Gepost op

Loe de Jongs schuldbesef – 25 april 2018

Loe de Jongs schuldbesef

25 april 2018

Vanaf 2004 geven we de reeks Verbum Holocaust Bibliotheek uit. Dus al veertien jaar struint deze uitgever veld en land af op zoek naar nieuwe of nog niet vertaalde boeken die het uitgeven waard zijn. De focus was altijd gericht op ‘nieuw’ of ‘nog niet vertaald’. Deze niet aflatende zoektocht leverde ook een grote bibliotheek op. Immers, je moet het bredere landschap kennen dat je bewandelt. En dit landschap is wijds en onoverzichtelijk, maar ook weer niet oneindig. Een veel gehoord kritiekpunt is dat er al zoveel gepubliceerd is, alles is toch bekend en aan het papier toevertrouwd? Ja, er is veel over verschenen, heel veel, maar ik ben ervan overtuigd dat nog niet alles bekend is en het definitieve geschiedbeeld van de Holocaust niet vast staat. Immers, dit geschiedbeeld verschuift ook in en door de tijd. Over honderd jaar zullen we waarschijnlijk een andere perceptie hebben van onze analyses over de vraag hoe de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Bijvoorbeeld, het daderbeeld van Raul Hilberg is nu al aan het verschuiven naar een veel breder daderbeeld dan alleen de nazi’s en handlangers van de nazi’s. Uitgeverij Verbum heeft daarom twee relevante nieuwe Duitse titels aangekocht van de historici Götz Aly en Christian Gerlach. Maar dat is momenteel niet het thema. Het draait om die grote berg literatuur die steeds groter wordt. Nadenken over deze grote berg en de strooptocht naar nieuwe titels deed het besef postvatten dat veel goede en belangrijke boeken al uitgegeven waren en al lang niet meer heruitgegeven werden. Ze zijn soms nog wel in een bibliotheek te raadplegen of misschien tweedehands te koop, maar nieuwe generaties nemen er bijna geen kennis meer van. Ook denken mensen vaak dat een bestaand boek dat niet meer opnieuw wordt uitgegeven daarom dus zijn belang heeft verloren. En dat is natuurlijk niet zo. Althans, niet altijd.

Uitgeverij Verbum heeft daarom besloten bepaalde titels te herlanceren en te actualiseren en met een nieuwe omlijsting in de etalage te zetten. Het eerste voorbeeld is de bundel van Bettine Siertsema, Eerste Nederlandse getuigenissen van de Holocaust, 1945-1946 (Verbum: Hilversum, 2018). In deze bundel worden tien eerste getuigenissen van de Jodenvervolging opnieuw te boek gesteld en voorzien van een deskundige inleiding waarom voor deze titels is gekozen.

Er zullen nog meer uitgaven volgen in dit segment. In Depot van Philips Mechanicus is een tweede voorbeeld van een boek dat blijvend heruitgegeven moest worden. Ook dit boek is, dit keer in samenwerking met Herinneringscentrum Kamp Westerbork, opnieuw spellingstechnisch afgestoft en van een nieuw jasje voorzien.

Over de boeken van bijvoorbeeld Anne Frank en Etty Hillesum hoeven we ons geen zorgen te maken, die zullen hun weg naar de lezers en nieuwe generaties blijven vinden door de massale aandacht. Het echelon van minder bekende auteurs heeft (onterecht) meer moeite de media-aandacht te behouden, als ze dat al kregen. Het begint al bij de dagboeken van David Koker, die wel worden herdrukt maar de Engelstalige, wetenschappelijke (geannoteerde) versie komt in Nederland maar niet van de grond.

De boeken van Hans Wielek, Sam de Wolff, Eddy de Wind en E.A. Cohen (om er slechts een paar te noemen) verdienen ook hernieuwde aandacht. De belangstelling naar deze titels ligt grotendeels stil door gebrek aan uitgevers. En ja, het moet gezegd worden, deze selectie is meer voortgekomen uit geschiedkundige overwegingen dan commerciële. De literaire kwaliteiten van Anne Frank, Etty Hillesum, Philip Mechanicus en David Koker (ik ben niet volledig in deze opsomming) worden over het algemeen hoger aangeslagen, maar historiografisch doen de andere auteurs van het eerste uur niet onder.

