen gecontroleerde medium heeft regelmatig melding gemaakt van de Jodenvervolging, maar nooit stelselmatig en indringend opgeroepen tot verzet en massale hulp aan de Joden. Na de oorlog kan dus de vraag gesteld worden waarom hij niet van de daken heeft geschreeuwd dat de Joden en zijn familie vermoord werden? De informatie was bekend, maar werd gebagatelliseerd en weggeredeneerd of in ieder geval niet gebruikt om te waarschuwen. Walter Laqueur overstelpt ons in Het gruwelijke geheim. De waarheid over Hitlers Endlösung verdrongen (1981) al met bewijzen. Maar wat heeft ‘Londen’ gedaan? Al deze bewijzen worden grotendeels genegeerd en overschaduwd door (legalistische) bangelijke argumenten als: de beste hulp is zo snel mogelijk de Duitsers verslaan, daarop moest de concentratie liggen. Ook het afremmen door ‘Londen’ van het verzet en verzetsdaden was onderdeel van de bangelijke houding. Op de vraag waarom ‘we’ niet in actie zijn gekomen, hebben we collectief de ‘niet-geweten’ jas aangetrokken. Tot nu!

Willem-Alexander zegt dus impliciet, in verkapte termen, dat zijn overgrootmoeder het wel geweten heeft, en er verkeerd mee om is gegaan. Je zou zijn redenatie ook kunnen omdraaien; als je vindt dat overgrootmoeder het verkeerd gedaan heeft, zou ze dus anders gehandeld moeten hebben omdat ze wist van de Jodenvervolging. Daarvoor is dus overigens al onvoorstelbaar veel bewijs geleverd. In het internationaal wetenschappelijk onderzoek is dit grotendeels geaccepteerd,² maar het Nederlandse academische bluswater heeft tot op heden veel dissonante en nieuwe geschiedschrijvers, die meer aansloten bij de internationale trend, onschadelijk proberen te maken.3 Of althans, er alles aan heeft gedaan de schade aan het vertrouwde beeld te beperken. Tot nu!

Wie waren deze dissonanten? Ten eerste natuurlijk Chris van der Heijden met zijn Grijs verleden, waarvan recentelijk een ongewijzigde herdruk met een nieuw nawoord is verschenen. Er waren een paar ‘foute’ en een paar ‘goede’ Nederlanders, maar de overgrote massa was grijs, niet goed en niet fout, maar bange, calculerende mensen zoals u en ik. Alleszins begrijpelijk, maar geef het gewoon toe! De meeste burgers waren volslagen machteloos tegen de bezetter. Van der Heijden heeft het beeld van het overwegend dappere Nederlandse volk terecht proberen te nuanceren. Dat heeft hem zeer veel, overwegend academisch, bluswater opgeleverd. Maar het publiek vond dat hij gelijk had en kocht zijn boek massaal.

Na Chris van der Heijden deed Nanda van der Zee van zich spreken (Om erger te voorkomen), Ies Vuijsje (Tegen beter weten in), Geert Mak (De eeuw van mijn vader), Rob Bakker (Boekhouders van de Holocaust) en talloze anderen. Ooit zullen ze historiografisch waardering krijgen.

*

Wie waren dan de academische blussers? Ja, eigenlijk bijna alle (direct of indirect) door de belastingbetaler gefinancierde geschiedschrijvers. Dit klinkt plotdenkerig, alsof Poetin hier achter zit, maar de belangrijkste tegenstanders van deze auteurs zijn te vinden in de kringen van de betaalde wetenschappers. Politiek en herinneren (of politiek en geschiedschrijving) zijn niet volledig van elkaar te scheiden. Tot op heden zijn deze blusmiddelen heel effectief gebleken. De professor werkzaam bij een gerespecteerde universiteit geniet immers meer wetenschappelijke status dan een ongebonden historicus op zijn zolderkamer. De professional wil nuanceren en pleit voor de complexiteit van de waarheid, waarmee alles aan te tonen is. Anderen willen duidelijke antwoorden en beelden. Een algemeen beeld moet helder geschetst kunnen worden. Loe de Jong deed dat ook, maar hij koos voor een strikte tweedeling in ‘goed’ en ‘fout’. Het genuanceerde beeld van de gemiddelde Nederlander in het begin van de oorlog was wellicht eerst grijs en afhankelijk van de omstandigheden soms fout en soms goed, waarna diezelfde Nederlander tegen het einde van de oorlog, met het kantelend oorlogsperspectief voor ogen, in het verzet zat en dit soms ook iets opklopte. “Do ist der Bahnhof!” (vrij naar Van Kooten & De Bie). Alle Nederlanders hebben in de oorlog dus op enigerlei wijze ‘gedeald’ met de fenomenen onderdrukking en verzet.

