Gepost op

We hebben Mutti nooit meer gezien

We hebben Mutti nooit meer gezien

Op zesjarige leeftijd werd Luise door haar moeder samen met haar broer Klaus en zusje Leni in Düsseldorf (Duitsland) in maart 1939 op de trein

gezet naar Nederland. Van dit kindertransport gingen veel kinderen door naar Engeland. Luise en haar broer en zusje kwamen eerst in Rotter- dam aan, in Quarantaine Beneden-Heijplaat. Het grootste deel van de oorlog is Luise opgevangen geweest door de nonnen van het Maria Internaat in Amersfoort.

Luise’s vader zat toen ze met haar broer en zusje vluchtte al een tijdje in het concentratiekamp Sachsenhausen. Hij is later in de oorlog vergast in Schloss Hartheim waar ook veel gehandicapte mensen zijn vermoord door de nazi’s.

Luise’s moeder was bang dat ook haar kinderen niet meer veilig zouden zijn door het sterk opko- mende antisemitisme in Duitsland. Ze hoopte in Nederland een veilige haven voor haar kinderen te vinden. Veilig was het wel, maar ze heeft na de oorlog haar kinderen niet meer kunnen ophalen.

We hebben Mutti nooit meer gezien is geschikt voor jeugdige lezers vanaf tien jaar.

 4.95Boek bestellen

 14.95Boek bestellen

Gepost op

Nunes Vaz

Nunes Vaz

‘Wil je dat ik mij laat besnijden?’
Roosje wist het allemaal niet meer. Wat een toestand. Ze kende Henk nu ruim een jaar en op de eerste drie maanden na, was het een en al ellende. Gelukkig was haar moeder een beetje bijgedraaid, maar haar vader wilde nog steeds niets van haar en Henk weten.

Zo begint de grotendeels naoorlogse fa- miliekroniek over de Joodse familie Nunes Vaz. Salo Muller beschrijft in een hoog tempo de ups en downs van deze familie – totdat ze allemaal gestorven zijn! Tragiek, welvaart, geluk, overspel, passie, seks, pech, humor, ziektes en treurige lotsbestemmin- gen – het zijn allemaal ingrediënten van deze wervelende tweede roman van Salo Muller.

Salo (Amsterdam, 29 februari 1936) heeft in de Tweede Wereldoorlog als Joods kind vanaf 1941 ondergedoken gezeten nadat hij vanuit de crèche van de Hollandse Schouwburg werd gered. Hij zat ondergedoken op acht adressen, onder meer in Friesland, waar hij Japje werd genoemd. Zijn beide ouders zijn omgekomen in Auschwitz. De onderduikouders die de jonge Salo anderhalf jaar onder hun hoede namen, Klaas Vellinga en Pietje Heddema-Bos, zijn in 2008 geëerd met een Yad Vashem eremedaille. Over zijn belevenissen in de oorlogsjaren schreef hij het boek Tot vanavond en lief zijn hoor! Dit waren de laatste woorden die zijn moeder tegen hem sprak toen ze hem bij de kleuterschool afzette. Die dag werd ze opgepakt door de Duitsers.

Salo Muller werd bekend als fysiotherapeut van Ajax ten tijde van de hoogtijdagen in de jaren zeventig. Over zijn belevenissen tijdens de gou- den jaren van Ajax schreef hij in 2006 het boek Mijn Ajax (herdruk 2017: Mijn Ajaxjaren). Na Ajax richtte hij zich op het opbouwen van zijn fysiotherapie praktijk. Hij was daarnaast dertig jaar lang hoofdredacteur van het blad voor de fysiotherapie, Fysioscoop, en schreef een tweetal boeken over blessures. In 2007 verscheen Bloot- geven, een boek over zijn werk als fysiothera- peut. Muller beschrijft hierin een groot aantal van zijn bijzondere patiënten. In 2013 debuteerde hij als romanschrijver met De foto.

 4.95Boek bestellen

 17.95Boek bestellen

Boekpresentatie

Gepost op

Roofkunst – 16 augustus 2017

Op de fiets van Laren (NH) naar Groningen. Elke dag zestig kilometer via de LF-routes. Vriendin Lieberte woonde haar hele jeugd in Olst en ging naar het gymnasium in Deventer. Daar moesten we natuurlijk (haar) herinneringen ophalen. We nemen onze intrek in hotel Huis Vermeer aan het Grote Kerkhof. Wat heeft Hanzestad Deventer te bieden? Leuke antiquariaten, Gerard ter Borch (schilder, wel aardig, in het gemeentehuis was een kleine tentoonstelling ingericht: Magistraal over zijn leven en werk, in het bijzonder zijn schilderij Magistraat, ‘de Nachtwacht van Deventer’, maar niet heus) en theoloog Geert Grote (1340-1384), trendsettend met zijn Moderne Devotie (eigen geweten belangrijker dan het instituut kerk). Zijn schedel ligt in Museum De Waag.

Volgens Lieberte moesten we ook een kijkje nemen in oudste kerk van Deventer: de Bergkerk. Het was matig weer zodat een bezoek aan de Bergkerk de juiste tijdsbesteding leek.

Aldaar aangekomen bleek er een tentoonstelling te zijn ingericht. Wij naar binnen. Het is een indrukwekkende expositie van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. De titel is: Roofkunst, voor, tijdens en na WOII (www.roofkunst.com). We zijn aangenaam verrast en de eerste vraag die ik kan stellen is: waarom wisten wij dit niet? We lezen de belangrijkste kranten en volgen alles wat met de Holocaust te maken heeft, we krijgen dagelijks Blendle-meldingen over Holocaustartikelen in het nieuws en weten niet dat deze belangwekkende tentoonstelling gaande is.

Voordat we de expositie bezoeken kijken we naar de documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling. De twee bestuursleden van de initiatiefnemer Ter Borch Stichting vertellen enthousiast over hun plannen en de realisatie van hun ambities. Daaf Ledeboer overdrijft daarbij wel een beetje met een zwaar aangezette en nederige, haast religieuze blijmoedigheid à la Taco Dibbets. Hij is zo enthousiast dat hij in de schaduw mocht staan van de grootsheid van de kunst, waar hij mee in aanraking kwam, dat het gaat schuren. Maar je moet hem na geven dat het mooie tentoonstelling is geworden waar de Ter Borch Stichting en Deventer terecht trots op mogen zijn.

Er vielen mij twee zaken in het bijzonder op. Dat is ten eerste de bewegende beelden van tandarts Ruurd Rodenburg die in Leeuwarden diverse filmopnames maakte hoe zijn overburen (familie De Jongh) op 12 november 1942 door de politie van huis gehaald werden. Samen met zijn drie dochters stapte Israël de Jongh op de trein naar Westerbork, waar ze vermoord werden. Ook zijn er beelden van leeghalen van hun huis aan de Spanjaardlaan door verhuisbedrijf A. Postma. Volgens mij zijn dit unieke filmbeelden, althans ik ken geen andere bewegende beelden van de Jodenvervolging in Nederland, anders dan de beelden van Westerbork. De filmpjes zijn beschikbaar gesteld door het Fries Film Archief. Zouden er nog meer filmbeelden zijn van de Sjoa?

Eigenlijk hadden deze filmbeelden slechts zijdelings betrekking op het onderwerp van de tentoonstelling, maar interessant was het wel. Dat brengt mij maar gelijk op het tweede punt dat opviel. En dat is dat het onderwerp roof en restitutie van Nederlandse kunstbezit zo omringd is door een treurige, ambtelijke, onbarmhartige en juridische spruitjeslucht met een zweem van bureaucratisch antisemitisme. We kopen natuurlijk ook de catalogus (Roof & Restitutie. De uittocht en gedeeltelijke terugkeer van Nederlands kunstbezit tijdens en na de Tweede Wereldoorlog door de samenstellers van de tentoonstelling Rudi Ekkart en Eelke Muller, Deventer, 2017) en lezen wat we natuurlijk allang weten en nog steeds pijn doet. ‘…, werd de Jodenvervolging in Nederland doorgevoerd als een stapsgewijs, zorgvuldig geregisseerd proces waarvan het fundament bestond uit juridische en ambtelijke regelingen. De roof van eigendommen van Joodse verzamelaars verliep als een bureaucratisch proces.’ Stelselmatig en stap voor stap werden de Joden dus uitgekleed en vermoord. Ook de kunst van Joden was soms gedwongen verkocht, soms ongedwongen maar wel door de oorlogsomstandigheden ingegeven. Maar de Nederlandse overheid heeft grotendeels andere motieven bij de kunstrecuperatie dan het bieden van hulp en rechtvaardigheid aan onredelijk hard getroffen oorlogsslachtoffers. Met de recuperatie konden de kunstwerken weer getoond worden aan het publiek (versterking van het nationale kunstpatrimonium). Maar daarnaast speelde er nog een belang, en wel een financieel belang van de overheid. Ik citeer: ‘De kunstvoorraad zou bij verkoop een vermogen van ettelijke miljoenen guldens opleveren, een bedrag dat de deerlijk gehavende rijksschatkist kon aanvullen. De belangen van de individuele beroofde burgers leken in de eerste naoorlogse jaren bijna een bijzaak.’

Na een reorganisatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) in 1948 kreeg het restitutieproces meer vaart, maar de belangrijkste problemen werden niet verholpen. ‘Voor teruggave moest vast staan dat een werk het eigendom van de verzoeker was geweest en dat het onvrijwillig uit zijn bezit was geraakt. Een eventueel ontvangen tegenprestatie moest worden ingeleverd en daarnaast moest een onkostenvergoeding worden betaald. Voor oorlogsslachtoffers die alles waren kwijtgeraakt, konden deze eisen een onneembare horde zijn.’ Je was alles kwijtgeraakt en afgepakt, kwam berooid terug uit de kampen of uit de onderduik. Wat kon je allemaal aantonen? Waar haalde je het geld vandaan? Het geld dat je soms ontvangen had, was in veel gevallen weer afgepakt. Je moest dus geld terugbetalen dat ook al weer van je gestolen was, terwijl de kunstmarkt direct na de oorlog in een dip zat. Het was dan soms goedkoper om de veiling van je eigendommen af te wachten en ze op de veiling terug te kopen.

Het aantonen van onvrijwilligheid van de transactie (indien deze al had plaatsgehad) zal in veel gevallen ook moeilijk zijn geweest. Als je ervanuit ging dat vroeg of laat Nederland het Duitse voorbeeld zou volgen ten aanzien van de onteigening van Joods bezit en vermogen, dan kon je maar beter snel verkopen en met dit ‘zwarte geld’ je onderduik of vlucht te financieren. Is dit een vrijwillige verkoop? Je kan echt alle kanten op redeneren. En dat zullen partijen dan ook driftig hebben gedaan.

Ondanks dit restrictieve teruggavebeleid zijn er kort na de oorlog duizenden kunstwerken teruggeven aan de voormalige eigenaren. ‘In het begin van de jaren vijftig was de Nederlandse Rijksoverheid van mening dat de boeken konden worden gesloten. De overgebleven kunstwerken kwamen in beheer van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, om in bruikleen te worden gegeven aan musea of ter aankleding van openbare gebouwen. Deze werken vormen de huidige NK-collectie (Nederlands Kunstbezit-collectie). Vandaag de dag bestaat deze collectie nog uit ruim 4000 objecten.’ Later bleek het aantal 4800 te zijn, nadat al duizenden kunstwerken als niet-restitueerbaar waren verklaard en geveild waren (opbrengst: rekening Rijk).