Bovenstaande betreft evenwel een deel van de Holocaustliteratuur; het segment van de autobiografieën, herinneringen en memoires. Maar hoe is het gesteld met de Nederlandse professionele geschiedschrijving? In een eerder essay heb ik daar al iets over gezegd. Na Loe de Jong is de professionele geschiedschrijving een andere weg ingeslagen. Na de overzichtswerken (Abel J. Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong) heeft de geïnstitutionaliseerde geschiedschrijving zich in toenemender mate gespecialiseerd in lijvige deelstudies. Stuk voor stuk noodzakelijk, nuttig en interessant, maar het grote lezerspubliek duikt minder gauw in bijvoorbeeld een gedetailleerde wetenschappelijke studie over de rol van het notariaat bij de Shoah in Nederland van 600 bladzijden (Raymund Schutz, Kille mist). Of in een wetenschappelijk verantwoorde vergelijking tussen Nederland, België en Frankrijk van 1050 pagina’s (Pim Griffioen & Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België). Goede, doorwrochte en belangwekkende studies, maar het brede publiek haakt af. Eén van de weinige wetenschappelijk verantwoorde boeken die wel een groter publiek bereikte, was de studie van Bart van der Boom (‘Wij weten niets van hun lot.’ Gewone Nederlanders en de Holocaust), maar zijn boek heeft ook veel discussie opgeleverd.

Een nieuw Nederlands overzichtswerk na Loe de Jong is er nooit gekomen. Loe de Jong publiceerde in 1988 zijn laatste passages over de Jodenvervolging in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, een boekwerk waar hij in 1967 aan begon. Daarna heeft, zoals gezegd, geen Nederlandse historicus het meer aangedurfd om een algemeen overzichtswerk te schrijven over de Jodenvervolging in Nederland. Niemand heeft het aangedurfd om de grootmeester te overtreffen of uit te dagen, of aangedurfd hiertoe een poging te doen. Afgelopen weken verscheen het boek Veel valse hoop. De Jodenvervolging in Nederland 1940-1945 van Katja Happe, dat kwalificeert als een overzichtswerk, maar zij is een Duitse. Het op één na laatste overzichtswerk van de Engelsman Bob Moore (Victims and Survivors: The Nazi Persecution of the Jews in the Netherlands 1940-1945) stamt uit 1997. Dus de laatste twee overzichtswerken over de Jodenvervolging in Nederland zijn van de hand van twee buitenlanders. Zij hebben het wel aangedurfd. Maar Is het wel een kwestie van durf?

Maar dit alles overpeinzend; wie heeft Het Koninkrijk of alle passages over de Jodenvervolging van Loe de Jong überhaupt helemaal gelezen? Wie heeft zijn geschiedbeeld van de Jodenvervolging overzichtelijk op zijn of haar netvlies? Hij heeft een groot en omvangrijk werk nagelaten, maar wie heeft daar op handzame wijze toegang toe? In combinatie met de geplande revival van belangrijke dagboeken, memoires, heeft Uitgeverij Verbum bij het niod het idee geopperd om de relevante passage over de Jodenvervolging uit Het Koninkrijk te bundelen en handzaam beschikbaar te maken. Ik heb hierover op 8 april 2016 toen een eerste e-mail gestuurd naar de interim-directeur Wiechert ten Have. Hij antwoordde per omgaande mail: ‘Dat is een interessant idee. Je bent aan het goede adres. Wel ga ik dit hier overleggen met de specialisten op dit gebied. Inhoudelijk is mijn eerste gedachte dat de teksten vanzelfsprekend wetenschappelijk hier en daar verouderd zijn. Natuurlijk zijn ze informatief en deel van een monument! Een goede inleiding zou dus inderdaad nodig zijn. Wellicht ook wat nadere toelichting.’

En aldus werd een project geboren. Wiechert ten Have werd enige tijd later opgevolgd door Frank van Vree en ook hij toonde zich geïnteresseerd. Voordat we van start konden gaan heb ik toestemming gevraagd aan de nabestaanden van Loe de Jong en ook zij waren voorstander van de geselecteerde heruitgave. Aan het werk dus!