Tijdens de toespraak van onze koning moest ik denken aan wijlen prof. dr. Cees Fasseur, de Leidse historicus die exclusief toegang had tot het Koninklijk Archief op voorwaarde dat hij een ‘gecontroleerde’ tweedelige biografie van koningin Wilhelmina zou schrijven. De universiteit Leiden is, zoals u weet, in 1575 opgericht door Willem van Oranje en sinds mensenheugenis de universitaire kweekvijver van onze troonopvolgers. Dus Fasseur was een logische, veilige en loyale keuze van de toenmalige koningin Beatrix.⁴ Fasseur heeft zich in duizend bochten moeten wringen ten aanzien van het ‘weten’ van Wilhelmina. Immers, ze heeft drie keer op Radio Oranje gesproken over de Jodenvervolging (op 28 november 1941, op 17 oktober 1942 en op 31 december 1943). De vorstin heeft daarbij ook het woord uitroeiing gebruikt. Fasseur heeft omstandig moeten betogen dat ‘uitroeiing’ ook iets anders kan betekenen dan wat in het woordenboek staat (Van Dale: (in groten getale) doden; = verdelgen). Het zou ook een soort ‘verwijderen’ en ‘verplaatsen’ kunnen betekenen, volgens Fasseur. Hij moest een dergelijke kronkel wel construeren omdat anders de stelling, dat Wilhelmina niet echt ‘wist’ en dat zij (en de regering) daarom geëxcuseerd was om de Joden niet te hulp te komen, onhoudbaar was. Veel historici vonden deze stelling allang onhoudbaar, maar loyalist Fasseur bleef standvastig, tot in het absurde, en fel in zijn verzet naast zijn Wilhelmina staan.

Fasseurs stokje heeft Bart van der Boom, ook een Leids historicus, in een gewijzigde variant, overgenomen. Hij schreef het alom geroemde en verguisde boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Zes drukken en een Libris Geschiedenis Prijs later moet gezegd worden dat Bart van der Boom een heel goede historicus is. Als geen ander is hij in staat gebleken de internationale Holocaust samen te vatten en te duiden, maar hij heeft zich wel in duizend intellectuele bochten moeten wringen om aan te tonen dat de ‘gewone Nederlander’ niets met zekerheid ‘wist’ van de Holocaust. Dat kan misschien grotendeels waar zijn, maar deze conclusie leidt ons ook weer direct naar de schuldvraag. Aangezien de omstanders (gewone Nederlanders) niet ‘wisten’, waren de omstanders ook niet medeschuldig. De schuldvraag is niet Van der Booms heeft zich evenwel niet ten doel gesteld deze medeschuldvraag te onderzoeken, maar deze medeschuldvraag wordt wel beantwoord in door conclusies.

Hij trekt drie conclusies: gewone Nederlanders wezen de Jodenvervolging af, ze wisten niet van de Holocaust en de onwetendheid van de slachtoffers en omstanders helpt hun gedrag te verklaren. Als je wist van de Holocaust had je ongetwijfeld geprotesteerd, zo luidt de onderliggende veronderstelling.