Later, onder druk van de publieke opinie en de groeiende belangstelling van het publiek voor de nog steeds geldende naoorlogse onrechtvaardige behandeling van Joodse slachtoffers van het naziregime, is de politiek (niet de bureaucratie) tot het inzicht gekomen dat er een humaner restitutiebeleid moest worden ontwikkeld. Overigens wordt de term ‘humaner’ gebruikt in de tentoonstelling terwijl de catalogus spreekt van een ‘nieuw’ restitutiebeleid. Lees hiervoor het veel geraadpleegde handboek over de Nederlandse recuperatie en restitutie van door de nazi’s geroofde kunst: Betwist bezit van Eelke Muller en Helen Schretlen uit 2002.

Er wordt natuurlijk voorzien in een projectbureau, een commissie (Herkomst Gezocht) en een gefaseerde beleidsimplementatie. De eerste reeks van aanbevelingen in 2001 karakteriseerde het naoorlogse restitutiebeleid als ‘formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos’.

Een van de aanbevelingen was ook dat alle verkopen van Joodse particulieren vanaf 10 mei 1940 zou moeten worden beschouwd als onvrijwillig, tenzij het tegendeel bewezen kon worden. Omkering van de bewijslast dus. Dat gold later ook voor de kunstrestitutie van de handel. Over het terugbetalen aan de Nederlandse staat van de verkoopopbrengst, werd nu aanbevolen dat dit alleen van toepassing was indien de verkoper of de erven het geld ter vrije beschikking hadden gekregen. Na deze aanbevelingen werd de commissie Polak (Adviescommissie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog) op 1 januari 2002 ingesteld.

Er is ook een berekening gemaakt van de waarde van het niet-restitueerbare deel van alle gerecupereerde kunst. Dit bedrag zou aan een Joodse culturele instelling worden geschonken. Voorts hebben ook de musea onderzoek gedaan naar problematische gevallen van roofkunst. In 2007 werd er in de Hollandse Schouwburg een zoveelste tentoonstelling gehouden onder de titel Geroofd, maar van wie? om de rechtmatige eigenaren van de kunstwerken te achterhalen.

Het humanere restitutiebeleid heeft ertoe geleid dat de Restitutiecommissie vele kunstwerken heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Bekend zijn de zaken van Gutmann en Goudstikker. Maar opvallend is dat het gevoerde beleid erin heeft geresulteerd dat zeventig jaar na de oorlog de staat der Nederlanden een royale kunstverzameling heeft die niet van haar was. Ruim 4000 kunstwerken is de ‘ opbrengst’ van dit beleid ten behoeve van het algemeen belang en de Collectie Nederland. Dat heeft de overheid dus goed gedaan! Of niet? Eerst ontkennen, dan ontmoedigen, dan juridisch haast onmogelijk maken en ongeveer zestig jaar na de oorlog een humaner beleid ontwikkelen… Cynisch?

Er zijn veel boeken over geschreven, want deze houding jegens de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust beperkte zich niet tot kunstvoorwerpen. Het gaat ook over al het andere geroofde bezit van de Joden, zoals het huizenbezit, de onteigende bedrijven, de verzekeringen, de erfpachtkwestie en de onzinnige belastingaanslagen. Op al deze fronten heeft de staat der Nederlanden inmiddels een ‘humaner’ beleid ontwikkeld en daar waar nodig schadevergoeding betaald, maar trots kunnen we er niet op zijn. De juridische spruitjeslucht was ziekmakend, maar werd gedoogd door de Nederlandse bevolking. Immers, wij, het volk, kiezen onze politieke vertegenwoordigers en bestuurders. Wij hebben als volk jarenlang goed gevonden dat onze overheid de berooide Joden zo in de kou heeft laten staan op basis van legalistische drogredeneringen. Waarom hebben we niet vanaf 1945 royaal en loyaal de slachtoffers het voordeel van de twijfel gegeven? Waarom hebben we niet direct alle geroofde Joodse kunst aan de Joodse gemeenschap teruggegeven. De commissie Van Kemenade heeft (een halve eeuw na het einde van de oorlog) een gedeeltelijk gevoel van rechtvaardigheid en rechtsherstel opgeleverd, maar het kwam wel heel erg laat en er moest wel heel erg om gevochten worden. Joodse hoogleraren als Klein en Lipschits, die gedocumenteerd op de hoogte waren van de dossiers en betrokken zijn geweest bij de onderzoeken, hebben geschat dat het uiteindelijke bedrag aan schadevergoeding ongeveer een vijfde was van de werkelijke schade. Royaal of karig?

En wij hebben met zijn allen onze (zuinige) overheid zijn gang laten gaan om regels te verzinnen waar de slachtoffers in praktische zin nooit of slechts mondjesmaat aan konden voldoen. In dit kader werd er in de naoorlogse Holocaustliteratuur vaak gesproken over naoorlogs antisemitisme. Ies Lipschits heeft er een boek over geschreven: De kleine Sjoa. En dat is precies zoals de Joden het gevoeld moeten hebben. Maar er zijn veel meer boeken over dit onderwerp (het oplevende antisemitisme kort na de oorlog) geschreven zoals Terugkeer van Nienke Hondius.

Eigenlijk had de titel van de tentoonstelling niet Roof moeten zijn, maar Dubbele roof. Dat was waarschijnlijk voor de mensen die de tentoonstelling organiseerden net te ongemakkelijk. Allemaal nette mensen die geen man en paard durven te noemen? En ja, nog zoiets, het verspreiden van desinformatie is gewoon liegen.

Maar is dit dan helemaal afgesloten anno 2017? Nee, onlangs heeft Salo Muller zich nog boos moeten maken over de Nederlandse Spoorwegen (15 juli 2017, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2183326-nabestaande-holocaust-eist-schadevergoeding-ns.html). Hij eist een schadevergoeding. In landen als Frankrijk is dit, hoewel na commerciële dwang, al geregeld, maar in Nederland wordt gewacht. Schadebeperking zal dat heten. Salo Muller eist overigens ook het geld van de treinkaartjes terug die gedeporteerde Joden aan de spoorwegen hadden betaald om naar Vught of Westerbork vervoerd te mogen worden. Meewarig kijken de bestuurders naar deze pijnlijk roepende in de woestijn. En krijgt Salo Muller een afwijzing van de ‘klantenservice’, alsof hij tas in de trein vergeten was…

Gerton van Boom

16 augustus 2017

Gepost op

Roofkunst – 16 augustus 2017

Op de fiets van Laren (NH) naar Groningen. Elke dag zestig kilometer via de LF-routes. Vriendin Lieberte woonde haar hele jeugd in Olst en ging naar het gymnasium in Deventer. Daar moesten we natuurlijk (haar) herinneringen ophalen. We nemen onze intrek in hotel Huis Vermeer aan het Grote Kerkhof. Wat heeft Hanzestad Deventer te bieden? Leuke antiquariaten, Gerard ter Borch (schilder, wel aardig, in het gemeentehuis was een kleine tentoonstelling ingericht: Magistraal over zijn leven en werk, in het bijzonder zijn schilderij Magistraat, ‘de Nachtwacht van Deventer’, maar niet heus) en theoloog Geert Grote (1340-1384), trendsettend met zijn Moderne Devotie (eigen geweten belangrijker dan het instituut kerk). Zijn schedel ligt in Museum De Waag.

Volgens Lieberte moesten we ook een kijkje nemen in oudste kerk van Deventer: de Bergkerk. Het was matig weer zodat een bezoek aan de Bergkerk de juiste tijdsbesteding leek.

Aldaar aangekomen bleek er een tentoonstelling te zijn ingericht. Wij naar binnen. Het is een indrukwekkende expositie van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. De titel is: Roofkunst, voor, tijdens en na WOII (www.roofkunst.com). We zijn aangenaam verrast en de eerste vraag die ik kan stellen is: waarom wisten wij dit niet? We lezen de belangrijkste kranten en volgen alles wat met de Holocaust te maken heeft, we krijgen dagelijks Blendle-meldingen over Holocausrtartikelen in het nieuws en weten niet dat deze belangwekkende tentoonstelling gaande is.

Voordat we de expositie bezoeken kijken we naar de documentaire over de totstandkoming van de tentoonstelling. De twee bestuursleden van de initiatiefnemer Ter Borch Stichting vertellen enthousiast over hun plannen en de realisatie van hun ambities. Daaf Ledeboer overdrijft daarbij wel een beetje met een zwaar aangezette en nederige, haast religieuze blijmoedigheid à la Taco Dibbets. Hij is zo enthousiast dat hij in de schaduw mocht staan van de grootsheid van de kunst, waar hij mee in aanraking kwam, dat het gaat schuren. Maar je moet hem na geven dat het mooie tentoonstelling is geworden waar de Ter Borch Stichting en Deventer terecht trots op mogen zijn.

Er vielen mij twee zaken in het bijzonder op. Dat is ten eerste de bewegende beelden van tandarts Ruurd Rodenburg die in Leeuwarden diverse filmopnames maakte hoe zijn overburen (familie De Jongh) op 12 november 1942 door de politie van huis gehaald werden. Samen met zijn drie dochters stapte Israël de Jongh op de trein naar Westerbork, waar ze vermoord werden. Ook zijn er beelden van leeghalen van hun huis aan de Spanjaardlaan door verhuisbedrijf A. Postma. Volgens mij zijn dit unieke filmbeelden, althans ik ken geen andere bewegende beelden van de Jodenvervolging in Nederland, anders dan de beelden van Westerbork. De filmpjes zijn beschikbaar gesteld door het Fries Film Archief. Zouden er nog meer filmbeelden zijn van de Sjoa?

Eigenlijk hadden deze filmbeelden slechts zijdelings betrekking op het onderwerp van de tentoonstelling, maar interessant was het wel. Dat brengt mij maar gelijk op het tweede punt dat opviel. En dat is dat het onderwerp roof en restitutie van Nederlandse kunstbezit zo omringd is door een treurige, ambtelijke, onbarmhartige en juridische spruitjeslucht met een zweem van bureaucratisch antisemitisme. We kopen natuurlijk ook de catalogus (Roof & Restitutie. De uittocht en gedeeltelijke terugkeer van Nederlands kunstbezit tijdens en na de Tweede Wereldoorlog door de samenstellers van de tentoonstelling Rudi Ekkart en Eelke Muller, Deventer, 2017) en lezen wat we natuurlijk allang weten en nog steeds pijn doet. ‘…, werd de Jodenvervolging in Nederland doorgevoerd als een stapsgewijs, zorgvuldig geregisseerd proces waarvan het fundament bestond uit juridische en ambtelijke regelingen. De roof van eigendommen van Joodse verzamelaars verliep als een bureaucratisch proces.’ Stelselmatig en stap voor stap werden de Joden dus uitgekleed en vermoord. Ook de kunst van Joden was soms gedwongen verkocht, soms ongedwongen maar wel door de oorlogsomstandigheden ingegeven. Maar de Nederlandse overheid heeft grotendeels andere motieven bij de kunstrecuperatie dan het bieden van hulp en rechtvaardigheid aan onredelijk hard getroffen oorlogsslachtoffers. Met de recuperatie konden de kunstwerken weer getoond worden aan het publiek (versterking van het nationale kunstpatrimonium). Maar daarnaast speelde er nog een belang, en wel een financieel belang van de overheid. Ik citeer: ‘De kunstvoorraad zou bij verkoop een vermogen van ettelijke miljoenen guldens opleveren, een bedrag dat de deerlijk gehavende rijksschatkist kon aanvullen. De belangen van de individuele beroofde burgers leken in de eerste naoorlogse jaren bijna een bijzaak.’