Ongeveer twee jaar later is Jodenvervolging in Nederland, 1940-1945, twee delen, gereed, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat het een groot en loodzwaar project was. Ik zal u besparen welke praktische problemen we hebben moeten overwinnen. Een van grootste obstakels was de omvang. Ruim 2750 bladzijden telt het boekwerk. Een dergelijk boekwerk heeft Uitgeverij Verbum niet eerder uitgegeven. Een eerder, ook megalomaan project (voor een uitgeverij met de omvang van Verbum) was de vertaling van het magnum opus van Raul Hilberg, de grondlegger van de Holocaustgeschiedschrijving die nog steeds als toonaangevend gelezen en bestudeerd wordt en niet gauw zal verouderen. De vernietiging van de Europese Joden van Raul Hilberg was een driedelig werk van circa 1550 bladzijden. Loe de Jong was bijna het dubbele! (We voelen het nog steeds in de rug.)

In veel andere opzichten is het werk van Loe de Jong (dus sinds lang verstopt in Het Koninkrijk) vergelijkbaar met het werk van Raul Hilberg. Het was (is?) trendsettend, toonaangevend en nog niet overtroffen. Dat zijn natuurlijk grote woorden, waar deskundigen graag iets op zouden willen afdingen, maar slechts ten delen hierin zullen slagen. Ik zal hier evenwel geen analyse geven van de overeenkomsten tussen Loe de Jong en Raul Hilberg. Laat ik me hier beperken tot de constatering dat Loe de Jong het werk van Hilberg goed kende. Hilberg was een van weinige historici op het gebied van de Holocaust die intensief door Loe de Jong is gelezen, geciteerd en gewaardeerd. Dus in de Nederlandse context hebben de twee een band en het was dus voor ons logisch dat deze twee bij eenzelfde uitgevershuis onderdak geboden zouden worden, ondanks het feit dat Uitgeverij Verbum qua bezetting eigenlijk te klein is voor dergelijke grote projecten.

Loe de Jong heeft in Het Koninkrijk in aanvang niet beoogd een zelfstandig werk over de Jodenvervolging te schrijven. Zijn beschrijving en analyse waren ingebed in het bredere verhaal van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Loe de Jong heeft over de Jodenvervolging dus ook niet zo’n brede analyse gegeven van het ontstaan en de oorzaak de Shoah. Als zelfstandig werk zou het boek er dan ook anders uit hebben gezien, maar ik ben ervan overtuigd dat zijn motivatie en zijn oordeel dezelfde zouden zijn geweest. Het was ook wel altijd de wens geweest van Loe de Jong om er een zelfstandig werk van te maken, maar daar is het helaas niet eerder van gekomen.

Over zijn motivatie lezen we op pagina 2452 (hoofdstuk 19, ‘Hulp aan Joodse vluchtelingen’ – Ja, laten we maar direct wennen aan de nieuwe verwijzing en annotatie…) het volgende:

‘Ik heb, vind ik nu, te veel aan die eindoverwinning, te weinig aan de Joden gedacht.

Ik heb, vind ik nu, mij met die Joden te weinig verbonden gevoeld en getoond.’

Door schuldbesef is dus het thema voor Loe de Jong loodzwaar geworden. Ook natuurlijk omdat hijzelf veel directe familie is kwijtgeraakt, waaronder zijn ouders en zijn tweelingbroer Sally.

Maar schuldbesef is één kant van de medaille. De andere kant van deze medaille is zijn oordeel. De boosdoeners en eindverantwoordelijken waren natuurlijk de Duitsers (of beter misschien: de nazi’s), maar de ‘grote held’ van zijn verhaal (elk verhaal heeft een ‘held’) is niet een nazi’s (die waren veelal instrumenteel, soms intrinsiek fanatiek verdorven) maar een Nederlandse Jood, David Cohen, de voorzitter van de Joodse Raad. Op Abraham Asscher, medevoorzitter van de Joodse Raad, reageerde Loe de Jong doorgaans minder fel en afkeurend.

In zijn inaugurale rede van 21 september 1967 [‘Een sterfgeval te Auswitz’ voorzien van een deskundige inleiding door Boudewijn J. Smits – ‘Loe de Jongs loodzware thema’ – dit boekje heeft Uitgeverij Verbum als randprogrammering bij Jodenvervolging in Nederland opnieuw uitgegeven] voert Loe de Jong David Cohen in de allereerste zin op. Cohen en de Joodse Raad zaten hem hoog.