Hij kan tot deze conclusies komen door het (om te beginnen) formuleren van een enge definitie van ‘weten’. Citaat:

‘Onder “weten” versta ik simpelweg subjectieve zekerheid. Als de tijdgenoot zelf het idee had dat hij een accuraat beeld had van het lot dat de joden te wachten stond, is dat wat mij betreft kennis. De betrouwbaarheid van de bron of het waarheidsgehalte van de voorstelling doet dus niet terzake. Een betrouwbaar verhaal dat betwijfeld wordt, fungeert niet als kennis, een fantasieverhaal dat men gelooft wel.’

Met deze definitie gaat hij een veld in waar de nieuwsgaring heel onduidelijk en diffuus is met vaak ook veel onjuiste en tegenstrijdige berichten. Als mensen (Joden en omstanders) een sterke overtuiging hebben dat deportatie voor de Joden zeer waarschijnlijk desastreus zal eindigen, dan kwalificeert dit niet als kennis. Velen hielden (terecht en noodgedwongen) een slag om de arm. Etty Hillesum (de titel: ‘Wij weten niets van hun lot’ is ontleend uit een citaat van haar) deed dat ook. Ze schreef op verschillende plekken in haar dagboek over moord, uitroeiing en andere fatale doembeelden, maar ja, er was ook onzekerheid. Ze nam daarom bijvoorbeeld stevige schoenen mee toen ze gedeporteerd werd. Dat zou haar ‘daar’ goed van pas kunnen komen. Dus, concludeert Van der Boom, ‘wist’ ze niet, anders had ze zich niet druk gemaakt over de kwaliteit van haar schoeisel. Ze zou immers direct bij aankomst vergast worden als ze ‘wist’ van de Holocaust. Ze ‘wist’ dus niet van de Holocaust. Van der Boom stelt ook telkenmale dat weten zou moeten inhouden ‘vergassing direct na aankomst’. Alsof dat het enige of belangrijkste kenmerk van Holocaust is!

Wat nou zo sneu is, is waarom Van der Boom deze definitie van ‘weten’ hanteert. Hij onderbouwt dat niet. Hij legt ook niet uit dat hij andere formuleringen heeft overwogen en wat de voor- en nadelen van deze alternatieven waren. In zijn definitie komt echt ‘weten’ in de zin van de Holocaust moeilijk uit de verf. Niemand had echt zekerheid over zijn lot, velen waren er heilig van overtuigd dat ze zeer waarschijnlijk een heel slecht lot tegemoet zouden gaan, maar subjectieve zekerheid is in elke oorlog nu eenmaal onmogelijk. Dus als je dat als eis stelt, weet je welke uitkomst jouw wetenschappelijk onderzoek krijgt. We ‘wisten’ dus niet.

Maar waarom heeft Bart van der Boom niet gekozen voor een (iets) ruimere definitie van weten? Bijvoorbeeld: ‘Weten komt tot stand indien informatie openbaar gemaakt wordt, deze informatie redelijk beschikbaar is, of beschikbaar had kunnen zijn bij navraag indien er getwijfeld wordt. Indien informatie afkomstig is van de hoogste Nederlandse autoriteit dan is “weten” onomstotelijk vastgesteld.’ Deze definitie van ‘weten’ klinkt ook plausibel. Maar Van der Boom negeert deze en alle andere mogelijke definities. Had hij een (‘Leidse’) ‘agenda’ met zijn definitie?

Is ‘subjectieve zekerheid’ het hoogste doel in deze? Als hij een iets ruimere definitie van ‘weten’ had gekozen (zie voorgaande alinea), was de uitkomst van zijn (overigens rijke en indrukwekkende onderzoek) diametraal tegenovergesteld geweest, hetgeen moeiteloos tot de conclusie had geleid dat onze gezagsdragers, politieke leiders, hoogste bestuurders (die het allerbeste waren geïnformeerd) en de omstanders (de gewone Nederlanders, maar zelfs ook de Joden) meer hadden kunnen doen en meer hadden moeten doen. Was er sprake van misleiding door de overheid misschien zelfs?