Na een reorganisatie van de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK) in 1948 kreeg het restitutieproces meer vaart, maar de belangrijkste problemen werden niet verholpen. ‘Voor teruggave moest vast staan dat een werk het eigendom van de verzoeker was geweest en dat het onvrijwillig uit zijn bezit was geraakt. Een eventueel ontvangen tegenprestatie moest worden ingeleverd en daarnaast moest een onkostenvergoeding worden betaald. Voor oorlogsslachtoffers die alles waren kwijtgeraakt, konden deze eisen een onneembare horde zijn.’ Je was alles kwijtgeraakt en afgepakt, kwam berooid terug uit de kampen of uit de onderduik. Wat kon je allemaal aantonen? Waar haalde je het geld vandaan? Het geld dat je soms ontvangen had, was in veel gevallen weer afgepakt. Je moest dus geld terugbetalen dat ook al weer van je gestolen was, terwijl de kunstmarkt direct na de oorlog in een dip zat. Het was dan soms goedkoper om de veiling van je eigendommen af te wachten en ze op de veiling terug te kopen.

Het aantonen van onvrijwilligheid van de transactie (indien deze al had plaatsgehad) zal in veel gevallen ook moeilijk zijn geweest. Als je ervanuit ging dat vroeg of laat Nederland het Duitse voorbeeld zou volgen ten aanzien van de onteigening van Joods bezit en vermogen, dan kon je maar beter snel verkopen en met dit ‘zwarte geld’ je onderduik of vlucht te financieren. Is dit een vrijwillige verkoop? Je kan echt alle kanten op redeneren. En dat zullen partijen dan ook driftig hebben gedaan.

Ondanks dit restrictieve teruggavebeleid zijn er kort na de oorlog duizenden kunstwerken teruggeven aan de voormalige eigenaren. ‘In het begin van de jaren vijftig was de Nederlandse Rijksoverheid van mening dat de boeken konden worden gesloten. De overgebleven kunstwerken kwamen in beheer van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, om in bruikleen te worden gegeven aan musea of ter aankleding van openbare gebouwen. Deze werken vormen de huidige NK-collectie (Nederlands Kunstbezit-collectie). Vandaag de dag bestaat deze collectie nog uit ruim 4000 objecten.’ Later bleek het aantal 4800 te zijn, nadat al duizenden kunstwerken als niet-restitueerbaar waren verklaard en geveild waren (opbrengst: rekening Rijk).

Later, onder druk van de publieke opinie en de groeiende belangstelling van het publiek voor de nog steeds geldende naoorlogse onrechtvaardige behandeling van Joodse slachtoffers van het naziregime, is de politiek (niet de bureaucratie) tot het inzicht gekomen dat er een humaner restitutiebeleid moest worden ontwikkeld. Overigens wordt de term ‘humaner’ gebruikt in de tentoonstelling terwijl de catalogus spreekt van een ‘nieuw’ restitutiebeleid. Lees hiervoor het veel geraadpleegde handboek over de Nederlandse recuperatie en restitutie van door de nazi’s geroofde kunst: Betwist bezit van Eelke Muller en Helen Schretlen uit 2002.

Er wordt natuurlijk voorzien in een projectbureau, een commissie (Herkomst Gezocht) en een gefaseerde beleidsimplementatie. De eerste reeks van aanbevelingen in 2001 karakteriseerde het naoorlogse restitutiebeleid als ‘formalistisch, bureaucratisch, kil en veelal zelfs harteloos’.

Een van de aanbevelingen was ook dat alle verkopen van Joodse particulieren vanaf 10 mei 1940 zou moeten worden beschouwd als onvrijwillig, tenzij het tegendeel bewezen kon worden. Omkering van de bewijslast heet dat. Dat gold later ook voor de kunstrestitutie van de handel. Over het terugbetalen aan de Nederlandse staat van de verkoopopbrengst werd nu aanbevolen dat dit alleen van toepassing was indien de verkoper of de erven het geld ter vrije beschikking hadden gekregen. Na deze aanbevelingen werd de commissie Polak (Adviescommissie Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog) op 1 januari 2002 ingesteld.

Er is ook een berekening gemaakt van de waarde van het niet-restitueerbare deel van alle gerecupereerde kunst. Dit bedrag zou aan een Joodse culturele instelling worden geschonken. Voorts hebben ook de musea onderzoek gedaan naar problematische gevallen van roofkunst. In 2007 werd er in de Hollandse Schouwburg een zoveelste tentoonstelling gehouden onder de titel Geroofd, maar van wie?

Het humanere restitutiebeleid heeft ertoe geleid dat de Restitutiecommissie vele kunstwerken heeft teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar. Bekend zijn de zaken van Gutmann en Goudstikker. Maar opvallend is dat het gevoerde beleid erin heeft geresulteerd dat zeventig jaar na de oorlog de staat der Nederlanden een royale kunstverzameling heeft die niet van haar was. Ruim 4000 kunstwerken is de ‘ opbrengst’ van dit beleid ten behoeve van het algemeen belang en de Collectie Nederland. Dat heeft de overheid dus goed gedaan. Of niet? Eerst ontkennen, dan ontmoedigen, dan juridisch haast onmogelijk maken en ongeveer zestig jaar na de oorlog een humaner beleid ontwikkelen… Cynisch?

Er zijn veel boeken over geschreven, want deze houding jegens de Nederlandse slachtoffers van de Holocaust beperkte zich niet tot kunstvoorwerpen. Het gaat ook over al het andere geroofde bezit van de Joden, de verzekeringen, de erfpachtkwestie en de onzinnige belastingaanslagen. Op al deze fronten heeft de staat der Nederlanden inmiddels een ‘humaner’ beleid ontwikkeld en daar waar nodig schadevergoeding betaald, maar trots kunnen we er niet op zijn. De juridische spruitjeslucht was ziekmakend, maar werd gedoogd door de Nederlandse bevolking. Immers, wij, het volk, kiezen onze politieke vertegenwoordigers en bestuurders. Wij hebben als volk jarenlang goed gevonden dat onze overheid de berooide Joden zo in de kou heeft laten staan op basis van legalistische drogredeneringen. Waarom hebben we niet vanaf 1945 royaal en loyaal de slachtoffers het voordeel van de twijfel gegeven? Waarom hebben we niet direct alle geroofde Joodse kunst aan de Joodse gemeenschap teruggegeven. De commissie Kemenade (een halve eeuw na het einde van de oorlog) heeft wel een gedeeltelijk gevoel van rechtvaardigheid en rechtsherstel opgeleverd, maar het kwam wel heel erg laat en er moest wel heel erg om gevochten worden. En wij hebben met zijn allen onze overheid zijn gang laten gaan om regels te verzinnen waar de slachtoffers in praktische zin nooit of slechts mondjesmaat aan konden voldoen. In dit kader werd er in de naoorlogse Holocaustliteratuur vaak gesproken over naoorlogs antisemitisme. Ies Lipschits heeft er een boek over geschreven: De kleine Sjoa. En dat is precies zoals de Joden het gevoeld moeten hebben. Eigenlijk had de titel van de tentoonstelling niet Roof moeten zijn, maar Dubbele roof. Dat was waarschijnlijk voor de mensen die de tentoonstelling organiseerden net te ongemakkelijk. Allemaal nette mensen die geen man en paard durven te noemen? En ja, nog zoiets, het verspreiden van desinformatie is gewoon liegen.

Maar is dit dan helemaal afgesloten anno 2017? Nee, onlangs heeft Salo Muller zich nog boos moeten maken over de Nederlandse Spoorwegen (15 juli 2017, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2183326-nabestaande-holocaust-eist-schadevergoeding-ns.html). Hij eist een schadevergoeding. In landen als Frankrijk is dit al geregeld, maar in Nederland wordt gewacht. Schadebeperking zal dat heten. Salo Muller eist overigens ook het geld van de treinkaartjes terug die gedeporteerde Joden aan de spoorwegen hadden betaald om naar Vught of Westerbork vervoerd te mogen worden. Meewarig kijken de bestuurders naar deze pijnlijk roepende in de woestijn. En krijgt Salo Muller een afwijzing van de ‘klantenservice’.

Gerton van Boom

16 augustus 2017

Gepost op

Eberhard van der Laan in Zomergasten – 30 juli 2017

Natuurlijk zaten we in huize Van Boom ook klaar om naar onze bestuurlijke held te kijken. De enige politicus die we oprecht konden geloven en vertrouwen. Wat een geweldige bestuurder en mens is Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, de stad waar veel Van Boompjes geboren zijn en sommige nog leven. Mijn moeder haalde in de jaren zeventig altijd tompoucen in huis als Ajax een Europacupwedstrijd moest spelen. We gingen er met het hele gezin en de buren lekker voor zitten. Zo’n avond was het…

Maar de avond bracht mij ergernis en boosheid. Wat deed onze rechtschapen mensenmens? Hij wil in alles nuanceren en de redelijke ‘oud-advocaat’ zijn die alle voors en tegens in een juiste balans wil krijgen. Ik heb het over het onderwerp Jodenvervolging dat hem zo aan het hart gaat. Hij wil iets aantonen en rechtzetten wat hem al lang dwars zit: de te gemakkelijke beschuldiging dat we in de oorlog slappelingen waren en onze onverschilligheid de ondergang van de Joodse medemens heeft betekent of beter gezegd, ernstig heeft bevorderd. Hij vindt dat deze beschuldiging (beter) onderbouwd moet worden, zoals in een dagvaarding of tenlastelegging. Op irritante wijze wil hij ons meermalen duidelijk maken dat hij ‘oud-advocaat’ is en de zaken graag als juridische procedures wil beschouwen. Maar wat hij hiermee realiseert ten aanzien van de Jodenvervolging in Nederland is waarschijnlijk alleen het tegenovergestelde.

Hij beschouwt de oorlog en de Sjoa als een moreel kompas, terwijl hij feitelijk geneigd is de waarheid deels te negeren. Ik zal dat straks allemaal netjes uitleggen. Spontaan riep ik: geschiedvervalsing! Te grote woorden? Ongepaste kritiek? Misschien, maar wat ik te zeggen heb, moet toch gezegd worden. Anders kan ik beter direct stoppen met het uitgeven van boeken over de Holocaust.

Evelien Gans schreef in het NRC op donderdag 3 augustus al een artikel over Van der Laan en zijn opvattingen over de Holocaust (‘Van der Laan te positief over verzet tegen de Jodenvervolging’ – de tekst heb ik voor de geïnteresseerde lezer hieronder integraal opgenomen). Alles wat ze schrijft kan ik onderschrijven, maar ze is te lief voor de aimabele burgervader. Tijdens de uitzending nog heb ik historicus Rob Bakker geappt en mijn verontwaardiging uitgesproken. Hij is de auteur van het binnenkort (januari 2018) te verschijnen boek De boekhouders van de Holocaust. Die boekhouders waren natuurlijk de ambtenaren die, ja laten we het maar gewoon zeggen, zwaar gecollaboreerd hebben en zodoende argeloos de Nederlandse Joden kansloos in de afgrond hebben laten storten. Daarbij hebben velen ook zelf vuile handen gemaakt. Hij adviseerde mij het te laten gaan. ‘Van der Laan is heiligverklaard en kritiek zal van hem afglijden.’ Maar ook voor mij is de Holocaust een moreel kompas waar we op moeten varen en dus iets van moeten leren, maar mijn conclusie zijn anders en ongemakkelijker. Alleen op deze manier kan je proberen in de toekomst een andere koers te varen op dit kompas. Op de manier van Eberhard van der Laan kan er makkelijk een wig gedreven worden in lespakket dat de Endlösung representeert.