‘Wat men van het beleid van die Joodse Raad vernam of zag, versterkte het beeld van de onderdanige, serviele, laffe Jood.’ (pagina 1314, hoofdstuk 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’) Nauwgezet en omstandig fileert Loe de Jong het (achteraf) desastreus gebleken werk van de Joodse Raad. Cohen c.s. waren aanhanger van de door de Joodse Engelandvaarder R.A. Levisson eens geciteerde Bijbelspreuk uit Prediker: ‘Beter is een levende hond dan een dode leeuw.’ (pagina 2009, hoofdstuk 16, ‘Gedeporteerde Joden’) Dat was het beleid van de Joodse Raad: meeveren en meebuigen om erger te voorkomen in de veronderstelling (of hoop) dat de oorlog snel afgelopen zou zijn. Maar dat beleid heeft rampzalig uitgepakt. Om te beginnen heeft het de solidariteit binnen en buiten de groep verbroken. Binnen – door een bepaalde geselecteerde groep van Joodse Raad-leden trachten te beschermen tegen deportatie waarbij de arme Joden zonder vitamine-R (relaties) eerder kansloos waren. Cohen sprak van het zo lang mogelijk behouden van de belangrijkste mensen (Loe de Jong, ‘Een sterfgeval te Auswitz’, p. 31). Buiten – omdat het de buitenwereld toonde dat de Joden zelf er vrede mee zou hebben. Waarom moeten wij, niet-Joden, de Joden helpen als zij zelf akkoord gaan met hun uitsluiting en daar zelf instrumenteel aan meewerkten? ‘De passiviteit in het Joodse milieu […] heeft in de loop van 1941 de passiviteit van de niet-Joodse in de hand heeft gewerkt.’ (pagina 1255-1253, hoofdstuk 12, ‘Laatste fase van de Jodenvervolging’) Dat was de redenering.

Daarnaast heeft het meewerken door de Joodse Raad het gevoel van eigenwaarde ernstig gefrustreerd. Beter een levende hond dan een dode leeuw? Dit was de eeuwenlange houding van de getto-Jood en deze houding heeft het antisemitisme nooit succesvol kunnen bestrijden, eerder in de hand gewerkt. De echte held van Loe de Jongs analyse is mr. L.E. Visser, de Joodse voorzitter van Hoge Raad, die na zijn gedwongen ontslag (geen enkele hulp van mede-Hoge Raad-leden), predikte dat Joden principieel niet mochten samenwerken met de nazi’s omdat dat tot niets zou leiden dan verlies van alles inclusief eigenwaarde. Hij was ervan overtuigd dat alleen een principiële houding van non-collaboratie soelaas zou kunnen bieden. Hij was de tegenstander van Cohen en zijn Joodse Raad, maar hij bleef een roepende in de woestijn. Hij doorzag de smerige verdeel- en heerspolitiek van de nazi’s, maar de meesten hoopten in dit schaakspel er toch zelf goed uit te kunnen springen, het door het bestuur van de Joodse Raad geprotegeerde groep bevoorrechte gegoeden voorop. Loe de Jong spreekt van een ‘gewapende vrede’ tussen het Cohen en Visser. Loe de Jong: ‘…, drong zich steeds sterker de overtuiging op dat de Joodse Raad afgleed naar een dienstbaarheid aan de bezetter die volstrekt in strijd was met de waardigheid die, aldus Visser, Joden dienden te betrachten.’ (pagina 589, hoofdstuk 7, ‘Naar het getto’)

Door het beleid van Cohen c.s. werd het, plat gezegd, ‘ikke, ikke, ikke en de rest kan stikke’. En achteraf weten we tot wat dit alles geleid heeft. Loe de Jong realiseerde zich terdege dat de ondergang van de Joodse bevolking waarschijnlijk zonder medewerking zich ook voltrokken zou hebben, maar dan in ieder geval met behoud van eigenwaarde en een minieme kans op solidariteit van de rest van de Nederlandse bevolking.