Wilhelmina wist van de uitroeiing van de Joden en ze heeft niet echt geholpen. De overheid heeft de (wettelijke) plicht haar burgers te beschermen en met de kennis toen voorhanden had Radio Oranje veel vaker, indringender en pro-actiever moeten instrueren de Joden massaal te helpen en volstrekt niet mee te werken aan anti-Joodse maatregelen. Men had tot solidariteit moeten verplichten. Als je nu kijkt hoe wij als burgers gewaarschuwd worden voor klimaatverandering en het coronavirus dan steken de opmerkingen van Radio Oranje over de Jodenvervolging daar nogal schril tegen af. Van der Boom zal hiertegen inbrengen dat dit meer een politiek standpunt is dan een historisch. Hij is wetenschapper en definieert en onderzoekt op klinische wijze, wel met begrip maar zonder onnodige emotie. Dat spreekt blijkbaar aan.

Veel deskundigen in het veld hebben zich tegen zijn studie gekeerd. In de zesde druk verweert de auteur zich tegen de kritiek zonder ook maar een centimeter toe te geven. Hij heeft zich in deze discussie staande kunnen houden omdat de wetenschapper zich op intellectueel vlak de ‘emotionele’ en gewaardeerde opponenten van het lijf kon houden door te hameren op zijn objectieve onderzoeksopzet. Tot nu!

Als je Van der Booms boek leest dan bekruipt je het gevoel dat zijn onderzoeksvraag minder relevant is. De vraag is eigenlijk waarom de gewone Nederlander niet onomstreden wist op basis van subjectieve zekerheid? De informatie was voorhanden. Niet exact met inbegrip van alle technische details, maar feit was dat er veel berichten uit serieuze bronnen beschikbaar waren op basis waarvan een redelijk denkende en handelende overheid haar burgers had moeten beschermen, voorlichten en waarschuwen. Als tien procent van de berichtgeving tot 31 december 1942 op waarheid berustte, hoorden bij alle gezagdragers in Nederland, inclusief de leiding van de Joodse Raad, alle alarmbellen af te gaan. Terstond hadden alle activiteiten van de regering in Londen, het staatshoofd en de volledige bureaucratie in Nederland (en de rest van Europa) stilgelegd moeten worden totdat er opheldering was verkregen over het gerucht van de massale moord van Joden in het oosten van Europa. De berichten uit Oost-Europa waren, zoals gezegd, in overvloed aanwezig en ook in overvloed bekend bij de regering in Londen, anders hadden de regering en de koningin zich niet geschaard achter de waarschuwing van de geallieerden in december 1942. Het punt is dat ze er amper op geacteerd hebben en alle verzachtende omstandigheden om niet te hoeven handelen met beide handen hebben aangegrepen, ook de koningin. De geallieerden hebben, zoals gezegd, op 17 december 1942 (toen de deportaties vanuit Nederland een half jaar aan de gang waren en nog veel Joden wellicht beschermd hadden kunnen worden) een gezamenlijke verklaring doen uitgaan waarin zij melding hebben gemaakt van de moord op de Joden in het Oosten. Dat was serieuze berichtgeving, gebaseerd op betrouwbare bronnen. Alle geallieerde naties hebben dit bericht onderschreven, omarmd en verspreid. Deze toenmalige waarheid kwalificeerde in de definitie van Van der Boom niet als ‘weten’, want toen was er nog geen volledige subjectieve zekerheid over de uniciteit van de industriële moord op Joden in gaskamers direct na aankomst. Immers, indien de Joden dit hadden geweten, aldus Van der Boom, waren ze niet met de nazi’s mee gegaan op reis naar het ongewisse. Omdat ze wel zijn meegegaan bewijst ook dat dat ze het niet wisten. Maar ‘weten’ over de exacte manier van moord en de termijn waarop dat zou geschieden is misschien niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat Joden meer dan redelijke twijfels mochten en moesten koesteren over de beweegredenen van de nazi’s en dat zij mochten en moesten vertrouwen op de redelijke aanname dat hun leven serieus in gevaar was. Als we dat als uitgangspunt nemen was er alle reden voor groot alarm. Als je stelt dat groot alarm alleen op zijn plaats was als je alleen honderd procent bewijs of volledige subjectieve zekerheid hebt, dan bescherm je als overheid je bevolking dus nooit.