In aanvulling op Evelien Gans wil ik twee onderwerpen uit Zomergasten met Van der Laan bespreken. Hij brengt de Amsterdamse Jood Dolf Aronson in beeld die van mening was dat er onterecht veel ‘poeha’ gemaakt wordt van de Februaristaking en de geroemde solidariteit. Na de Februaristaking was de solidariteit opeens grotendeels verdwenen, met alle gevolgen van dien. Hoe dat kon?, was door Aronson niet te beantwoorden. Van der Laan vindt dit ook een goede vraag en beantwoordde hem ook niet. Dat is merkwaardig omdat hij er blijk van geeft redelijk op de hoogte te zijn van de recente Nederlandse Holocaust-historiografie. Zo moet hij o.a. de dissertatie kennen van Pim Griffioen en Ron Zeller (Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945. Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Uitgeverij Boom, 2011, 1045 pagina’s). Hij geeft cijfers en de belangrijkste resultaten van de objectieve verschillen tussen Nederland, Frankrijk en België. Maar deze vraag beantwoorden is hem niet gegeven, terwijl hij zelf een boek over het onderwerp Jodenvervolging had willen schrijven. Maar als hij gewoon de bijbel van de geschiedschrijving van de Jodenvervolging in Nederland had gelezen, hadden hij en Aronson het antwoord geweten. Of in ieder geval de theorie van Loe de Jong – de auteur van deze bijbel – hierover kunnen citeren. Ik heb het natuurlijk over het hooggebergte van de Nederlandse bezettingsgeschiedschrijving: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog 1939-1945. Loe de Jong schrijft in deel 5 of 6, daar wil ik even vanaf zijn, over het schrijnende gebrek aan solidariteit binnen de Joodse gemeenschap en binnen de Nederlandse samenleving als geheel waardoor terreur (of de angst voor terreur) in een simpel spel van verdeel en heers door de kleine Duitse bezettingsmacht bestaande uit overwegend fanatieke SS’ers een geweldig rendement voor de moordenaars heeft kunnen opleveren. Een voor de Nederlandse samenleving, tot de dag vandaag, beschamend rendement. Beschamend te meer als de oorzaken ervan genuanceerd moeten worden tot een ja-maar-verhaal (ja-maar in de zin van: ze hebben weliswaar iets slechts gedaan maar ook iets goeds gedaan).

Wat schrijft Loe de Jong? Vrij geparafraseerd komt het erop neer dat de Joodse gemeenschap nooit akkoord had moeten gaan met de oprichting, rol en functioneren van de Joodse Raad zoals voorgesteld of voorgeschreven (of afgedwongen) door de bezetter. De Joodse Raad heeft zich laten gebruiken als handlanger, als uitvoerder of wegbereider van de desastreuze en criminele Duitse genocidale maatregelen. Principieel hadden de Joden moeten weigeren. Dan hadden de boeven impopulairdere maatregelen moeten nemen waardoor het gevoel van noodzakelijke solidariteit blijvend gevoed had kunnen (en moeten) worden. Maar nu is de Joodse Raad opgericht die het Joodse verzet moest ontwapenen en het standpunt innam om maar aan de harde Duitse maatregelen te voldoen, ‘om erger te voorkomen’. Maar men had onderschat welk signaal hiervan uitging richting Nederlandse samenleving. Als de Joden zelf al geen verzet meer aantekenden en dat de vooruitgeschoven leiders en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap zich al neerlegden bij gedwongen deportatie, waarom moesten argelozen (arische) buren dan hun leven in de waagschaal stellen voor de Joodse medeburgers? In deze situatie was het nu al te gemakkelijk om een andere kant op te kijken, als men het al had gezien of had willen zien wat er met de Joden stond te gebeuren. En wat stond er dan wel te gebeuren? Industriële vergassing is als onomstreden feitelijke kennis pas van na de oorlog.

Dus het antwoord op de vraag is lafheid en daardoor ontstond een makkelijk te rechtvaardigen gebrek aan solidariteit. ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’ was, zeker achteraf gezien, de slechtste optie. De ontslagen Joodse voorzitter van Hoge Raad mr. L.E. Visser was en bleef een roepende in de woestijn. Hij pleitte voor principiële non-coöperatie.

Daarnaast moet hier melding gemaakt worden van een andere desastreuze ontwikkeling. Binnen veertien dagen heeft de ambtelijke top (de secretarissen-generaal van de verschillende departementen) zich neergelegd bij het feit dat de nazi’s het land zouden regeren. Ook op dit vlak zou men voorlopig meewerken. Dat was de instructie: onderwerping aan de bezetter. Dit beleid is gevolgd door een uitspraak van de Hoge Raad, die niet protesteerde toen haar Joodse roerganger (de reeds genoemde mr. L.E. Visser) ontslagen werd, dat alle Duitse maatregelen kracht van wet in Nederland hadden. Voorts heeft het gehele bestuurlijke apparaat meegewerkt ‘als beste jongetje van de klas’. De bestuurlijk collaborerende werking die toen over de Joodse medemens is ‘uitgerold’ is uniek en moet de Duitsers in hun vuistje hebben doen gniffelen. Wat waren die Nederlanders (Joden en niet-Joden gelijk) naïef? Een mep in het gezicht, een dreigementje en af en toe een klein botje toewerpen en ze waren gelukkig en ervan overtuigd dat meebuigen de scherpe kantjes van de vervolgingen af zouden halen. De nazi’s hoefden zodoende niet veel te doen. De makke Nederlanders hielpen goed mee. Rijksambtenaren, gemeenteambtenaren, politie, advocaten, notarissen, spoorweg- en trampersoneel en diverse semioverheidsinstellingen – bijna iedereen werkte braaf mee. Ja, anders zou je je baan kunnen verliezen en je hebt ook een gezin te onderhouden, nietwaar? Dit alles werd dus gelegitimeerd door de hoogste (ambtelijke) bazen. Een hele lichte vorm van antisemitisme, hebzucht en vooral angst voor het eigen hachje deden de rest. Het is daarom opvallend dat veel Joden hebben kunnen onderduiken, hoewel dat in de meeste gevallen alleen tegen betaling geschiedde.

Wat in dit kader zorgwekkend is, dat is niet de angst, maar het feit dat we ook nog eens het braafste jongetje van de klas wilden zijn. Een goed voorbeeld is de ambtenaar Jacob Lentz, het Nederlandse equivalent van een radertje als Adolf Eichmann (banaliteit van het kwaad). Hij is zelfs naar Berlijn afgereisd om zijn zelf ontwikkelde (onvervalsbaar geachte) persoonsbewijs te promoten en zodoende een wit voetje te halen. Dit was een belangrijk onderdrukkingsmiddel van de Duitsers en waarom zou je als Nederlandse ambtenaar je zo je best hiervoor doen? De Duitsers zullen zich over deze vergevorderde vorm van hielenlikkerij verbaasd hebben. Met een ongekende accuratesse hebben de ambtenaren ‘zwarte ruiters’ aangebracht op de kaarten van Joden in de gemeentelijke basisadministraties. Het aantal ambtelijke weigeraars was op één hand te tellen.

Het lijkt erop dat dit karaktertrekje nog steeds met enige regelmaat de kop opsteekt. We willen de baas graag tutoyeren en onafhankelijk en tegen de heersende hiërarchie en autoriteit ingaan, maar als het eropaan komt willen wij de regels altijd iets strenger maken dan we (internationaal) hebben afgesproken. Deze karaktertrek zou eens onderzocht moeten worden.

Het tweede punt uit Zomergasten over de Holocaust dat ik wil adresseren is het volgende. Van der Laan stelt dat de beschuldiging van de ‘slappe Nederlanders’ slecht of niet onderbouwd is. Nou, dat is een gotspe! Hoeveel bewijs wilt u hebben, burgemeester? U – ik richt me maar direct tot u – kunt gewoon, wederom, Loe de Jong (of Presser, Herzberg of de duizend andere monografieën over de Jodenvervolging) erop naslaan en het staat er allemaal in, gedetailleerd tot in het onzinnige, onomstreden en wetenschappelijk verantwoord. Ook de rol van de overheid en het ambtelijke apparaat na de oorlog heeft hemeltergend kwetsend en discriminerend voor de Joden gewerkt. Ik ga het allemaal niet herhalen. De bewijslast dat u (als ‘oud-advocaat’) wenst is overweldigend en, nogmaals, onomstreden. ‘I rest my case, your honor.’ Het is niet te bevatten dat u deze kritiek uit! Wat kan daar achter zitten? Ik snap het niet. Het is geen ‘makkelijk verwijt’ zoals u stelt. Het is wel een ongemakkelijke werkelijkheid. Het lijkt erop dat u de geschiedschrijving wilt corrigeren. Dat kan niet, dat mag niet. Dat zou het morele kompas helemaal in de war sturen. Wat doet u nu? Mijn eerste reactie was dat dit ook een vorm van collaboratie is, maar dat gaat natuurlijk te ver. Dat is veel te emotioneel. Maar wat doet u dit zeggen?

U begon de uitzending met de uitspraak: ‘Ik ben geen politicus. Ik ben een burger die zich een tijdje afgeeft met bestuur en dat is politiek.’ Maar na de uitzending geloofde ik deze uitspraak niet meer. U bent een heel gewiekste politicus. De gewiekste politicus die ik ken. Wat is mijn theorie?

U heeft een groot deel van uw werkzame leven als ‘oud-advocaat’ de publieke zaak gediend. U bent bestuurder en heeft ‘het besturen’ nooit alleen kunnen doen. U hebt altijd gewerkt met ambtenaren die u waarschijnlijk overwegend loyaal gediend hebben. Zonder hen was u nooit geworden wat u nu bent: ‘een unieke en terecht heiligverklaarde bestuurder’. U bent een sympathieke man die het vervelend vindt dat de door u zo geliefde collega’s postuum (met de kennis van nu, zonder rekening te houden met de moeilijke en onduidelijke omstandigheden) en virulent door het slijk gehaald worden voor wat hun ambtelijke voorouders hebben misdaan. Immers, het was toen geen gemakkelijke tijd… U wilt uw collega tegemoet komen en een beetje helpen om al deze kritiek tegen te gaan of tot redelijke en behapbare proporties terug te dringen. Daarvoor kan de waarheid best een beetje opschuiven. U bent immers geen onverschillig mens. Ja, een ander antwoord kan ik niet verzinnen. Uit medemenselijkheid en collegialiteit wilt u nu ook een beetje solidair zijn met uw ambtenaren, terwijl deze ambtenaren (bijna zonder uitzondering) nooit solidair zijn geweest met onze kwetsbare Joodse minderheid.

Wat mij ronduit stoorde is uw gekoketteer met uw status als ‘oud-advocaat’. Dat moet u nooit meer doen. Advocaten reageren meestal verongelijkt op zaken. Voor hen is de wet vaak ‘leidend’, terwijl de wet ook maar een gemaakte afspraak is die niet rechtvaardig hoeft te zijn. Een wet kan daardoor ook ‘lijdend’ zijn. Een wet kan morgen aangepast worden waardoor er opeens een nieuwe werkelijkheid zou ontstaan? Nee dus. De discussie over het morele kompas ten aanzien van de Jodenvervolging hoort en mag derhalve geen juridische discussie te zijn. Het dient een moreel-ethische discussie te zijn waarbij j’accuse-achtige oordelen uitgesproken kunnen worden. Dit betekent m.i. dat u zich nooit meer zou moeten afficheren als ‘oud-advocaat’. U bent primair een gedreven politicus die kan en moet oordelen en zich moet uitspreken over maatschappelijk ethische kwesties. U dient verre verwijderd te blijven van de ambtelijk legalistische spruitjeslucht die het morele oordeel over de Jodenvervolging als decennialang achtervolgt.

Ik realiseer me dat mijn betoog emotioneel is en u bekritiseert, terwijl we ongetwijfeld aan dezelfde kant staan. Het zijn misschien accentverschillen, maar naar mijn mening wel met mogelijk grote gevolgen. Ik hoop niet dat u door mijn kritiek geschokt zult zijn. U heeft het nooit zo bedoeld of zo gezegd. Ik wil mijn opmerkingen ook direct relativeren met het roemen voor al hetgeen u heeft gedaan en nog zal doen voor de goede zaak van het levendig houden van de herinnering en les van de Holocaust. Met name ook uw bijdrage aan de totstandkoming van het Holocaust Namenmonument – het initiatief van het Nederlands Auschwitz Comité.