Een tweede angel in Loe de Jongs analyse van de Jodenvervolging betreft de houding van ambtelijk Nederland. Op pagina 881-882 (hoofdstuk 9, ‘Deportaties, eerste fase’) schrijft hij: ‘Ten aanzien van een mogelijke bescherming van de Joden of zelfs maar van pogingen in die richting liet met name de Nederlandse overheid volledig verstek gaan.’ ‘Waar vindt men in die bureaucratische rommel een vent die iets waagt?’ ‘Die is er niet.’ ‘Aldus Koos Vorrink over de hulp aan gedeporteerde Joden.’ Rapport van de Pakkettencommissie uit 1947: ‘Een tekort aan initiatief, durf en fantasie en een teveel aan formalisme en bureaucratie.’ Loe de Jong heeft het over ‘met schadelijke punctualiteit optreden’. En: ‘bedenkelijk formalisme’. ‘Wie vreest een misdadige overheid te dienen, heeft niet steeds de behoefte na te gaan of die vrees gerechtvaardigd is.’ (pagina 2208, hoofdstuk 17, ‘Terugblik’) Het beleid van ‘Londen’ ten aanzien van de Joodse vluchtelingen was ‘inhumaan’. Citaten te over…

Het laat zich dus raden dat de ambtelijke top, de secretarissen-generaal met Frederiks aan kop, er goed van langs krijgt. Elke keer komt hetzelfde beeld boven: meewerken om erger te voorkomen. Maar dat is helemaal niet gelukt, de ambtenaren konden of wilden het niet zien dat met de nazi’s meewerken (collaboreren) gelijk stond aan de dood van de Joden. Loe de Jong schreef het niet letterlijk, maar je hoort hem denken dat de Joden door ambtelijk Nederland zijn opgeofferd aan de bloeddorstige wolven, in de hoop zelf gespaard te worden. De Joden waren collateral damage, zijdelingse of onbedoelde schade.

Dit alles leidt ertoe dat we met Loe de Jong tot de conclusie komen dat de Jodenvervolging het resultaat is van een schromelijk gebrek aan solidariteit op allerlei niveaus, zowel persoonlijk als bestuurlijk, ook binnen de gevarieerde Joodse gemeenschap zelf. En dat is nog steeds de onweerlegbare waarheid waar de belangrijkste lessen van Holocaust op geënt moeten worden. Dit is wat wettelijk verankerd moet worden in een nieuw Landoorlogregelement, voorzien van een adequate strafmaat. Dit is de les die we op school contentieus jarenlang moeten inslijpen. Niet-solidair zijn moet een prijs hebben, solidair zijn moet iets opleveren en beloond worden. Dit moet de praktische uitwerking worden van ‘Nooit Meer Auschwitz’ en jaar-in jaar-uit gepredikt moeten worden door het Nederlands Auschwitz Comité en alle andere herdenkingsgremia en besturen van Holocaustmusea en herinneringscentra. Dit is niet wat Loe de Jong letterlijk heeft gezegd; het kan er slechts tussen de regels door uit gedestilleerd worden; dit is wat de auteur van dit essay privé vindt. Het is natuurlijk niet de conclusie van een professioneel historicus die zonder al te veel emoties zakelijk onderzoekt en redeneert. Het is immers geen conclusie, maar een aanbeveling en daarover gaat niet de historicus maar de politicus. Het beste is het nog als de bestuurder en de onderwijzer dit beleid vrijwillig en vol overtuiging zouden weven in hun dagelijkse beleid en handelen.

Dit brengt mij tot mijn slotopmerking. Boeken over de Holocaust kunnen grofweg worden verdeeld in drie groepen: boeken die 1) beschrijven, 2) verklaren en 3) verontwaardiging opwekken. Natuurlijk zijn er ook vele mengvormen. De Jodenvervolging in Nederland van Loe de Jong is met name beschrijvend, hier en daar verklarend en de auteur is gepast, maar beslist verontwaardigd. Een mengsel van 1), 2) en 3) dus. De meeste boeken, met name de memoires, autobiografieën en herinneringen zijn ook een dergelijke mengvorm, meestal van 1) en 3). Er zijn weinig boeken die helemaal in categorie 2) vallen en daar slaagde ook Loe de Jong niet in. Waarschijnlijk heeft hij zich dit ook niet tot doel gesteld. Weliswaar minder dan bij Presser (Ondergang) is de Jodenvervolging en hoe de (Joodse en niet-Joodse) gemeenschap daarop gereageerd had een open zenuw die met wetenschappelijke distantie en zorgvuldigheid behandeld moest worden. En dat gaat natuurlijk niet helemaal goed samen.