Om terug te keren naar de rol van onze gezagsdragers; de berichten waren serieus en in overvloed aanwezig, alleen is er weinig tot niets mee gedaan. Omdat er niet dringend is gewaarschuwd en opgeroepen tot actie, bleef de gewone Nederlander in het ongewisse. Doordat de Joodse Raad eenzelfde soort politiek bedreef geldt dit ook voor de Joodse slachtoffers. Er was geen honderd procent zekerheid over het lot van de gedeporteerden waardoor de slachtoffers met de moed der wanhoop leefden en handelden in de stellige overtuiging dat ‘hopen’ op een goede afloop de enige soelaas kon bieden. Om in 2012 met een meetlat te kijken naar wat men toen exact wist op basis van onvolledige en soms bedrieglijke kennis, is jammerlijk en gaat voorbij aan de menselijke maat en de beperkingen van berichtgeving in oorlogstijd, terwijl het na de oorlog ook nog ongeveer vijftig jaar heeft geduurd om de Holocaust precies in kaart te brengen. In het boek van Van der Boom wordt elke vorm van onzekerheid of inconsistentie aangegrepen om omstandig te beargumenteren dat men niet ‘wist’. Hiermee hield hij weinig rekening met de hybride redenerende mens die in een moeilijk parket zat. Welke keuze hadden sommigen ook? Onderduiken was weggelegd voor mensen met geld en/of een goed sociaal netwerk buiten de Joodse kring. Nogmaals, Van der Boom heeft gelijk als hij stelt dat men niet ‘wist’ op basis van zijn definitie van ‘weten’, maar de vraag is of deze vraag de meest relevante is. Het was zinvoller geweest als Van der Boom andere onderzoeksvragen had gesteld.⁵​​​​​​​

De gewone Nederlander en de Joden hebben gehandeld zoals ze gehandeld hebben omdat ze niet goed waren geïnformeerd en gewaarschuwd. De gewone Nederlander en de Joden hebben dus niet gehandeld zoals ze gehandeld hebben primair omdat ze niet ‘wisten’ (op basis van welke definitie van ‘weten’ dan ook. De gewone Nederlander en de Joden wisten niet omdat ze niet goed waren geïnformeerd en gewaarschuwd. En wie had moeten informeren en waarschuwen? De koningin en haar regering.

Koning Willem-Alexander volgt Bart van der Boom dus niet meer in zijn definitie van ‘weten’. Hij zit ermee dat zijn overgrootmoeder zo gehandeld heeft, en dus ‘wist’. De koning helt naar het gewone volk dat dezelfde definitie geeft van ‘weten’ en ‘uitroeiing’ als de Van Dale. De academische lakeien van de geschiedkundige toedekking worden bedankt. Ze hebben hun rol met verve gespeeld. Tot nu!

We gaan definitief een nieuwe fase in, waarin we ongeclausuleerd de stelling mogen en moeten omarmen dat wij als omstanders of gewone Nederlanders een rol hebben gespeeld en voor een klein, maar niet onbelangrijk deel hebben bijgedragen aan de Jodenvervolging. We waren meer ‘grijs’ dan ‘goed’. We waren een beetje laf, we waren machteloos, we hebben de nazi’s hun Jodenvervolging kwalijk genomen, we kozen voor onszelf en niet voor die ‘aparte’ Joden. We waren toch ook wel een beetje (sociaal) antisemitisch. We hadden meer moeten doen voor de Joden. De Joden hadden meer moeten doen voor zichzelf. Solidariteit is een wettelijke plicht die op school onderwezen moet worden en wettelijk moet worden verankerd om herhaling te voorkomen. Maar vooral, onze politici, die nu door Arnon Grunberg gewaarschuwd worden,⁶​​​​​​​ onze gezagsdragers, onze bestuurders, onze ‘leiders’ hadden verantwoordelijkheid moeten nemen. En ja, dat is meer een politieke uitspraak dan een geschiedkundige.