Alles overziend vind ik u, ook na de uitglijder in Zomergasten, nog steeds de beste burgemeester van Amsterdam die ik ken. Ik kom graag een keer een kopje thee drinken om een en ander nader toe te lichten. Ik zal dan enkele boeken over dit onderwerp voor u meenemen. Het ga u goed!

Gerton van Boom

Uitgever Verbum Holocaust Bibliotheek

5 augustus 2017

Van der Laan te positief over verzet tegen Jodenvervolging

In Zomergasten probeerde Eberhard van der Laan het beeld dat Nederland zich niet genoeg verzette recht te zetten. Daarin schoot hij door, vindt Evelien Gans.

Met gemengde gevoelens keek en luisterde ik zondag naar een indrukwekkende gast bij Zomergasten. Alle respect voor Eberhard van der Laan, als burgemeester en als mens en hoe hij omgaat met zijn ongeneeslijke ziekte. Alle respect ook voor zijn ouders, en al die andere Nederlanders, die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het verzet deelnamen, en onder meer Joden onderdak boden. Het moge duidelijk zijn dat het verzetsmilieu Van der Laan heeft getekend: persoonlijk, en politiek. Dat heeft geleid tot een grote betrokkenheid bij ‘de oorlog’ – en oorlog en onderdrukking in het algemeen – maar soms ook tot blikvernauwing. Over dat laatste gaat het mij nu.

De Jodenvervolging in Nederland is een uitgesproken pijnpunt voor Van der Laan. Dat bleek al eerder tijdens zijn toespraken op de Dam op 4 mei en bij Auschwitzherdenkingen. Terecht en begrijpelijk. Maar precies wat dit thema betreft, valt er wel wat af te dingen op zijn uitspraken tijdens Zomergasten, en op de filmfragmenten waarmee hij deze illustreerde. Van der Laan stelde dat Amsterdam in een spagaat verkeert: trots op de Februaristaking, schaamte over het relatief en absoluut gezien zeer hoge aantal gedeporteerde en vermoorde Joden. Als een van de belangrijkste – en in de geschiedschrijving algemeen aanvaarde – oorzaken noemt hij het ideologisch gemotiveerde, virulent antisemitische SS-regime in Nederland. Terwijl in België en Frankrijk Duitse militairen aan de macht waren. Er zijn inderdaad meer objectieve factoren: het moeilijk weg kunnen komen uit Nederland; de bevolkingsdichtheid, enzovoorts. Toch vormt dit soort verklaringen niet het hele antwoord.

In het fragment over de Februaristaking dat op Van der Laans verzoek werd vertoond, zegt de Joodse Dolf Aronson de staking weliswaar ‘geweldig’ te hebben gevonden, maar dat men niks gedaan had ‘na 1942 toen ze echt de mensen begonnen weg te halen. Niemand heeft wat gedaan. Integendeel, ze hebben meegeholpen’. In die zin vindt Aronson al die aandacht voor de staking maar ‘poeha’. Daar gaat Van der Laan niet op in – integendeel. Zijn eerder geuite nuancerende opmerking dat er helaas minder moedige Nederlanders zijn geweest dan wenselijk was, maar ook minder ‘slechte’ dan sommigen beweren, is juist. Maar ook erg generaliserend en in die zin onbevredigend. Hij legt, mijns inziens, disproportioneel veel nadruk op het verzet dat – ook dat is genoegzaam aangetoond – pas goed op gang kwam toen de Joden al grotendeels waren gedeporteerd. De meeste Nederlandse ambtenaren hadden op dat punt plichtsgetrouw hun werk gedaan.

Door het uiterst karikaturale fragment uit de film van Ate de Jong In de schaduw van de overwinning (1986) te laten zien – een echtpaar wil hun twee verdwenen fietsen inruilen voor informatie over de vindplaats van twee ondergedoken Joden – bagatelliseert Van der Laan in feite het zeer reële verschijnsel ‘verraad’. Van de 28.000 ondergedoken Joden is een derde ontdekt, verraden en alsnog gedeporteerd. Afgezien van het ‘speurwerk’ van NSB’ers, SS’ers en aanverwanten, waren er heel wat Nederlanders die, zonder dat er een fiets op het spel stond, Joden verraadden. Voor hen ging het om de 7,50 gulden ‘kopgeld’.

Tegenover verzet stond dus collaboratie en verraad. En er was wel degelijk onverschilligheid. Van der Laan zet zich af tegen het verwijt dat de meeste Nederlanders ‘slappelingen’ waren. Daarin heeft hij volstrekt gelijk. Maar hij slaat de plank mis wanneer hij in één adem betoogt dat ze „hartstikke anti-Duits” én „hartstikke” tegen de Jodenvervolging waren. Hij ondersteunt deze stelling met een filmfragment van een lezing door de historicus Bart van der Boom. Diens boek Wij wisten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust (2012) is controversieel, zowel inhoudelijk – hij reduceert bijvoorbeeld de Holocaust tot ‘directe moord na aankomst’ – als methodiek: zo neemt hij alles letterlijk wat in dagboeken staat, behalve als er ‘vernietiging’ van de Joden staat. Uit ‘hartstikke’ anti-Duits volgde bepaald niet automatisch ‘hartstikke’ anti-Jodenvervolging.

Het antisemitisme nam toe tijdens de bezetting, en lang niet alleen vanwege nazipropaganda. Het zou veel moeilijker blijken Joden dan niet-Joden aan een onderduikadres te helpen. En: natuurlijk wist bijna niemand van de gaskamers. Hoe kon dat, en hoe zou het te bevatten zijn geweest, al waren er geruchten? Maar de anti-Joodse maatregelen die eraan voorafgingen waren onheilspellend genoeg. Waarom zouden immers de ouders van Van der Laan Joden hebben laten onderduiken? Anders dan Van der Boom, die het begrip ‘verdringen’ verwerpt, heeft hij het wel degelijk, en met reden, over het fenomeen ‘wegduwen’. Nu doet hij – zoals velen – iets te veel aan wishful thinking. De meeste Nederlanders gingen ervan uit dat de Joden niet terug zouden komen. Er moest soms politie (en niet degenen die de Duitsers terzijde hadden gestaan) aan te pas komen om Joodse eigendommen bij zogenaamde ‘bewariërs’ terug te halen – in het bij Van der Laan, en ook bij mij, zo geliefde Amsterdam.

Evelien Gans is emeritus hoogleraar moderne Joodse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van donderdag 3 augustus 2017 op pagina 16-17.

Gepost op

De vader die terugkwam

De vader die terugkwam

Hans Ulrich

In De vader die terugkwam verbindt Hans Ulrich zijn Twents-Oostenrijkse familiegeschiedenis met de bloedige wereldgeschiedenis van de twintigste eeuw. Op zevenjarige leeftijd komt de Weense vader van Hans Ulrich aan in Hengelo, eerst tijdelijk om op krachten te komen, maar later wordt hij geadopteerd. Hij zal niet meer uit Hengelo vertrekken. In de Tweede Wereldoorlog moet hij onderduiken om aan de Duitse dienstplicht te ontkomen. Op het jonge leven van Hans Ulrich heeft dit allemaal grote indruk gemaakt. Maar de vader kwam terug uit de onderduik!
Met gevoel voor detail heeft Hans Ulrich zijn roman gegoten in een caleidoscopische en meanderende combinatie van fictie en non fictie, een familie- geschiedenis die zich afwisselend afspeelt in Wenen, Rusland en Twente, verweven met een lichtvoetige, luchtige en erudiete beschrijving van de wereld- politiek.

Bekijk inkijkexemplaar

 4.95Boek bestellen

 17.95Boek bestellen

Gepost op

De oorlog bestond niet

De oorlog bestond niet

Sophia van Heeks

‘Wat ik heb geleerd, is dat de Tweede Wereldoorlog een belang- rijke les was voor bepaalde groep mensen. Die les is: liegen is overleven. Je moest de waarheid ontkennen, je anders voordoen dan je was, een andere persoonlijkheid aannemen, als dat je leven kon redden.
Mijn vader had zijn verleden vernietigd, zonder erbij na te denken dat hij hiermee ook mijn verleden had weggegooid. En ik had
er op dat moment geen idee van op welke wijze ik ooit nog iets terug zou kunnen vinden van mijn achtergrond.’
De identiteit van Sophia bleek te zijn verbonden aan een tijd en wereld die voor haar onbekend was. Maar om deze identiteit te vinden, heeft ze 25 jaar gezocht, van Washington tot Westerbork en van Florida tot Londen.
Sophia H.R. van Heeks (Amsterdam, 1947) studeerde Nederlands recht. Ze gaf les in Amsterdam aan de HVA, schreef het boek Bob heeft coeliakie en is thans als advocaat werkzaam in Amsterdam.

Bekijk inkijkexemplaar

 17.95Boek bestellen

Gepost op

Naked Among Wolves – 31 december 2016

Naked Among Wolves

31 december 2016

Dinsdag 20 december. Ik heb een afspraak met Rob Fransman voor onze jaarlijkse lunch. We zitten in restaurant Het Bosch aan het Jollenpad in Amsterdam-Zuid. We kijken uit over de Nieuwe Meer. Volgens de website wanen we ons aan het Como meer, maar dat valt tegen. Het is koud en mistig. Maar binnen genieten we van een heerlijke lunch.

Enkele jaren geleden heb ik een boek van Rob uitgegeven met columns over het Demjanjuk-proces. Sindsdien houden we contact, waarvoor, moet ik eerlijk zeggen, Rob meer loyaliteit aan de dag legt aan onze vriendschap dan ik. Maar goed, hij is met pensioen en ik ben nog druk.

We praten over de kinderen, zijn broer, zijn nieuwe Mercedes, en natuurlijk over de oorlog. Onlangs hebben we nog gemaild over de Berg-Stichting in Laren, waar Rob als kind na de oorlog lang gewoond heeft als wees en niet altijd naar genoegen. Hij praat over zijn broer die de oorlog in een kast heeft doorgebracht en altijd heeft gedaan alsof de oorlog niet bestond. Het fijne aan Rob is zijn humeur en zijn zelfspot. Als hij glunderend vertelt over zijn vele zakelijke mislukkingen in de mode, werkt dat heel aanstekelijk en drempelverlagend.

Ik heb hem aangeraden zijn memoires op papier te zetten. Dat heeft hij voor een deel al gedaan. Hij heeft op zijn website al verschillende artikelen staan. Ik heb hem aangeraden deze artikelen aan elkaar te schrijven zodat er een samenhangend verhaal ontstaat. Als hij door krijgt dat ik nog niet al zijn artikelen gelezen heb, is hij gemaakt boos met een glimlach. Rob is fijn gezelschap.

Als ik 130 euro afreken voor onze heerlijke lunch (slik!), stoot hij me nog even aan. Ik moet op Netflix kijken naar Naked Among Wolves. Een aanrader. Ik beloof het te doen. Op de parkeerplaats nemen we afscheid en rijdt hij nog steeds glunderend en blij weg in zijn nieuwe (tweedehands) Mercedes, dik in de zeventig. Een liefhebber van het leven.

De kerstvakantie lijkt daarvoor een goede gelegenheid. Op Tweede Kerstdag zetten we de film van Duitse makelij op.