Recentelijk hebben we nog de discussie kunnen volgen over de Nederlandse Spoorwegen. Holocaustoverlevende Salo Muller heeft gesteld dat de ns betaald is met geld dat de nazi’s onder andere van zijn ouders gestolen hadden. Met andere woorden, de vergaste Joden hebben hun eigen treinkaartje betaald. Dat wringt zodat de voormalige Ajax-fysiotherapeut tegen de ns heeft geageerd dat ze dit geld moeten teruggeven. De ns waren in de oorlog een overheidsbedrijf dat volledig gecollaboreerd heeft met de nazi’s en zich nooit expliciet heeft afgevraagd waar deze Joden naartoe werden gedeporteerd en waarom ze niemand een retourtje hebben kunnen verkopen. Wat doet de ns nu met Salo Muller: een panna, een elleboogje, een kopstootje en weg is Salo Muller! Ze doen niet aan schadevergoeding. Ze doen niet aan excuses of boetedoening, geen schulderkenning. Ze betreuren natuurlijk wel heel veel. ns-directeur Rogier van Boxtel wil dat zijn bedrijf zich blijvend bewust is van zijn rol tijdens de oorlog. Kortom, de ns gaat het Nationaal Holocaust Museum sponsoren. Het is goed dat zoiets gebeurt maar Van Boxtel geeft er wel blijk van dat hij er niets van heeft begrepen. Het enige wat goed zou hebben geholpen was een ruimhartig en openbaar mea culpa en schadeloosstelling aan de nabestaanden voor zover die er nog zijn. Als hij daarnaast ook nog het Nationaal Holocaust Museum zou hebben gesponsord was het helemaal goed geweest. Maar de aloude reflex van de overheid, waar Loe de Jong zich met onverholen afschuw tegen verzet heeft, blijft na al die jaren nog steeds in stand.

Het ergste is nog dat de directeur van het Joods Cultureel Kwartier waartoe het Nationaal Holocaust Museum toe behoort, Emile Schrijver, zich in het nrc van 3 april 2018 als volgt laat citeren: ‘Emile Schrijver,… , vindt het “ongepast, om nu nog steeds slechts met de ethische blik van goed en fout naar de rol van ns te kijken”.’ Met andere woorden, het is niet langer gepast het toenmalige beleid van de leiding van de ns te bekritiseren. Is er een analogie met de handelwijze van de Joodse Raad tijdens de oorlog? Wordt hier verdeeld en geheerst? De ene groep een beetje geld geven voor het schoonwassen van het blazoen, en de andere groep niet? Ik vrees dat ze bij de ns nog niet van Salo Muller af zijn. En ik hoop vurig dat Schrijver verkeerd of onvolledig geciteerd is… Ik hoop dat hij tegen de directie van de ns de eis gesteld heeft om ook de nabestaande genoegdoening te geven. Ja, hij mag best met de ns samenwerken en door de ns gesponsord worden, prima zelfs, maar de ethische bril kan niet af bij de Shoah, nooit! Dat is nu weer handzaam te lezen bij Loe de Jong in zijn nieuwe (of oude?) boek.

Gerton van Boom

uitgever

Gepost op

Een sterfgeval te Auswitz

‘Een sterfgeval te Auswitz’

inaugurale rede, 21 september 1967
Loe de Jong

ingeleid door
Boudewijn Smits
‘Loe de Jongs loodzware thema’

Op 21 september 1967 sprak dr. L. de Jong de rede uit bij zijn inauguratie als hoogleraar in de eigentijdse geschiedenis. Hij overtuigde zijn gehoor van zijn antwoord op de klassieke vraag hoe de Holocaust in Nederland zo efficiënt kon worden voltrokken. In de inleiding analyseert zijn biograaf, dr. Boudewijn J. Smits, dat een aantal wetenschappelijke inzichten inmiddels is bijgesteld. De Jongs knap gecomponeerde retorische betoog gaat echter ook over zijn eigen loodzware thema. Daardoor blijft de zeggingskracht een halve eeuw na dato onverminderd groot.

 5.00Boek bestellen

 0.00Boek bestellen