De verzetskrant Slaet op den Trommele noemde op 15 juli 1942 de maatregelen tegen de Joden onderdeel ‘van een duivelsche legkaart, die nu, met hun bezegelde vernietiging sluit’.⁷ Onze koning heeft ruim zeven decennia later op de Dam een stukje van deze puzzel gelegd. Een cruciaal stukje van de legpuzzel. Lang leve de koning!

Reacties kunt u sturen naar: g.vanboom@verbum.nl

———————————————————–

1 Zie de Volkskrant dd 6 mei 2020, p. 10.

2 In de internationale Holocaust-literatuur wordt veel meer nadruk gelegd op nationale medewerking van lokale bevolking en bestuur aan de Holocaust dan de Nederlandse wetenschappers in hun literatuur. Nederland is daarmee een wetenschappelijk eilandje. Denk bijvoorbeeld aan auteurs als Raul Hilberg (De vernietiging van de Europese Joden) en Götz Aly (Europa tegen de Joden) om er slechts een paar te noemen.

3 Kijk hoe de universitaire wereld en wetenschappers van het NIOD Ies Vuijsje (Tegen beter weten in) hebben weggezet. Inhoudelijk werd er nauwelijks gereageerd, ‘gewoon onzin’ van een ‘amateurhistoricus’. Ook Chris van der Heijden kan zich verheugen op een grote schare wetenschappers die zijn boek Grijs verleden nog steeds trachten te bestrijden.

4 Fasseur was ook de auteur van de Excessennota uit 1969 waarin hij het extreme Nederlandse geweld in Nederlands-Indië in de periode 1945-1949 afzwakte. Volgens De Groene Amsterdammer van 5 december 2008 was er veel mis met dit ambtelijke rapport. De Groene schreef: ‘De Excessennota werd vrijwel volledig samengesteld en geschreven door Cees Fasseur. De latere hoogleraar in de geschiedenis van Zuidoost-Azië te Leiden, zowel jurist als historicus, was destijds ambtenaar bij het ministerie van Justitie. Zijn onderzoek is het enige waarin de hele periode en het gehele gebied van de militaire inzet worden bestreken. Maar het is verre van volledig.’ Fasseur had dus ervaring met het wegmasseren van gevoelige onderwerpen ter bescherming van de overheid.

5 Kijk voor alle reacties op het boek naar de website die de auteur heeft bijgehouden: wijwetennietsvanhunlot.blogspot.com. Waarschijnlijk is veel van de kritiek in dit artikel ook al eerder geuit. Er zijn weinig boeken die zoveel kritiek en ook bewondering hebben geoogst. Het pleit voor de auteur dat hij de discussie niet uit de weg is gegaan, hoewel de toonzetting soms erg vilein was. In een nieuw Nawoord bij de zesde editie schrijft hij hier openhartig over. Hij sluit af met: ‘If you can’t stand the heat, get out of the kitchen.’ Daar heeft hij gelijk in, maar dit is wel een ongelukkige beeldspraak bij een onderwerp waarbij gaskamers en crematoria zo’n prominente rol spelen.

6 De volledige tekst van de Nationale Herdenking-lezing van Arnon Grunberg in de Nieuwe Kerk op 5 mei 2020 is een dag later integraal gepubliceerd in de Volkskrant.

7 Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust, Amsterdam, 2012, p. 244 en 460.

 

Toespraak van koning Willem-Alexander op de Dam, Nationale Herdenking

Amsterdam | 05-05-2020

Het voelt vreemd op een bijna lege Dam. Maar ik weet dat U, dat jij, deze Nationale Herdenking meebeleeft en dat we hier samen staan. In deze uitzonderlijke maanden hebben wij allemaal een deel van onze vrijheid op moeten geven. Sinds de oorlog heeft ons land iets dergelijks niet gekend.