‘In 1958 publiceerde de Oost-Duitse schrijver Bruno Apitz (1900-1979) een rauwe roman die zou uitgroeien tot de ultieme bestseller in de DDR. Naked Among Wolves is gebaseerd op persoonlijke herinneringen van de auteur zelf. De communist Apitz werd al in 1937 door de nazi’s naar concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd en zat daar gevangen tot de bevrijding in 1945. Net als de roman begint deze aangrijpende verfilming in maart 1945, als de Pool Zacharias Jankowski een driejarig Joods jongetje Buchenwald binnensmokkelt in een koffer. Jankowski hoopt zijn beschermeling verborgen te kunnen houden voor de SS. Dat lukt niet: al gauw wordt het kind ontdekt door Pippig, een politiek gevangene die in het kamp te werk is gesteld. Pippig heeft medelijden met het jongetje en besluit hem op zijn beurt te verstoppen. Pippigs leidinggevende André Höfel, tevens lid van het communistische verzet in Buchenwald, is echter doodsbang dat de SS ontdekt wat er gaande is. Hij bezweert Pippig dat het kind op de eerstvolgende trein naar het kamp Bergen-Belsen moet worden gezet. Maar Pippig is vastbesloten op het jongetje te passen en besluit hem bij zich te houden.’ Aldus de beschrijving op internet.

We kijken naar een remake van de Oost-Duitse film Nackt unter Wölfen uit 1963. Het boek is enkele jaren geleden door Uitgeverij Cossee in de Nederlandse vertaling uitgebracht. Het boek was in de DDR een daverend succes. Er zijn meer dan twee miljoen exemplaren van het boek verkocht in Oost-Duitsland. Logisch, communisten trotseren het fascisme. Dat heet de ‘politiek van herinnering’. Het nawoord van Susanne Hantke in het boek is uitermate boeiend. Het verhaal is op waarheid gebeurd; het Buchenwald-kind heeft echt bestaan. Later is Stefan Jerzy Zweig in Israël gevonden. Hij was te klein om zich veel te herinneren, maar het staat vast dat de moed van zijn vader hem door de oorlog heeft geleid. Het staat niet vast dat Bruno Apitz in Buchenwald in contact is geweest met Stefan Jerzy Zweig.

In het artikel van Susanne Hantke wordt zorgvuldig de ontstaan- en drukgeschiedenis van de roman Nackt unter Wölfen beschreven. Daaruit volgt dat de auteur de partijlijn moest volgen en zich verschillende vormen van censuur heeft moeten laten welgevallen. Dit is eigenlijk wel informatie die de kijker van de film moet weten. Het wordt daardoor ook duidelijk dat het meer een film is over het verzet tegen de nazi’s dan een film over de Holocaust. Het kind is wel Pools-Joods, maar het verhaal staat geheel in het teken van verzet en strijd tegen het fascisme.

Maar de vraag is nu. Is het een goede film? En welke criteria moeten we daarvoor aanleggen? Wanneer is een film over nazi’s en slachtoffers in een concentratiekamp geslaagd? Dat is een lastige vraag. Ik zou zeggen als het een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld geeft van het kampleven. Voor zover ik kan beoordelen is dat hier wel het geval, maar er moet een maar volgen, vrees ik. De belangrijkste (of populairste) kampfilms zijn films waar kinderen een prominente rol spelen. La vita è bella, Boy in the Striped Pyjamas en Son of Saul zijn veelbekeken en geroemde films waarin kinderen een rol spelen in het kampleven. Het lijkt alsof het harde en wrede leven in een concentratiekamp alleen niet meer genoeg is. We hebben daar nog aanvullend kinderen bij nodig om verder geschokt te raken, zo lijkt het. Anders kan ik het niet verklaren waarom al deze films (mede) om kinderen draaien. En daarmee laten de filmmakers het vermoeden op zich te streven naar (overbodig) effectbejag.

Naked Among Wolves is een harde film. Meerdere keren hebben we onze blik moeten afwenden. Ook Rob Fransman heeft de film in eerste instantie niet uit gekeken. Hij heeft later weer moed verzameld en de film afgekeken. ‘Zeldzaam echt naar mijn smaak. Zo moet het geweest zijn. De wreedheid… Enfin…,’ aldus Rob. Ja, misschien heeft hij daarin gelijk, maar voor mij mag iets meer aan de verbeelding worden overgelaten. Iets subtieler en verfijnder, graag. We hoeven misschien niet alles te zien. Niet zoveel bloedspatten tijdens de martelingen; meer uitleg waarom de nazi’s zo hardvochtig waren. De nazi’s waren niet alleen onmenselijk wreed omdat het criminelen en sadisten waren (dat waren velen ook), maar omdat het KZ-systeem dat vereiste. Als je de gevangen ontmenselijkt is het ook makkelijker ze te vermoorden. Dat was een bewust systeem waarop getraind werd. Dat was succesvol, hoe belachelijk dat ook klinkt. Dat is volgens mij ook de reden waarom er maar weinig nazi’s na de oorlog berouw hebben getoond. Men streed een gerechtvaardigde oorlog (ook tegen de Joden) Het gespuis moest als een vorm van lijfsbehoud en voor de toekomst van het land uit de weg geruimd worden, nadat de laatste energie middels arbeid uit de gevangenen was geperst. Als dit soort informatie op een informatief-didactische manier toegevoegd zou zijn, dan krijgt de film een meerwaarde ten opzichte van de huidige gruwelijke versie.

Ook moest ik denken aan de Delftse TU-student Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank. Hij was geen vechter en geen held, maar sprak zich wel uit tegen het ontslag van Joodse docenten en hoogleraren, waaronder de Joodse hoogleraar rechten Carel Josephus Jitta. Hij wilde volgens zijn geweten handelen. Na zijn toespraak werd spontaan besloten te staken. De Duitsers sloten de universiteit. In de zomer van 1941 wordt Frans van Hasselt opgepakt. Via het Oranjehotel werd hij overgebracht naar Buchenwald waar hij op 10 september 1942 overleed. Van Hasselt was een van de eersten die zijn stem liet horen. ‘Zijn morele moed kan inspiratie dienen in het huidige tijdsgewricht,’ aldus Onno Sinke in Cogiscope (december 2016).

In Buchenwald zaten veel meer politieke gevangenen met een dergelijke achtergrond. Als dit ook aandacht zou krijgen in de film, naast het expliciete geweld, dan zou dat een meerwaarde hebben opgeleverd.

Holocaust in het nieuws

Nieuwsbrief Kazerne Dossin, de Belgische tegenhanger van Kamp Westerbork, 20 december 2016. ‘De geschiedenis van morgen maken we vandaag. Hoe willen we herinnerd worden? Kazerne Dossin wenst u voor 2017 de moed om hiernaar te handelen.’

Camp Rivesaltes, G-geschiedenis, 21 december 2016. Een doorgangskamp in het zuiden van Frankrijk. Via Drancy werden de Joden naar Auschwitz gedeporteerd.

NOS Journaal, 23 december 2016. Voor de oorlog geëmigreerde Duitse Joden verhuizen in grote getalen van Groot-Brittannië naar Duitsland in verband met de Brexit. Voormalig Duitse Joden kunnen nationaliteit terugkrijgen en doen dit nu in toenemender mate. Door de Brexit verhuizen veel Joden van Londen naar Berlijn.

‘Woedend Israël bouwt door ondanks VN-resolutie’, de Volkskrant, 28 december 2016. VN-Veiligheidsraad neemt een resolutie aan waarin Israël gesommeerd wordt de bouw van nieuwe nederzetting onmiddellijk en volledig te staken. De resolutie wordt mogelijk gemaakt doordat de VS geen veto uitspreekt over de resolutie. ‘Minister van Defensie Avigdor Lieberman sprak op voorhand over een ‘anti-Israëltribunaal’. Hij maakte zelfs een vergelijking met de rechtszaak tegen de Joods-Franse officier Dreyfus, die rond 1900 ten onrechte werd veroordeeld wegens spionage.’ Commentaar: Het huidige beleid in Israël blijft wringen. Na de Holocaust is de vorming van de staat Israël door de Verenigde Naties mogelijk gemaakt. Nu eist Israël blijvende steun voor een politiek die breed wordt ontraden, namelijk het verder koloniseren van Palestijns grondgebied om straks bij een tweestatenoplossing, indien deze er komt, een stevige onderhandelingspositie te hebben. Je zou verwachten dat een land die zijn bestaansrecht geschonken heeft gekregen van de VN, zich iets gelegen laat liggen al de talloze VN-resoluties.

‘Morele moed. Frans van Hasselt, verzetsleider tegen wil en dank’, Cogiscope, december 2016, door Onno Sinke.

Gerton van Boom

Gepost op

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog – 20 december 2016

Kille mist. Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog

De geschiedschrijving van de Holocaust in Nederland begint, zo zou je kunnen zeggen, met de monografie van Abel J. Herzberg (Kroniek der Jodenvervolging). Later gevolgd door de studie van J. Presser (Ondergang) en Loe de Jong in verschillende delen van Het Koninkrijk. In vergelijking met het buitenland heeft de Nederlandse geschiedschrijving over de Jodenvervolging relatief snel plaatsgevonden. Daarna is het stil geworden ten aanzien van de geschiedschrijving van de Nederlandse Sjoa als totaalgeschiedenis. Natuurlijk zijn er veel memoires gepubliceerd, maar die worden in de geschiedschrijving soms argwanend bekeken. Na de hoge heren van de Holocaust (Herzberg, Presser en De Jong) was het de tijd voor verdieping en wetenschappelijk onderzoek. Er verschenen gedetailleerde studies naar het openbaar bestuur tijdens de bezetting (Peter Romijn, Burgemeesters in oorlogstijd), het functioneren van de politie (Guus Meershoek, Dienaren van het gezag en Geschiedenis van de Nederlandse politie en Frank van Riet, Handhaven onder de Nieuwe Orde: de politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog), de Nederlandse advocatuur (Joggli Meihuizen, Smalle marges. De Nederlandse advocatuur tijdens de Tweede Wereldoorlog), de rechtspraak (Derk Venema, Rechters in oorlogstijd, Cojo Jansen m.m.v. Derk Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog en Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van de bezetting en wederopbouw), belastingen (Peter Essers, Belast verleden). Er verschenen ook belangrijke vergelijkende studies waarvan Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België 1940-1945 van Pim Griffioen en Ron Zeller de belangrijkste is. Gerard Aalders schreef een blijvend belangwekkend boek over de ontvreemding van Joods bezit (Roof) en Chris van Heijden heeft een imponerend proefschrift geschreven (Dat nooit meer) over de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog in ons nationaal bewustzijn en media. Deze werd op een gegeven moment gekaapt door de regelmatig terugkerende commotie en verontwaardiging over de Holocaust. Tot slot moet het geruchtmakende boek van Bart van der Boom genoemd worden: Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust. Voor het gemak vergeten we vele andere boeken die ook een bijdrage aan de historiografie van de Nederlandse Holocaust hebben geleverd zoals ‘Gif laten wij niet voortbestaan’ Een onderzoek naar de overlevingskansen van joden in Nederlandse gemeenten, 1940-1945 van Marnix Croes en Peter Tammes en Jodenjacht: de onthutsende rol van de Nederlandse politie in de Tweede Wereldoorlog van Ad van Liempt en Jan Kompagnie.

In de traditie van wetenschappelijk verantwoorde deelstudies past ook de nieuwe loot aan de stam: Kille mist van Raymund Schütz. Een kloeke dissertatie die er wezen mag. Maar het probleem van boeken als Kille mist is dat je van tevoren het resultaat al weet. Het is algemeen bekend, op basis van bovengenoemde studies, dat het Nederlandse bestuur al binnen veertien dagen na de capitulatie, dus eind mei 1940, overeenstemming had met de bezetter over een vergaande vorm van samenwerking. Bestuurlijke continuïteit heette het. Dus waarom zou dat voor het notariaat anders zijn? De ontrechting is in Nederland succesvol geweest en het Joods bezit is snel in andere handen over gegaan en daar heb je notarissen voor nodig, die overigens onderdeel uitmaakten van het openbaar bestuur. ‘Binnen de onzekere bestuurlijke context van mei 1940 was het enige wat de notaris kon doen: op zijn post blijven, het werk zo goed mogelijk blijven doen en hopen dat de functie van het notariaat zou blijven gehandhaafd. Met die houding volgde men de gedragslijn van alle andere functionarissen in het openbaar bestuur.’ Daarmee is de conclusie verteld. Dat wisten we al wel, maar nu ligt er een dikke pil op tafel waar niemand aan voorbij kan gaan. Het belang van het boek is dus het feit dat deze studie er nu is. Dat ook de notarissen zich schuldig hebben gemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een gebrekkig ethisch normbesef, angstige, laffe, calculerende en bureaucratische spruitjesmentaliteit, ja, dat wisten we al. Het bewijs is onomstotelijk, voor wie het nog niet wist of nog niet wilde weten.

Is dit een diskwalificatie? Nee, geenszins. Integendeel zou ik willen zeggen. Een hoogtepunt in de historiografie van de Nederlandse Holocaust. Eens in de zoveel jaar verschijnt zo’n dissertatie en dat lezen we met belangstelling en plaatsen een dergelijk werk na gelezen te hebben netjes in de kast, naast de andere doorwrochte studies. Als ik dat zo schrijf, lijkt het toch dat ik een soort voorbehoud maakt, alsof er een ‘maar’ achteraan komt en dat is ook zo. Een maar die niets met het boek te maken heeft, maar met de geschiedschrijving. Boeken als Kille mist wekken in mij een verlangen op naar een goed leesbare synthese van de Nederlandse Jodenvervolging, waarin de studies van Presser en De Jong opnieuw beschreven worden met de kennis van nu. Daar zijn we hard aan toe. Maar wie durft deze handschoen op te pakken? Het is veiliger om jarenlang de diepte in te duiken, dan het werk van de grote meesters opnieuw te doen. De Nederlandse wetenschappelijke afrekencultuur zal daar misschien debet aan zijn, maar heel jammer is dat wel.

Terug naar de notarissen. De onderzoeker Raymund Schütz kan natuurlijk niet verweten worden dat hij voor dit specifieke onderwerp gekozen heeft en niet getracht heeft een plekje te bevechten naast de grote drie.

Kille mist is de publieksuitgave van een dissertatie. Zeshonderd pagina’s, een grote bladspiegel en methodologisch verantwoord. En hoewel de auteur geen groot literator is, leest het boek goed en redelijk makkelijk, zeker als je het onderwerp in aanmerking neemt.

Enkele citaten:

‘Volgens Zygmunt Bauman is de Sjoa niet een toevallig incident, maar komt deze voort uit de organisatiestructuur van modern bestuur. De rationalisering heeft geleid tot een extreme arbeidsverdeling, degenen die het beleid uitvoeren zijn voor een klein deel verantwoordelijk. Het resultaat onttrekt zich aan hun perceptie. De beroepsethiek van beambten wordt bepaald door normen van efficiëntie en de continuïteit van het proces. Een moderne bureaucratie kan met beperkte maatregelen worden getransformeerd in een systeem dat classificeert, selecteert en mensen uitsluit van het recht. Iedere bij het proces betrokken beambte kan zijn eigen aansprakelijkheid ontkennen en functioneren als een bureaucratische robot. De notariële variant van die ontkenning is gebaseerd op de lijdelijkheid en de ministerieplicht.’ p. 73.

‘…, want het Dagelijks Bestuur riep de notarissen in feite op hun persoonlijke geweten bij de ambtsuitoefening niet mee te laten wegen. De overheidsdienaar moest de maatregelen trouw uitvoeren. Indien daarvan werd afgeweken, zou er bij de bezetter twijfel ontstaan over de betrouwbaarheid van de beroepsgroep en dan kwam de bestuurlijke positie van het notariaat in gevaar.’ p. 156

‘De loyaliteit aan de bezetter was een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van de beroepsgroep.’ … ‘Men hoopte op meer werk voor de notaris en dus meer inkomsten, maar de vraag was of die loyale houding inderdaad extra inkomsten opleverden.’ p. 157

‘De kanteling van de afwachtende houding naar een proactieve, faciliterende opstelling vond plaats in februari 1941. De belangrijkste drijfveer voor het Hoofdbestuur was toen de versterking van de bestuurlijke en financiële positie van de beroepsgroep.’ p. 158

‘De Hoge Raad wijdde twee vergaderingen aan deze zeer ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hoogste rechtscollege ging na stemming akkoord met de maatregel [ariërverklaring], omdat men zich kon indenken dat de bezetter de Joodse ambtenaren wantrouwde en hen als tegenstander beschouwde. De nazi’s hadden de Joden immers zo slecht behandeld, dat er geen basis kon zijn voor samenwerking. Corjo Jansen, de geschiedschrijver van de Hoge Raad in de bezettingstijd, concludeert dat het rechtscollege zelden een cynischer redengeving heeft opgesteld dan in deze kwestie.’ p. 161

Het notariaat liep moeiteloos mee ‘in de bredere bestuurlijke context, want de Nederlandse overheid richtte zich tijdens de bezetting op de handhaving van de continuïteit van het openbare leven’. De onafhankelijke positie van het notariaat werd verlaten door de slaafse opvolging van de verordeningen van de Duitse bezette. In coöperatieve opstelling was ook ingegeven door de hoop op meer inkomsten voor de notarissen, hetgeen niet is gelukt. ‘Toen het notariaat werd geconfronteerd met de arisering van het Joodse vermogen, eigendommen en onroerend goed heeft het Hoofdbestuur niet beseft dat medewerking aan dergelijke maatregelen een ethisch dilemma vormde.’ p. 187

Alle notariële kerncompetenties, zoals het bewaken van de rechtszekerheid, de rechtsongelijkheid, de onpartijdigheid, onafhankelijkheid en geheimhoudingsplicht werden moeiteloos geschonden.

‘De pragmatische houding ten aanzien van de Duitse ariseringsmaatregelen van de Broederschap staat in schril contrast met de opstelling van de Belgische notarissen. Zij kozen, binnen de weerbare Belgische bestuurlijke context, eerst voor de vertragingstactiek en uiteindelijke voor weigering van medewerking aan de Duitse ariseringsmaatregelen. Maar in de Nederlandse bestuurlijke en juridische context was geen plaats voor ethische argumenten en evenmin voor toetsing aan de grondwet of aan het volkerenrecht. Het Hoofdbestuur riep de notarissen op om hun geweten uit te schakelen en om de verordeningen naar de letter en de geest van de wet uit te voeren. Morele overwegingen mochten volgens het Hoofdbestuur daarbij geen rol spelen, maar ondanks dat namen sommige individuele notarissen wel degelijk een ethisch standpunt in.’ p. 188

Een voorbeeld daarvan is notaris Kruisinga uit Vriezenveen.

Na de oorlog rest de zuivering van de beroepsgroep en het rechtsherstel. En u voelt het al aankomen. Op last van de regering in ballingschap moest het openbaar bestuur op zijn plaats blijven en bestuurlijke chaos en erger voorkomen. De notarissen hebben zich hieraan (vrijwillig en met hart voor de zaak) gecommitteerd. De verordeningen van de bezetter moesten nauwgezet gevolgd worden. En nu bij de noodzakelijke zuivering was samenwerking eerder een vorm van collaboratie! Daarnaast hadden de notarissen geld verdiend aan onder andere de gedwongen overdracht van Joods onroerend goed. De notaris was lijdelijk en conformeerde zich aan het accomoderende beleid van het openbaar bestuur en wordt nu door de minister van Justitie aangesproken op haar ‘foute’ rol en houding tijdens de oorlog. Deze schoen wringt natuurlijk. Veel notarissen, in ieder geval aanvankelijk de Broederschap, keerden zich tegen het gedwongen terugbetalen van vergoedingen die tijdens de oorlog aan Joods vastgoed zijn verdiend. Het terugbetalen betekende immers een schuldbekentenis en de ontrechting was niet de schuld van de notarissen maar van de Duitse verordeningen en het honorarium van de notaris was betaald door de koper, niet door de onteigende Joden. De ring Amsterdam keerde zich fel tegen het Hoofdbestuur. Veel andere notarissen waren ook van mening dat het passeren van deze akten principieel onjuist was geweest. En ook hier wringt weer de schoen. Want waarom hebben deze notarissen hun stem en protest niet eerder laten horen? Was men niet een beetje laf of schijnheilig? Uiteindelijk moest de Broederschap bakzeil halen. In ruil voor het restitutiebesluit kregen de notarissen immuniteit voor verdere rechtsvervolging. Hiermee heeft de minister van Justitie persoonlijk rechtstreeks ingegrepen in de rechtsgang en de vervolging van notarissen gestopt dan wel voorkomen.

‘In 1947 verzuchtte de Amsterdamse Ring van Notarissen in het jaarverslag: ‘Als een kille mist hangt in en over de kantoren klamme rechtsonzekerheid. Welke notaris vermag van na 1942 overgedragen onroerende goederen een rechtsgeldige titel te garanderen?’ p. 316

Dit betekent dat de titel van het proefschrift gaat over de rechtsonzekerheid en is dus niet zozeer een directe kwalificatie van de rol die notarissen hebben gespeeld. Dat maakt de titel enigszins onbruikbaar. Lafhartigheid en gebrek aan ethisch besef, was een betere titel geweest, maar deze titel houdt meer een moreel oordeel in.

Na de zuivering en rechtsherstel was het tijd de ethische principes van het ambt van notaris te herijken. De Eindhovense notaris mr. L.J.M. Claessens schreef hierover dat de formalisering van onrecht het grootste notariële vergrijp is, omdat de notaris de sociale plicht heeft de rechtszekerheid te bewaken. ‘Nadat Cleassens de lijdelijkheid een fabel noemde, konden notarissen zich in ethisch en juridisch opzicht niet langer daarachter verschuilen.’ De lijdelijkheid was een versteend dogma en in strijd met het moderne notarisambt. p. 431

Wat moeten we nu met de uitkomsten van de studie van Raymund Schütz? Het doel van het onderzoek was hoe het gedrag van de notarissen tijdens de bezetting zich verhield tot de eigen beroepsopvatting en het eigen ethische kader. Hierboven zijn de conclusies al genoemd: spilfunctie bij Jodentransporten, pragmatische houding, bestuurlijke continuïteit, bredere bestuurlijke context, accommodatie, lijdelijkheid, facilitering, conformisme, onmisbaarheid van het notariaat, slaafse acceptatie van arisering van de beroepsgroep, formaliseren van onrecht, meegaande houding, ontbreken van een erecode, gebrekkige beroepsethiek, opportunisme, gebrek aan empathie met Joden, grootschalige medewerking aan de ontrechting van de Joden, kille en technocratische houding, gesneuveld gelijkheidsbeginsel, robotisme, ontbreken maatschappelijk fatsoen, gebrek aan reflectie op rechtsbeginselen en beroepsethiek, kostenefficiëntie. Het staat er allemaal, en ja het is terecht, beslissingen moesten genomen worden in een repressieve omgeving. Maar welke conclusie wordt hieraan verbonden? Schütz sluit af: ‘Als de rechtstaat geweld wordt aangedaan, terwijl iedereen wegkijkt, blijft er achter de kille mist van het geformaliseerde onrecht alleen nog maar chaos over.’ Een terechte conclusie op basis van het onderzoek. Maar een gemiste kans voor open doel. Als je onderzoek doet waarbij ethisch normbesef onderwerp van het onderzoek is, mag je wat mij betreft ook een morele conclusie vellen en een aanbeveling doen voor de toekomst. Het beleid van de notarissen (en de overheid in zijn algemeen en het bedrijfsleven in het bijzonder) is mogelijk gemaakt door een principieel verkeerde beslissing en inschatting van de Nederlandse overheid. Door mee te werken met de vijand (om erger te voorkomen) is het allemaal veel erger geworden, is er meer onrecht gedaan en zitten we opgescheept met een situatie dat we momenteel al meer dan zeventig jaar met enige felheid discussiëren over de Duitse bezetting en Jodenmoord, terwijl dit anders was geweest als iedereen samenwerking met de vijand om principiële redenen zou hebben afgewezen. Een categorisch en principieel nee tegen een bezetter en onrecht zou de leidraad moeten zijn voor alle overheidsdienaren en het bedrijfsleven. Dit moet in een wet vastgelegd worden en van de daken worden geschreeuwd. Is dit een oordeel of conclusie die een historicus mag formuleren? Van mij wel. Ja, laten we het maar ronduit zeggen: door lafheid is veel ellende ontstaan. We hadden onszelf moeten dwingen dapper te zijn. Dat had de slotconclusie van het boek moeten zijn. En daarmee zijn we weer bij Loe de Jong.