Nu maken we zelf een keuze. In het belang van leven en gezondheid. Toen wérd de keuze voor ons gemaakt. Door een bezetter met een ideologie zonder genade die vele miljoenen mensen de dood in joeg. Hoe voelde de ultieme onvrijheid? Er is één getuigenis die ik nooit zal vergeten.

Het was hier in Amsterdam, in de Westerkerk, bijna zes jaar geleden. Een kleine man met heldere ogen – fier rechtop met zijn 93 jaar – vertelde ons het verhaal van zijn reis naar Sobibor, in juni 1943.

Zijn naam was Jules Schelvis. Daar stond hij, breekbaar maar ongebroken, in een volle, muisstille kerk. Hij sprak over het vervoer met 62 mensen in één veewagon. Over de ton op de kale vloer. Over de regen die door de kieren spatte. Over de honger, de uitputting, de smerigheid. “Je ging er uitzien als een schooier”, zei hij. En je hoorde in zijn stem hoe erg hij dat had gevonden.

Hij vertelde over de horloges die bij aankomst door soldaten van polsen werden gerukt. Over hoe hij zijn vrouw Rachel in de chaos kwijtraakte. Nooit zag hij haar terug.

“Welk normaal mens had dit kunnen bedenken? Hoe kon de wereld toestaan dat wij, rechtschapen burgers van Nederland, als uitschot werden behandeld?” Zijn vraag bleef hangen tussen de pilaren van de kerk. Ik heb er geen antwoord op. Nog steeds niet.

Wat ik me ook herinner, is zijn verslag van wat er aan de reis voorafging. Na een razzia werd hij samen met zijn vrouw en vele honderden anderen weggevoerd naar station Muiderpoort. Ik hoor nog zijn woorden: “Honderden omstanders hebben zonder vorm van protest toegekeken hoe de overvolle trams, onder strenge bewaking, voorbij reden.” Dwars door deze stad. Dwars door dit land. Voor de ogen van landgenoten. Het leek zo geleidelijk te gaan. Elke keer een stapje verder. Niet meer naar het zwembad mogen. Niet meer mogen meespelen in een orkest. Niet meer mogen fietsen. Niet meer mogen studeren. Op straat worden gezet. Worden opgepakt en weggevoerd. Sobibor begon in het Vondelpark. Met een bordje: ‘Voor Joden verboden’.

Zeker: er waren veel mensen die zich verzetten. Mannen en vrouwen die in actie kwamen, die tegen de stroom in burgermoed toonden en hun eigen veiligheid op het spel zetten voor anderen.

Ik denk ook aan alle burgers en militairen die vochten voor onze vrijheid. Aan de jonge soldaten die in de meidagen sneuvelden aan de Grebbelinie. De militairen die ons Koninkrijk dienden in Nederlands-Indië en dat met de dood bekochten. De verzetsstrijders die werden gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte of onmenselijk werden behandeld in straf- en concentratiekampen. De militairen die niet terugkeerden van vredesmissies of daarbij ernstig gewond raakten.

Werkelijke helden die bereid waren te sterven voor onze vrijheid en onze waarden. Maar er is ook die andere realiteit. Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.

Oorlog werkt generaties lang door. Nu, 75 jaar na onze bevrijding, zit de oorlog nog steeds in ons. Het minste wat we kunnen doen is: niet wegkijken. Niet goedpraten. Niet uitwissen. Niet apart zetten. Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is. En: onze vrije, democratische rechtsstaat koesteren en verdedigen. Want alleen die biedt bescherming tegen willekeur en waanzin.

Jules Schelvis doorstond de hel en wist toch als vrij mens weer iets van het leven te maken. Veel meer dan dat. “Ik heb vertrouwen in de mensheid gehouden”, zei hij. Als hij het kon, kunnen wij het ook. Wij kunnen het, wij doen het samen. In vrijheid.

*