Raymund Schütz doet dus bijna alles goed, maar kopt de bal krachteloos net naast het doel.

Holocaust in het nieuws

Het is merkbaar dat Holocaust Memorial Day eraan komt (27 januari). De belangstelling voor de Sjoa leeft hierdoor op. We doen een willekeurige greep uit de media.

Poort van Dachau is teruggevonden, de Volkskrant, 3 december 2016. ‘De gestolen deur van voormalig concentratiekamp Dachau is teruggevonden in Noorwegen. De politie van Bergen trof na een anonieme tip de 100 kilo zware ijzeren hekpoort aan met de beruchte tekst ‘Arbeit Macht Frei’. De deur werd in de nacht van 2 november 2014 bij de ingang van het herdenkingscentrum Dachau uit de hengsels gelicht.’

De kanarie in de kolenmijn, NPO2, Eerste aflevering zondag 4 december 2016. Hanneke Groenteman gaat op zoek naar het antisemitisme in Nederland en komt tot een schokkende conclusie. De kolenmijn is allang vergiftigd.

De claim, NPO1, maandag 5 december 2016. Een documentaire over de Restitutiecommissie die moet oordelen over de eigendomsvraag van geroofde kunst van met name Joden uit de Tweede Wereldoorlog. Een aanvrager moet aannemelijk maken dat de kunst toebehoorde aan zijn familie. Lion Tokkie slaagt daar niet in omdat hij zich als kind niet alle details met zekerheid kan herinneren en er 62 schilderijen van Isaac Israël zijn met ezeltjes. Mevrouw Hamburger uit Zwitserland was succesvoller met het terughalen van twee schilderijen van Ferdinand Bol uit het gemeentemuseum uit Roosendaal.

In de ban van sport, RTL7, maandag 5 december 2016, ex-Feyenoorder Jan Boskamp is bezeten van de Tweede Wereldoorlog. In deze reportage brengt hij onder andere een bezoek aan Yad Vashem, het graf van Oskar Schindler in Jeruzalem, het Joods Museum en het Holocaustmonument in Berlijn.

We moeten het echt over de Holodomor hebben, NRC Handelsblad, woensdag 7 december 2016. Een artikel van slavist Tobias Wals over het uitroeien door verhongering van de bevolking van Oekraïne door de Sovjet-Unie tijdens het Interbellum, een vorm van genocide waar de Amerikaanse historicus Timothy Snyder een belangwekkend boek over heeft geschreven.

Nieuwsbrief Verzetsmuseum, donderdag 8 december 2016, activiteiten in de kerstvakantie en aankondiging vijfdelige lezingenserie ‘Helden en schurken 2017’ in samenwerking met het Historisch Nieuwsblad, NTR/VPRO/NPO Geschiedenis en NIOD.

Nieuwsbrief Herinneringscentrum Kamp Westerbork, donderdag 8 december 2016. ‘Op zondag 18 december aanstaande vertelt Bertien Minco, directeur van het Jeugdcultuurfonds, over haar autobiografische boek Liever niet op reis in het museum van Kamp Westerbork. Minco’s grootmoeder Bertha Henriette Denneboom overleefde als enige van haar Joodse gezin de oorlog, maar sprak daar nooit over. Sinds een aantal jaren doet Minco onderzoek naar haar familiegeschiedenis. Liever niet op reis is haar debuutroman.’

Den Haag wil foute behandeling Joden na WOII rechtzetten, Den Haag Centraal, donderdag 8 december 2016. ‘De weinige Haagse Joden die de kampen overleefden vonden bij terugkeer gemeentelijke aanslagen voor erfpacht en straatbelasting op hun deurmat. Uiteindelijk is er mogelijk zo’n 100.000 gulden geïnd. De stad zal dat geld,  omgerekend naar de huidige waarde zo’n één miljoen euro, waarschijnlijk aan Joodse doelen schenken.’

Aangiften roofkunst online, de Volkskrant, 8 december 2016 van Michiel Kruijt. ‘Veertienduizend formulieren waarin Joodse Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog aangifte hebben gedaan van roof van goederen door de Duitse bezetter, zijn vanaf vrijdag te raadplegen op internet. Op de website herkomstgezocht.nl kunnen erfgenamen nagaan of hun voorouders kunst en cultuurgoederen als vermist hebben opgegeven.’

Auschwitz Bulletin, december 2016, kwartaalblad van het Nederlands Auschwitz Comité met onder andere een interview met professor Timothy Snyder die de ‘Nooit Meer Auschwitz Lezing 2017’ zal houden (‘De Holocaust is levende geschiedenis’), Zoni Weisz: ‘Met kleindochter naar Auschwitz’ en het eerste deel van een drieluik over Juda en Hansje Swaab.

Laren richt een monument op voor de 46 vermoorde Joodse kinderen van de Berg-Stichting, Larense zaken, december 2016. In dit artikel van burgemeester Elbert Roest wordt de oprichting van het monument aangekondigd en tevens wordt een oproep gedaan aan voormalige bewoners van de Berg-Stichting zich te melden zodat zij geïnterviewd kunnen worden voor het boek De slag om de Berg-Stichting.

Life writing, Fictie/non-fictie: een kritiek, de Nederlandse Boekengids, jaargang 1, nummer 6. Een artikel van Maarten Asscher. ‘Hoewel het begrip life writing een zeker nut heeft, verhult het als we niet uitkijken meer dan het verheldert. Over het contract met de lezer en over moraal op de dunne lijn tussen fictie en non-fictie, aan de hand van Anne Frank en Christophe Boltanski’ (De schuilplaats).

Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset, documentaire EO op NPO2, 14 december 2016 van regisseur In-Soo Radstake. Een dag later wordt deze documentaire besproken in NRC Handelsblad door Hans Beerekamp (‘Bittere familiestrijd tweede generatie’). ‘ Kinderen van oorlogsslachtoffers, de zogeheten ‘tweede generatie’, hebben vaak te maken met rivaliteit in verdriet. Hun eigen problemen kunnen nooit opwegen tegen wat hun ouders hebben meegemaakt, in Auschwitz, het Jappenkamp of een onderduikadres. Als ze pech hebben krijgen de affectief verwaarloosde broertjes en zusjes ook nog eens onderling heibel, voor zover ze al niet tegen elkaar worden opgezet. Het is een bekend gegeven, maar zelden werd het zo pijnlijk geïllustreerd als in de documentaire Echo’s van een Oorlog – Het Geslacht Asser-Croiset (2DOC/EO) van regisseur In-Soo Radstake. De film is het antwoord op – en bijna een wraakoefening wegens de eerdere documentaire Verlies Niet de Moed (2DOC/VPRO) uit 2014. Daarin voerde kunstenares Hella de Jonge-Asser moeilijke gesprekken met haar vader, tekstschrijver en journalist Eli Asser, over diens zwijgen na de oorlog. Hella’s oudere zus en broer werden in die film niet of nauwelijks genoemd. Choreograaf Joosje en advocaat David Asser vertellen in de nieuwe film interviewer Frénk van der Linden hun visie, hoe hun zus alle aandacht naar zich toe heeft getrokken en zonder hun toestemming het hele familiearchief tentoonstelde in herinneringscentrum.’

Nieuwsbrief Nederlands Auschwitz Comité, 16 december 2016. ‘Het Nederlands Auschwitz Comité presenteert het nieuwe ontwerp van het Holocaust Namenmonument Nederland. Ontworpen door de wereldberoemde architect Daniel Libeskind. Het Nederlandse Auschwitz Comité heeft samen met de Pools-Joodse architect Daniel Libeskind op 16 december 2016 het nieuwe ontwerp voor het Holocaust Namenmonument Nederland gepresenteerd. Dit nationale monument komt – meer dan 70 jaar na afloop van de Tweede Wereldoorlog! – in het hart van het Joods Kwartier in Amsterdam, daar waar het zich heeft afgespeeld.’

Nieuwsbrief Anne Frank Stichting, 16 december 2016. ‘Onderzoek Anne Frank Stichting geeft ander perspectief. Nieuwe invalshoek arrestatie Anne Frank. Niet de bekende vraag ‘Wie heeft Anne Frank verraden?’ stond in het onderzoek centraal, maar de vragen ‘Waarom vond de inval in het Achterhuis plaats, en op grond van welke informatie?’. Het onderzoek biedt nieuwe inzichten: mogelijk heeft illegale arbeid en bonnenfraude een rol gespeeld bij de inval in het pand aan de Prinsengracht 263 en geleid tot de ontdekking en arrestatie van Anne Frank.’ Een dag later bericht de Volkskrant erover met een voorpublicatie van het bericht (‘Werd Anne wel verraden?’).

‘Identiek aan zijn regime.’ Recensie in de Volkskrant, 17 december 2016, over de nieuw vertaalde biografie van Hitler door Peter Longerich. ‘In zijn nieuwe biografie van Adolf Hitler buigt Peter Longerich zich over de vraag in hoeverre de nazileider verantwoordelijk was voor de uitvoering van zijn beleid.’

Onderzoek uitgelicht. Over herdenken, vieren en herinneren, uitgave van Nationaal Comité 4 en 5 mei. Jaargang 5, nr. 2. Themanummer Indonesië.

Getekend nieuws, uitgave van Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 25e jaargang (2016), nummer 2. Onderwerpen: Herinneringscentrum breidt uit, Kinderen met een ster (tentoonstelling en boek van Martine Letterie), bespreking boek De bewakers van Westerbork, Potocari Memorial Centre.

Gerton van Boom

Gepost op

Raul Hilberg

De vernietiging van de Europese Joden 1939-1945

Het standaardwerk over de holocaust

Raul Hilberg

Professor Raul Hilberg heeft zijn hele werkzame leven gewijd aan wetenschappelijk onderzoek van de Holocaust. Zijn magnum opus, De vernietiging van de Europese Joden, verscheen voor het eerst in 1962. Tot aan zijn dood in augustus 2007 heeft Hilberg zijn monumentale studie bijgewerkt en uitgebreid. De Nederlandse uitgave is daarmee de meest complete versie van zijn onvolprezen werk. De vernietiging van de Europese Joden is geen boek over de slachtoffers, maar een studie van de daders. Hilberg concentreerde zich op de Duitse politieke en de administratieve systemen. Het lijden van de Joden speelde in zijn werk geen grote rol. In ruim 45 jaar is Raul Hilberg uitgegroeid van grondlegger en pionier van het onderzoek naar de Jodenvervolging tot hoogste autoriteit op het gebied van onderzoek naar de Shoah. Raul Hilberg ontving op 22 januari 2004 in Amsterdam van het Nederlands Auschwitz Comité de Annetje Fels-Kuperschmidtonderscheiding.

Lees de recensie in de Volkskrant:

www.volkskrant.nl

 69.50Boek bestellen